Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Presentatie van Joost Swartes Uitvreter in de Toneelschuur in Haarlem

Ria Grimbergen en Ernst Deurloo

lijn

Lang hebben de liefhebbers van het werk van Joost Swarte en van dat van Nescio er op moeten wachten, maar maandag 11 september 2006 was het dan eindelijk zover:
De presentatie van Nescio's "De Uitvreter", geïllustreerd door Swarte in de eveneens door Swarte ontworpen Toneelschuur in Haarlem. De avond werd ingeleid door Wim Vogel, die memoreerde dat op een steenworp afstand van de Toneelschuur, op de kruising Parklaan/Kruisweg in 1918 de eerste uitgave van "De Uitvreter" het licht zag bij kunsthandelaar J. H. De Bois. Schrijver Hans Maarten van den Brink leidde het met lichtbeelden gelardeerde gesprek.
Van den Brink ging kort in op zijn bemoeienissen met de Franse uitgave van "De Uitvreter". Naar aanleiding van Van den Brinks roman "Hart van glas", waarin Nescio's werk een rol speelt, vroeg Van den Brinks Franse uitgever, wie nu toch die Nescio was. Mede dankzij Van den Brinks bemiddeling verscheen de Franse vertaling als Le pique-assiette et autres récits bij Gallimard. Volgens Van den Brink heeft een beroemde boekhandel aan een Parijse boulevard, welke vermeldde hij helaas niet, inmiddels 80 exemplaren van "Le pique-assiette" verkocht.
Al aan het begin van de avond werden de eerste twee exemplaren van "De Uitvreter" uitgereikt aan twee belangrijke pleitbezorgers van Nescio's werk, Lieneke Frerichs en Enno Endt. Frerichs werd door Van den Brink herhaalde malen geroemd voor haar uitstekende tekstedities van Nescio's werk.
Hans Maarten van den Brink, kenner van het werk van Nescio én van dat van Swarte, ging vervolgens in op Nescio's leven en werk.

De eerste twee exemplaren van "De Uitvreter" uitgereikt aan twee belangrijke pleitbezorgers van Nescio's werk, Lieneke Frerichs en Enno Endt.

Al in zijn middelbare schooltijd maakte Van den Brink kennis met het werk van Nescio en werd hij gegrepen door de schoonheid ervan, later herlas hij het en trof hem het gruwelijke .Het menselijk falen is voor hem het centrale thema in het werk, waarin het kleine verbonden wordt met het grote, de onsterfelijkheid, de eeuwigheid, God.
Nescio's figuren worden gek of plegen zelfmoord, en degenen die dat niet doen zijn niet zo veel beter af.
Hoe hield Nescio het leven als kantoorman vol. Volgens Van den Brink hield hij het niet vol. Nescio trad in 1937 af als directeur van de Holland-Bombay Trading Comp. wegens nervositeit, citeert Van den Brink uit het Schrijversprentenboek. De aantekeningen en notites in het Natuurdagboek zijn volgens Van den Brink levensreddend geweest. Nescio's werk kent geen plot, in zijn decors en zijn als het ware montageachtige schrijftechniek ziet Van den Brink overeenkomsten met het werk van Joost Swarte.
Swarte ontdekte het werk van Nescio in de jaren tachtig van de vorige eeuw. In weinig woorden werd heel veel gezegd. Toen hem door Vic van de Reijt van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar in de jaren negentig werd gevraagd "Dichtertje" te illustreren (Vic van de Reijt stond voor ogen de wijze waarop Henri van Straaten het werk van Elsschot had geïllustreerd, RG), wenste hij ook zeer nadrukkelijk de vormgeving in eigen hand te houden. Swarte koos voor Nescio's werk heel bewust voor een enigszins "breed" lettertype, dat tot langzaam lezen dwingt. "Dichtertje" beeldde hij af als een silhouet, een man zonder gezicht, waardoor de lezer zijn eigen invulling aan het verhaal kan geven. Hij heeft het gevoel dat hijzelf het Dichtertje is. Vooral de verhaalfiguur God boeide Swarte in "Dichtertje" en hij beeldde hem af met het uit de katholieke traditie stammende Alziende oog als hoofd.
Voor "Titaantjes" koos Swarte een heel andere manier van illustreren. De karakters worden verbeeld door dialogen. De figuren hebben een eigen gezicht. Swarte gebruikte "steunkleur" in zijn verbeelding van de Titaantjes. Hij probeerde weer te geven wat Nescio bij hem oproept. Als voorbeeld toonde Swarte de tekening van de Titaantjes die verpletterd dreigen te worden door de schaduw van de wereldbol waarop zij lopen.
Volstrekt toevallig is de overeenkomst in sfeer van het omslagontwerp van Reyer Solk voor de eerste druk in 1918 en dat van Joost Swarte.
De illustratie van "De Uitvreter" gaf Swarte grote problemen. De uitvreter draait in zijn visie om het leven heen, hij ziet veel. De uitvreter maakt een pirouette rond het leven, hij raakt er steeds verder vanaf, totdat hij in het water valt. Swarte wilde deze ronddraaiende beweging vatten in een animatie, een soort tekenfilmpje waarin je als je het boekje doorbladert in twee seconden uitvreters pirouette verbeeld ziet. Een dans in 22 plaatjes. Swarte, die zijn creatie een flipperboekje noemt, zette zichzelf hiermee technisch klem en had veel tijd nodig om de door hemzelf opgeroepen problemen op te lossen. Van den Brink ging vervolgens in op het grimmige uiterlijk van de uitvreter, die naar zijn mening de uitstraling heeft van een hongerkunstenaar. Joost Swarte viel hem hierin bij: steeds had hij het beeld voor ogen van Vincent van Gogh. Dat riep de uitvreter bij hem op en zodoende heeft zijn schepping - de naam Japi is de hele avond niet gevallen - Van Gogh-trekken.
De sympathieke en bescheiden overkomende Swarte weet nog niet of hij nu klaar is met Nescio. Hij verdwaalde als het ware in de rijke tekst, werd er verliefd op.
Vervolgens ging Swarte in op enkele technische aspekten van het tekenen, onder andere over het gebruik van kleur. Swarte prefereert in zijn werk het gebruik van steunkleur boven vierkleurendruk. Bij vierkleurendruk weet je nooit wat de kleuren gaan doen en bovendien vindt Swarte vierkleurendruk eigenlijk ordinair. Op de vraag van Van den Brink of hij het zou durven, Nescio in kleur, antwoordde Swarte dat hij het wel durft, maar dat het niet hoeft. Hij is toch meer voor de klare lijn. Opvallend is dat in het werk van Nescio de kleur geel vaak voorkomt. Hierbij moeten we dan niet denken aan een Mondriaan-geel, maar meer aan een aan naturel verwante kleur, aldus Swarte. Dit moet volgens Van den Brink een aardig onderwerp zijn voor een doctoraalscriptie. Gaandeweg het door Van den Brink voortreffelijk geleide gesprek, bleek dat de gesprekspartners toch elk een eigen visie hebben op het werk van Nescio. Van den Brinks wat zwarte kijk vond geen weerklank bij Swarte. Van den Brink benadrukte herhaaldelijk het falen, het grote en het kleine, hoe gruwelijk het is dat je in het leven alles kunt nastreven, maar dat het tot niets leidt.

Vogel biedt Swarte en Van den Brink een bos bloemen aan.

Joost Swarte vond dat juist wel prettig en op Van den Brinks verbaasde vraag waarom het prettig is als alles zinloos is, antwoordde Swarte dat het prettig is dat er niet hoog wordt opgegeven van de menselijke soort. Relativeren, twijfel, maakt het leven voor Swarte een stuk leuker.
De avond werd besloten met de overhandiging van de traditionele bos bloemen
De bezoekers van de avond kregen vervolgens een cadeautje uitgereikt: een tekening van Joost Swarte die de nieuwe druk van "De Uitvreter" siert, verschenen "op kaart" in een oplage van driehonderd door de tekenaar gesigneerde exemplaren. Een meesterlijke prent waarop een gesoigneerde uitvreter transformeert in een haveloze zwerver en van de wereld afstapt. Een mooie afsluiting.

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)