| |
Waar Nescio's God woonde
Van de man met het
kleinste oeuvre in onze literatuur verschenen twee delen Verzameld
werk. Nescio: een zuinig schrijver, maar een bezeten wandelaar en
fietser. Aleid Truijens 
Nescio (1882-1961)
is de schrijver van de onvergetelijke beginzinnen. 'Behalve den man,
die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit
een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter,' zo begint De
uitvreter. Titaantjes opent, nog mooier, met: 'Jongens
waren we - maar aardige jongens.' En Dichtertje, de derde van
de drie meesterlijke novellen die de kantoorbediende J.F.H. Grönloh
onder pseudoniem schreef, zet hoog in: 'Tweemaal schudde de God van
Nederland zijn eerbiedwaardige hoofd en tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige
grauwe bakkebaarden heen en weer over zijn vest.' De drie zinnen vatten
het mini-oeuvre, waaraan Nescio later nog twee bundeltjes met schetsen
toevoegde, Mene tekel en Boven het dal, feilloos samen.
Hij had geen grootse visie op het mensenbeweeg, hij schreef over nutteloze
armoedzaaiers, op wie God hoofdschuddend, maar met welgevallen toeziet.
Met Japi,
de charmante uitvreter die als een vorst at en dronk van andermans
centen, pakken droeg die hij nooit betaalde en wekenlang aan rivieroevers
zat te 'versterven' tot hij op een dag rustig van de Waalbrug afstapte,
had het anders kunnen aflopen. Dat weten we nu. In het nu verschenen
Verzameld werk staan eerdere versies van Nescio's beroemde
novellen. De openingszin in een kladversie van De uitvreter
is: 'Behalve de man die zich in de Waal verdronken heeft, heb ik nooit
een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.' De keuze voor de
andere, veel mooiere zin, bepaalde het lot van Japi. De andere wonderlijke
kerel was Frederik van Eeden, stichter van de utopische kolonie Walden,
waarvoor de 'titaantjes' nog korte tijd warm liepen. Op een zondag
wandelden ze erheen, lezen we in dat verhaal. Maar: 'toen liep daar
een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes
te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met
de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels.'
Geschrokken keren ze terug. Nee, 'een sociaal' worden, 'dat leek toch
wel wat erg armoedig, nadat je aan Gods tafel had gezeten'.
Er is erg
veel God in Nescio's werk. God tekent steeds maar die gouden streep
boven het IJ als de vrienden op de dijk zitten. God schittert in meisjes
met grote ogen en witte sokjes en God weerhoudt het dichtertje van
dichten, omdat zijn hoofd al zo vol van hem is. De redactie van De
Gids weigerde in 1914 Titaantjes te plaatsen, omdat er
te veel 'goedkope aardigheden' over God in stonden. Want de God van
de titaantjes was een andere dan die van de lijzige kerkgangers die
Hem danken voor hun bord warme eten.
Het is de
weergave van de moeizame publicatiegeschiedenis en de vele varianten,
die dit Verzameld werk, voorbeeldig bezorgd door Lieneke Frerichs,
al de moeite waard maken. Nee, een tweede Uitvreter trof zij
in de volle laden papier niet aan. Maar de erven gaven haar wel een
andere schat: het dagboek dat Nescio van 1946 tot 1955 bijhield.
Natuurdagboek
koos Frerichs als titel, en dat is het precies. de vierhonderd pagina's
in deel 2 zijn het verslag van duizenden fiets- en wandeltochtjes
van een gepensioneerde door 'zijn eigen gebied'. Dat is het schitterende
waterland rond Amsterdam, waar de koeien verbaasd naar het havengebied
staren en de stad plotseling midden in een weiland eindigt. Durgerdam
en Schellingwou, die straks niet een bodemloos blauwe plas IJ, maar
de nieuwbouwwijk IJburg zullen omarmen. Gein, Gaasp, Bullewijk, nu
metrostations, Nescio gaf er graag 'Zwitserland en Italië en Tyrol
voor in ruil, met een gulden toe'. Wie nog snel wil zien waar Nescio's
God woonde, moet nu op de fiets springen, met een voortreffelijke
reisgids achterop.
- ©
Aleid Truijens - Gepubliceerd met toelating van de auteur/tijdschrift.
- Oorspronkelijk
opgenomen in Elsevier [Elsevier, 21 september 1996].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|