| |
HET RELAAS VAN DE TITANEN
Het "Verzameld Werk" van Nescio licht de sluier op over een van de beste schrijvers van de Nederlandse literatuur. Sus van Elzen 
Daar
is hij dan. Nescio. Hij wist het niet. "Een groot dichter
zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een
dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant
van de gracht. En zoo werd z'n hele leven één gedicht, wat ook vervelend
wordt." Laat me wat zoeken, een eindje verder, niet veel
verder, want zo lang is het allemaal niet, gooit hij een gedicht weg
: " 't Dichtertje kreeg er genoeg van Hij had nog iets heel
moois liggen :
'Mijn
doode hart is zoo zwaar te dragen' Dat gooide-n-i maar in 't keukenfornuis,
de haard brandde niet, want 't was zomer."
En
dan komt het, die ene, onverklaarbare, onvergetelijke zin waar alles
in staat :
"En
toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n eindelooze
erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef dat 'm in eens beroemd
maakte."
"Dichtertje"
heet het verhaal, zoals we allen weten.
Het is bijna 47 bladzijden lang in de royale uitgaven van Nijgh &
Van Ditmar, en het dateert, volgens de aantekening in die uitgave,
van juni/juli 1917. Het was het derde verhaal, het mooiste, van de
oude drie plus één. Dat wil zeggen, er kwamen er twee voor,
"De uitvreter" (van 1909-1910) en "Titaantjes"
(van 1914). Daar kwam dan "Mene Tekel" achter,
wat misschien een, reeks kleinere verhalen was of misschien anderhalve
schets.
Daarmee
was het dan eigenlijk bekeken. "Boven het dal", de
verhalen- of schetsenbundel die in 1961 bij Van Oorschot verscheen,
telde niet echt mee : het was te weinig, of te veel, en een Dichtertje
was er alleszins niet meer bij. Maar de mythe leefde voort.
De
mythe heeft, vroeg of laat, iedereen beroerd die ook maar met één
vingertje in de Nederlandse literatuur bezig was, die grote pappot.
Anderen, aangezien het er niet over cowboys en indianen ging, direct
veel minder. Het was ook een beetje alsof niet iedereen zomaar het
recht had om Nescio te lezen, dat was meer iets dat je moest verdienen.
Gelukkig bood de omvang van het oeuvre meestal genoeg garanties :
zo klein was het, dat je bijna echt een boekengek moest zijn om het
in handen te krijgen - ofwel struikelde je in een boekhandel, en viel
je er met je neus op, maar zoveel geluk was toch weer een teken van
een zekere uitverkorenheid. Een hoofdwerk van minder dan 150 bladzijden,
drie verhaaltjes, en toch beroemd zijn, bij schrijvers niets verkeerds
kunnen doen, studenten benieuwd maken maar zo streng blijven dat ze
niet met je kunnen gaan dwepen...
In
de hele Nederlandse pappot zou ik niemand kunnen noemen die het hem
nadoet : Bert Alberts, die andere kampioen, was vergeleken
bij Nescio bijna een veelschrijver. Wie kan zoiets misschien, het
komt ook uit "Dichtertje"? "Dora is een 'ongehuwde
moeder'. Zij is op kantoor in Rotterdam, haar baas kent haar geschiedenis
en veracht haar niet, integendeel. Wat iets heel bizonders is voor
een Rotterdammer.
En
ik denk dat om dezen éénen man deze
wanstaltige stad mogelijk nog gespaard zal blijven op den grooten
dag. Wat weer een nadeel is."
TITAANTJES.
De hele Nescio-historie begint in een soort
Nederland dat wij ons niet meer kunnen voorstellen. Het Nederland
van de negentiende eeuw.
"Om
vier uur werd de zon heel laag, groot en rood en zonk koud en glansloos
achter een loods in de haven van Amsterdam.
Eenzaamheid kroop op uit 't grasland buiten den dijk, tegen 't oosten
; aan 't eind ervan lag een poel met bruin riet aan de kanten, de
verlatenheid zelf.
In de verte, op den dijk van 't Buiten IJ reed een
bakkerskarretje met een wit paard er voor en wij dachten aan de
krentenbrooden, die daar
in waren, want 't was Zaterdag. En in een eenzaam huisje brandde een
theelichtje, op tafel, vlak achter 't raam en aan weerszijden was
een tulen gordijntje een beetje opgenomen. En 't theepotje stond op
't lichtje. En we werden geheel verteederd, de wereld zouden we later
wel veroveren, nu dachten wij meer aan wat eten en drinken, brood
met koffie, want 't werd koud, en aan den vloer met wit zand en de
kachel van 't cafétje in Schellingwou."
(Buiten-IJ)
Zij
dan, dat waren de "Titaantjes", van het verhaal dat zo heet. Drie
jonge heren onder wie de schrijver, die de wereld gingen veranderen, en Nederland
ook. De schrijver heette Jan Hendrik Frederik (Frits) Grönloh, was op
22 juni 1882 geboren in Amsterdam, overleed op 25 juli 1961 in Hilversum. Echt
algemeen bekend werd hij als schrijver pas na zijn dood. In 1962 liet zijn weduwe,
mevrouw Boas-Grönloh, het verhaal "Heimwee", en andere fragmenten,
verschijnen in Tirade, het tijdschrift van uitgeverij Van Oorschot. Op
9 oktober 1971 werd een monumentje "Hommage
aan Nescio" onthuld in het Amsterdamse Oosterpark : een sokkel
met drie jonge heren op een bank, gemaakt door Hans Bayens.
Mevrouw
Grönloh zei bij die gelegenheid : "De drie jongens op de bank
waren mijn man en twee vrienden, jongens van 19, 20 jaar. Ze wilden
de wereld veranderen, niets deugde er, enzovoort. Ik ben nu oud en
als ik denk aan de tegenwoordige jeugd, die ook de wereld wil veranderen,
die hetzelfde voelt als de Titaantjes, dan zeg ik : ga door Titaantjes,
er zal daardoor zeker wat ten goede veranderen."
De
Titaantjes hadden, zo'n beetje in navolging van Frederik van Eeden
en diens utopische kolonie Walden, ook een kolonie gesticht,
die roemloos ten onder zou gaan. Het bekende werk van Nescio draait
bijna helemaal rond utopie en, zoals gezegd, rond het veranderen dan
wel veroveren van de wereld. In die zin zijn de drie verhalen drie
stappen drie fasen in die geschiedenis van de utopie in Nederland
en van die fasen is "Dichtertje" de derde. De laatste.
Dat
dat er zo niet aan te zien was voor de Titaantjes van de jaren zestig,
heeft wellicht met twee dingen te maken. Ten eerste is het geen vrolijke
boodschap, die Nescio brengt in zijn relaas over zijn jeugdidealen
en hoe die teloor gingen. Ten tweede worden die idealen eigenlijk
nooit benoemd. Daarvoor schreef Nescio namelijk veel te goed, zijn
de verhalen te zeer gelaagd in verschillende soorten ironie, gaat
het te vaak over conversaties op terrassen met rieten stoelen tussen
God en de Duivel. Dat is dan de burgerlijke God, de "God van
Nederland", tegen de onburgerlijk uitziende, ietwat Frans aandoende
duivel (met een zwarte snor). Humor, zegt de encyclopedie. Het zal
wel. Maar dan wel een humor die beladen is met een eindeloos verdriet
en met woede over alle levende en dode dingen - twee gevoelens die
nooit benoemd worden maar van dit dingetje samen een groot en grimmig
boek gemaakt hebben, en de dichter ervan beroemd waar hij dat moet
zijn.
Intussen
is mevrouw Grönloh ook overleden, en heeft haar beschermende, remmende
hand weggetrokken van het nagelaten werk van haar man. Dat lag in
het Nederlands Letterkundig Museum en, om een lang verhaal kort te
maken, het "Verzameld Werk" is daar. Het werd bezorgd
door Lieneke Frerichs en is twee zware banden dik geworden.
Het tot nog toe bekende werk beslaat daarin slechts om en bij de 220
bladzijden van de achthonderd van het eerste deel. Dat eerste deel
bevat het "eigenlijke" werk : de teksten waarover wij spraken,
plus het "nagelaten werk", plus aantekeningen, teksten en
varianten van het bekende werk.
Een
nieuw "Dichtertje" moet men er niet in gaan zoeken,
Nescio had zelf al gezegd dat dat soort dingen hem niet meer overkwam,
en men kan er van uitgaan dat het feit dat hij dit materiaal nooit
publiceerde, juist aanduidt dat hij het niet zo goed vond als zijn
wčl gepubliceerde werk. Maar het is natuurlijk met veel van dit materiaal
zoals met de fragmenten die Louis Paul Boon wegsneed uit "De
Kapellekensbaan" : veel anderen zouden dit met vrucht aan
hun eigen werk mogen plakken, "dan zouden ze ook wat geschreven
hebben."
Het
tweede deel, met goed zeshonderd pagina's een stuk minder lijvig,
bevat het "Natuurdagboek" van de schrijver. Aantekeningen
zijn dat, die lopen van 1946 tot 1955 - veeleer een logboek dan een
dagboek. Het was tot op heden totaal onbekend. Het is een wonder.
Alles, één en twee, is natuurlijk voorzien van de nodige aantekeningen,
nota's, correcties en ballast, maar voor de wijze lezer die bij de
tekst blijft en de wetenschap de wetenschap laat, is het geheel een
perfecte uitgave. Die honderdvijftig bladzijden en dat mysterie mag
men nu wel vergeten, maar in ruil daarvoor is een stuk van de waarheid
over Nescio bekend : de heer Grönloh, die zo mooi kon schrijven dat
hij God en de Duivel aan een cafétafeltje tegelijk in tranen kon doen
uitbarsten. Wie nieuwsgierig is naar hoe men schrijven moet, kan hier
eens komen kijken.
Dan
heb ik nog niets over de God van Nederland gezegd.
"De
God van je tante, die zei dat je moest groeten als je langs 't huis van je baas
kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer, ook al zag je niemand, je
kon nooit weten wie 't zag."
- ©
Sus van Elzen - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk
opgenomen in Knack [Knack, 23 oktober 1996, blz. 24-25].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|