| |
Nescio
Simon Carmiggelt 
Wie mijn bewondering
voor het werk van Nescio deelt, zal met genoegen vernemen, dat het Nederlands
letterkundig museum en documentatiecentrum een 'schrijversprentenboek'
aan hem heeft gewijd, dat De Bezige Bij in de handel brengt. Het bevat,
in de eerste plaats, een reeks portretten van de schrijver en ten tweede
zeer veel oude foto's, die de 'plaatsen van handeling' in 'Dichtertje',
'De uitvreter', 'Titaantjes', 'Mene Tekel' en 'Boven het dal' illustreren.
Een citaat uit 1947:
'En
dan rij je de jaren twintig in en ziet alles terug. Tien minuten voor
tienen: de bocht van de IJssel bij de Steeg, de zon spet er uit en de
koeien staan weer, wazig, bij liet water aan den overkant. Het is zoo
wazig datje aan het eind van de IJssel den domineerenden toren van Doesburg
niet ziet, maar later zie ik dat de toren niet meer bestaat. De oorlog.'
Toevallig
schrijf ik dit stukje, gezeten op dezelfde plaats. De toren, die de
Duitsers opbliezen, is herbouwd. Maar het naast het citaat afgebeelde,
schone vergezicht is verwoest door de aanleg van een grote verkeersweg,
die binnenkort gereed zal zijn.
Nescio
was het pseudoniem van J.H.F. Grönloh. Hij hield dat zorgvuldig geheim.
Toen zijn eerste novellen uit kwamen, werkte hij op het kantoor van
de Holland-Bombay Trading Company te Amsterdam, waarvan hij later directeur
zou worden . In het prentenboek ziet men hem er achter zijn bureau,
naast déze regels, die aan 'Dichtertje' zijn ontleend:
'De
lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij schreef trouwens toch
onder een anderen naam.'
In
een gesprek, dat ik eens met Nescio had, zei hij over dat pseudoniem:
'Als
ze op zo'n kantoor weten, datje schrijft, denken ze datje niet geschikt
bent voor je werk.'
Hij
bewaarde het geheim zó goed dat de heer A. de Kempenaer in zijn boek
'Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers' (1929) beweerde, dat
achter Nescio Nico Eisenloeffel schuil ging. Het ingezonden stukje in
de N.R.C., waarin zijn uitgeverij J.H. de Bois, de zaak rechtzette,
is in het prentenboek afgedrukt.
Een
beroemde zin uit 'Dichtertje':
'Hij
bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten in een
tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar dat
prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
noemde.'
Carel
Scharten - wie leest hem nog? - was in die dagen een hele heer in de
salon van de literatuur. Dat het zinnetje hem hevig irriteerde, blijkt
uit een aan zijn 'Kroniek der Nederlandsche letteren' ontleend citaat,
dat in het prentenboek is opgenomen:
'
"Dichtertje" lijkt mij van de drie schetsen de minste. Niet
zoozeer omdat, tot tweemaal toe, mijn naam er ijdellijk in wordt misbruikt.
Niet zoozeer, zeg ik, om deze "eervolle vermelding" van twijfelachtig
gehalte, als wel omdat, hoe geestig ook deze schets menigmaal zij, en
hoe savant, de figuur van het dichtertje geen oogenblik voor ons leeft.
Het blijft een verzonnen ventje met verzonnen lotgevallen, dewelke bij
een ten slotte stapelgek-worden volkomen ongemotiveerd belanden.'
Schartens
tenen waren wčl lang. Hoe lang zien we nu pas goed... Het prentenboek
eindigt met een zeer aangrijpend, in handschrift afgedrukt document
uit 1956. 'Waarschuwing' schreef de 74 jaar oude Nescio er boven. Er
staat, met grote hanenpoten:
'Soms
vertelt men mij dat er nog altijd belangstelling, soms zelfs enthousiasme
bestaat voor 't boekje van Nescio. Een enkele keer wil iemand kennis
met mij maken. Nou dat valt niet mee. 't Valt nooit mee, want een auteur
is altijd meer dan "meneer X", hij is, of hoort te zijn, 't
beste uit meneer X. Maar in mijn geval is 't heelemaal mis. Nescio bestaat
niet meer, hij is nu een oud, half invalide mannetje, dat piekert over
z'n stofwisseling. Vergelijk daar de Uitvreter eens mee. Laat 'm dus
maar in z'n stoeltje zitten, een mannetje zonder horizon. Ze sporen
me nog wel aan weer Iets te schrijven. Maar ik heb nooit "talent"
gehad. Ik schreef zoo maar, zonder er iets bij te denken. "Verzinnen"
kon ik nooit wat. En nu kan ik amper een endje loopen. Dat is het lot
van wereldveroveraars. En anderen. Ik wou niet graag dat de wereldveroveraars
van vandaag dit lazen. Ze zouden er maar hoogmoedig van worden. Als
je 18 of 20 jaar bent denk je dat 't jou zoo niet zal vergaan.'
- ©
Simon Carmiggelt - Gepubliceerd met toelating van de erven.
- Oorspronkelijk
opgenomen Het Parool [Het Parool, 13 september 1969].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|