|
Een appel valt in de stilte. Over het schrijverschap van Nescio.
Vierde Drienerwolde Lezing. Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo Lieneke Frerichs 
In
het eerste hoofdstuk probeert Janus de balans op te maken. Wie is
hij? Een kantoorman die uit het raam zit te staren. Een èchte zakenman
zou zoiets niet doen, stelt hij vast: ‘Deterding en van Aalst dat
waren je knappe lui, die keken niet naar een bladje dat valt.’ Het
zijn de namen van twee Nederlandse zakenlieden, die toen op het hoogtepunt
van hun carrière stonden, maar wier roem thans is verbleekt. Wij kennen
uit een recenter verleden nog wel de namen van industriëlen als Plesman
en Philips; tegenwoordig komen Bekende Nederlanders uit andere regionen
dan de zakenwereld. C.J.K. van Aalst was anno 1922 president van de
Nederlandsche Handel Maatschappij, en ‘Sir’ Henri Deterding was directeur-generaal
van de Koninklijke Shell (hij werd, tussen twee haakjes, naar zijn
voorletters aangeduid met ‘H.W.A.’; dit werd uitgelegd als ‘Hij Weet
Alles’, wat een grappig contrast oplevert met het pseudoniem ‘Nescio’,
dat, zoals bekend, betekent: ‘Ik weet het niet’). Zij figureren hier
als prototype van de a-poëtische mens. Janus rekent zich niet tot
hen, ook al gaan zijn zaken goed. Hij
kent de ambitie om te schrijven:
Je
dacht nog wel eens dat je wat kon, dat je zoo’n vallend blaadje kon
laten leven tot lang na 1972. Je moet je even voorstellen: een jonge
man van vijfentwintig jaar die in 1972 in eens den naam Deterding
leest.
Bedoeld
is natuurlijk: een jonge man leest over vijftig jaar, in 1972, dit
door Janus geschreven verhaal, waarin de naam Deterding voorkomt.
Een gedachte die in het verlengde ligt van de mijmeringen over Goethe
en de tijd.
Janus
is dan wel een dichter, maar hij is bang dat hij inmiddels te oud
geworden is en ‘min of meer bespottelijk’:
Als
je met een vest dat van boven plat zat en bij de derde knoop bol liep
en met dun haar nog op alles sonnetten maakte – Dan maar liever Deterding.
Nescio
heeft in het definitieve verhaal ‘Najaar’ de namen ‘Deterding en van
Aalst’ laten vervallen; in de voorgaande alinea staat nu enkel: ‘Knappe
lui, die keken niet naar ’t blaadje dat valt’. Door die fout in ‘Najaar’
(want zo moet dat toch wel genoemd worden) zijn de zinnen met de vermelding
van de naam ‘Deterding’ enigszins duister geworden, - althans, voor
een lezer, die geen weet heeft van de bekende oliemagnaat Deterding.
Ik heb dan ook in de afgelopen jaren meer dan één student ontmoet,
die bleef volhouden dat Janus in de uitspraak ‘Dan maar liever Deterding’
naar zichzelf verwees, en dat hij bijgevolg ‘Janus Deterding’ heette.
En
tenslotte: dat de wereld iets ziet in ‘Querido en de Oude Waereld,
met ae’, daar kan Janus niet erg jaloers op zijn. De Oude Waereld van succesauteur Is. Querido is een driedelig romantisch
epos over ‘het land van Zarathustra’, aldus de ondertitel; het verscheen
tussen 1919 en 1921, voorzien van een uitvoerig ‘boek der toelichtingen’.
Echt een roman van gewapend beton dus.
Wat
in dit hoofdstuk niet met zoveel woorden genoemd wordt, maar wat zich
intussen overal laat gelden waar de zichtbare werkelijkheid in beeld
wordt gebracht, dat is de alles overheersende preoccupatie met de
dood. Misschien is het u bij de hiervoor gegeven citaten al opgevallen,
dat de vergankelijkheid bij Nescio wel erg vaak ter sprake komt. Zo
is het ook hier. Het langzaam vallende gele herfstblad uit de eerste
alinea is natuurlijk al zwaar van symboliek, maar er is ook lamplicht
dat wordt uitgedraaid, er zijn ten hemel varende bomen, en er gaan
mensen uit het donker in het licht, en dan weer in het donker. Een
dergelijk effectvol beeld is meteen de slotsom van Janus’ overpeinzingen
uit het eerste hoofdstuk:
Een
juffrouw met een paraplu liep in eens voorbij ’t licht en verdween
in de donkerte.
Zoo
leven wij allen even en sterven: Deterding en de zwaarlijvige dichter
die de liefde ‘bezingt’ (God bewareme) en Querido met z’n dikke boek
en al z’n andere drabbige proza, och hij kan ’t misschien ook niet
helpen,H ij doet erg z’n best, en ik.
Anders
gezegd: het leven is vergankelijk en niets wat een mens doet of nalaat,
ook het schrijven niet, kan daaraan iets veranderen.
Hoofdstuk
II van de eerste versie is geschreven in de ik-vorm, en die ‘ik’ moet
wel staan voor de schrijver. Nescio heeft de eerste helft van dit
stukje later gebruikt als motto voor de bundel Boven
het dal. Het luidt hier:
Ik
zit op den berg en kijk in het dal der plichten. Dat is dor, er is
geen water, het dal is zonder bloemen en boomen. Er loopen veel menschen
door elkaar, de meesten zijn wanstaltig en verwelkt en kijken voortdurend
naar de grond. Dat zijn de gelukkigen. Enkelen kijken nu en dan op
en dan schreeuwen zij. Na eenigen tijd sterven zij allen, toch zie
ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit.
Medelijden wil ik niet hebben, ik vind dat ze niet beter verdienen.
En ik rek mij uit en kijk langs mijn armen naar de blauwe lucht.
Ik
sta in het dal op een pleintje van zwarte sintels bij een kleine stapel
afbraakplanken en een onbruikbare waschketel. En ik kijk op en zie
me zelf zitten daar boven en ik jank als een hond in de nacht.
Dit korte
stukje geeft een altijd weer aangrijpend dubbelportret. Hier spreekt
iemand die, in de woorden van Nescio in de Inleiding bij Boven
het dal, ‘helaas zijn plicht heeft willen doen tot de dood er
op volgde’, en die een soort persoonlijkheidssplitsing tot stand heeft
moeten brengen om dat leven enigszins draaglijk te maken. Over die
overlevingsstrategie zou heel wat te zeggen zijn, maar dat wil ik
maar liever aan de deskundigen overlaten. Dat er wanhoop uit dit stukje
opklinkt, is ook voor een gewoon mens duidelijk genoeg. – Dit hoofdstuk
geeft in de eerste versie van ‘Najaar’ nog enkele details over het
zakenleven; de slotzinnen staan opnieuw in het teken van de dood:
‘Daarna zullen wij beiden sterven. Misschien eerst vele jaren daarna.’
Het
derde hoofdstuk gaat weer over Janus, en zet prachtig in:
Hij
was de man die iets miste en hij wist niet wat, de man die iets verlangde
en hij wist niet wat en de man die iets zeggen wilde en hij wist niet
wat.
Daarop
volgt een even prachtige beschrijving van Janus’ dagelijkse wandeling
van kantoor naar huis (aansluitend op het eerste hoofdstuk, dat eindigde
met zijn vertrek van kantoor):
’s
Avonds liep hij van z’n kantoor naar huis en keek naar de lichten
en naar de menschen zonder een van hen eigenlijk te zien en naar de
glimmende straten en voelde een dwaze vreugde alsof er nu iets gebeuren
zou, alsof hij in eens een van die vreemde menschen zou kennen en
alsof dan alles voor altijd goed en duidelijk zou zijn. Het was een
dwaze vreugde en dat wist hij, het was jongensachtig, alleen toen
hij een jongen was had hij er aan geloofd. Nu wist hij dat het nooit
gebeuren zou, dat hij nooit een mensch zou kennen en dat nooit alles
duidelijk zou worden. En toch voelde hij iederen dag weer die redelooze
vreugde, dat halve uur dat hij alleen was en aan niets hoefde te denken.
Hoort
u de resonans van dat zinnetje uit het begin van mijn verhaal: ‘Ik
ben nog wel erg vermoeid, maar ik denk bijna niets’?
In
het vervolg wordt geprobeerd om te achterhalen wàt er wordt gemist
en verlangd. Opnieuw wordt vastgesteld dat het in de jonge jaren van
Janus niet anders was; ook toen al had hij iets gemist en had hij
naar iets verlangd. ‘En al dien tijd had er iets moeten gebeuren dat
nooit gebeurd was.’ Daar zit blijkbaar de pijn: in het besef dat het
leven altijd zal blijven zoals het is, en dat er geen verlossing mogelijk
is. Dat de ouder geworden Janus niet meer, zoals vroeger in de gelukkige
illusie kan leven dat zijn dromen ooit werkelijkheid zullen worden,
maar dat hij onder ogen moet zien dat dat niet meer gebeuren zal,
en dat hij met die desillusie nog moet zien verder te leven ook.
Janus
stelt vast dat hij ‘een dichter’ is, hoewel hij nog nooit iets heeft
gedicht, en dat hij ‘ziek’ is: ‘Hij zei datti een gebroken hart had
en dat de scherven overal door z’n gestel zwierven en uit moesten
zweren.’ En in een ander beeld: dat hij de wereld heeft ingeslikt
en ‘m niet kwijt kan raken. Hij lijdt aan het leven, omdat hij nu
eenmaal een dichter is. Wat hij mist, kunnen de mensen om hem heen
hem niet geven. Zijn familie plaagt hem op een gemoedelijke manier
(‘Juist pa, u is een dichter. Uw das zit scheef. Pa, past u op met
oversteken, dat u niet onder de tram raakt’), en zijn vrienden (onder
wie ‘de veertigjarige kalende en buikende jongeling’ die sonnetten
maakt en die nota bene ‘Klaas Schrijver’ heet) hebben hun eigen besognes.
Alleen in de fantasiewereld van zijn kinderen vindt hij soms even
een glimp van wat hij mist en verlangt – en dat is, moeten we vaststellen,
dan toch een eerste blijk van troost:
Thuis
vond hij soms even die vreugde en die verwachting weer als hij in
de groote oogen van zijn kinderen keek. Als de jongste in haar pon
op haar kussen zat met opgetrokken knieën en met groote starende oogen
een versje zong, dan dacht hij: dat ben ik zelf, zij wacht, zij wacht
met zekerheid, haar zal eens alles helder worden. Die zag daar op
haar bedje een wit huis met glazen deuren en breede lage hardsteenen
trappen zoo breed als ’t huis en een vijver er voor en aan weerszijden
daarvan een breede oprit en witte kuikentjes in ’t kiezel en ‘overal
bloemen. [...] En in ’t najaar ziet u, dan drijven d’r allemaal bladen
op de vijver. Maar ’t is nou nog zomer begrijpt u, dat speel ik.’
Janus
komt er ook in dit hoofdstuk niet uit. De slotsom: ‘iets
te zeggen hatti maar i wist niet wat. ’t Zou wel ongeneeselijk zijn.’
Hoofdstuk
IV van de eerste versie staat weer in de ik-vorm. Het is niet voltooid,
en Nescio heeft het in tweede instantie integraal geschrapt Het geeft
echter zo’n meeslepend beeld van het jaar 1922, dat ik er iets uit
wil citeren. Het begin dan maar:
Ik
heb al gezegd dat ’t was ten tijde van Querido.
Dat
jaar gingen alle zaken slecht, er waren menschen die elkaar vertelden
van hun verliezen zooals ze elkaar vroeger van hun winsten hadden
verteld. Rijken droegen in hun werk goedkoope pakjes en reisden derde
klas. Zij spraken over bezuinigen en bedoelden dat de armen zich moesten
bekrimpen. Alles kwam van de achturendag. Een nieuw brabbeltaaltje
ontstond. De gulden moest ‘veiliggesteld’ worden, er verschenen verwarde
stukjes in de kranten over ‘de vlucht voor den gulden’ en verbijsterde
menschen spraken over de ‘vlucht van den gulden’ en kochten
‘dollarwaarden’. De slagboomen aan de overwegen over de sporen werden
afgeschaft en de Nederlandsche begrooting moest worden ‘sluitende
gemaakt’ zonder dat de menschen met veel geld daaraan meebetaalden.
En
dit is het slot:
En
er was Zondags buiten Amsterdam geen stilte meer en geen eenzaamheid.
Groote grove kerels op ‘Indians’ en Harley Davidsons met een wijdbeensche
motorengel achterop knalden op alle wegen. Op den Muiderweg was een
ononderbroken optocht van auto’s en fietsers. Motorbootjes lagen overal
in ’t riet, de Vecht was bedekt met motorzolderschuiten vol krijschende
meiden met witte zeilpetten op, fietsen stonden overal tegen de boomen,
overal werd Zondags gevrijd, langs de Amstel, de Gaasp, ’t Gein, de
Vecht, aan de Loosdrechtsche plassen, in ’t heele Gooi, in de bosschen
van Baarn en de Vuursche, in de duinen en op ’t strand, langs honderden
kilometers weg en strand lagen de vrijende Amsterdammers en waar ’t
kon, van den weg af. Elke boer verkocht Amstelbier en limonade en
gevulde koeken, elk cafétje had een weranda getimmerd, overal hadden
ze wanluidende piano’s, muziekautomaten en gramofonen, overal werd
gejoeld en gegild, van elke hoogte werden juffrouwen bij de beenen
naar beneden getrokken.
Maar
toen Nescio zo ver gekomen was, kreeg hij blijkbaar het gevoel dat
hij zich te veel had laten meeslepen, en hij noteerde: ‘Ik houd er
mee op, ’t wordt te lang.’ – Wat wij betreuren.
Het
vijfde hoofdstuk vangt weer aan met de problematiek van Janus. Het
begint zó:
Wat
kon het zijn? De tijd dat hij de wereld wilde hervormen was zoo lang
geleden dat hij er niet meer aan dacht.
Nogmaals
wordt vastgesteld dat er niets is dat het leven zin geeft: vrouwen
niet, liefde en huwelijk niet, het schrijven van een boek niet. Alles
verliest zijn betekenis tegenover het diepe besef van de monotonie
der dingen, bekend uit het boek Prediker,
maar hier op geheel eigen wijze verwoord:
Alles
ging eindeloos door en als eens aan iets een einde kwam dan was het
nog droeviger. Groote verwachtende oogen had hij zien kijken en zij
hadden kindertjes gekregen met spenen en natte luiertjes en die waren
achttien jaar geworden en keken met groote verwachtende oogen alsof
met hen iets anders begon.
En
ook het leven in vrijheid en in onthechting (vul in: zoals Japi-de-uitvreter
leven wilde, en zoals het de titaantjes en het dichtertje voor ogen
stond) is onmogelijk gebleken:
Ook
had hij vrij willen zijn, geen baantje, geen zaken, geen gezin, geen
vrinden, geen vriendinnen vooral, altijd vrij, van aangezicht tot
aangezicht met God. Maar wie van God is vervuld gaat aan Zijn gruwelijke
oneindigheid ten gronde. En dit is het ergste van alles. Dat wij sterven
aan het verlangen en niets anders kunnen. Rien, toujours rien.
Dat
is de slotsom: Niets, altijd niets. Het is een variant op een zinnetje
uit Tantarin de Tarascon
van Alphonse Daudet: ‘Rien, rien, jamais rien.’
Maar
Janus denkt aan gelukkige ogenblikken van vroeger, die hij zich nu,
vele jaren later, nog met ontroering herinnert, en kan maar moeilijk
berusten in de vergankelijkheid en het niets:
Iets
moet er wezen. Iets is er nog te zeggen. Iets is er dat sterker is
dan de gruwelijkheid der oneindigheid en der eeuwigheid Gods. [...]
Iets had hij verzuimd, er was iets dat hij inhalen moest, iets
viel er te zeggen.
Die
laatste zin is de slotzin van het vijfde hoofdstuk. Er volgt nog een
hoofdstuknummer VI, maar daar heeft Nescio geen inhoud aan kunnen
geven.
Lees verder...
Pagina
2/3
- ©
Lieneke Frerichs - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in Frerichs,
Lieneke, Een appel valt in de stilte : over het schrijverschap
van Nescio - Enschede ; Hengelo : Stichting Literaire Manifestaties
Enschede/Hengelo, cop. 1996. - 20 p. ; 21 cm. - (Drienerwolde lezing
; 4) Vierde Drienerwolde lezing, 14 okt. 1995.
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|