Nescio
Startpagina
Nieuw
Biografie
Bibliografie
Artikels
Bibliotheek
Extra
Deze website
Zoeken
Links
Overzicht
Teken het gastenboek!
artikels
 

 

Een appel valt in de stilte. Over het schrijverschap van Nescio.

Vierde Drienerwolde Lezing. Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo

Lieneke Frerichs

lijn

Dat Nescio deze eerste versie in hetzelfde jaar 1922 heeft bewerkt tot een wèl afgerond verhaal dat hij ‘Najaar’ noemde, wilt u wel van mij aannemen. Dat verhaal eindigt op dezelfde manier als de eerste versie, in een impasse: er moet iets zijn dat het leven zin geeft, maar wat kan het in hemelsnaam wezen?

Dat deze impasse ook voor de schrijver Nescio gold, moge blijken uit het feit, dat na ‘Najaar’ de tijd van het grote zwijgen is aangebroken. In die onvruchtbare jaren tussen 1922 en, zeg maar, 1935 slaagde hij er niet in om iets noemenswaards op papier te zetten. ‘Rien, toujours rien.’

 

Met een grote sprong verplaatsen we ons nu van november 1922 naar 23 augustus 1937, de dag waarop Nescio in de tuin van Zichem een appel met een plof in de stilte hoorde vallen. Hij verwerkte die ervaring in december van dat jaar in een onvoltooid verhaal met de titel ‘Het einde’; het wordt hier volledigheidshalve alleen vermeld.

 

Maar dan is het 1 mei 1940. Op die dag heeft Nescio zijn oude verhaal ‘Najaar’ opnieuw onder handen genomen – welke aanleiding daarover gezorgd heeft, weten we niet. Hij laat de mijmeringen van Janus over het verleden uitmonden in de zin: ‘En onderwijl denken de jongen menschen altijd nog weer dat ze een toekomst hebben.’ Daarop volgt nù een wending, ‘En toch’:

En toch. Nog leven de lammeren die Ichnaton op hun pootjes zag springen in het voorjaar. De zon schitterde op de zee en de schepen zeilden naar de zon. Nog leeft die dag daar in Egypte hier in Amsterdam in mijn hoofd na zooveel duizend jaar.

Een glimlach trekt over de gruwelijke oneindigheid en eeuwigheid Gods. Het kind speelt.

 

Het is eind Augustus 1937. In den tuin van Sichem hangen de rooie appeltjes aan de boomen in den lichten ochtendnevel. De tuin met het schaap, met de witte besjes aan de struiken. Een ladder staat tegen een appelboom, een appel valt met een plof in het gras in de stilte.

In de kerk van Sichem staat Augustinus, levensgroot. Hij is van steen en houdt een steenen boek, opengeslagen in de hoogte.

Mijn vele dagen willen niet zoo maar vergaan.

Vierduizend jaar later. Mijn appel valt met een plof op het gras in de stilte.

In dit nieuwe slot heeft Nescio (want in dit slotwoord is toch duidelijk de auteur aan het woord) een manier gevonden om de vergankelijkheid te overwinnen. ‘Het kind speelt’: dat is een voortzetting van de passage over het kind, dat zich in haar bedje een wereld fantaseerde. Maar eenzelfde spel kan worden gespeeld in de literaire traditie, door een lange rij van schrijvers, die allang dood zijn, maar die niettemin met de levenden kunnen communiceren. Dat blijkt uit de hymne aan de zon, ‘zooveel duizend jaar’ geleden geschreven door farao Ichnaton of Amenhotep IV (1384-1364 v. Chr.). Wat toen op die dag in Egypte gebeurde, is blijven leven, omdat Ichnaton het opschreef, en lateren het konden meebeleven. De betreffende passage uit diens hymne luidt in vertaling (en ‘-U’ is in dit geval de zon):

Alle boomen en planten bloeien, de vogels fladderen in hun moerassen, de lammetjes dansen op hun pooten. De schepen zeilen zoowel den stroom opwaarts als afwaarts, de visschen springen voor U op en Uw stralen zijn in ’t midden van de groote zee.

Het blijkt ook uit het beeld van Augustinus met zijn boek en zijn ganzeveer: hij heeft eveneens de tijd overwonnen, omdat zijn Confessiones levend gebleven zijn. Nescio versterkte deze gedachte nog, door het Augustinus-citaat uit de kerk van Zichem (‘Irrequietum est cor nostrum, donec requiescat in te’) in zijn werk te incorporeren: hij maakte het tot het motto van zijn verhaal ‘Najaar’.

 

En in de slotzinnen laat Nescio op een zeer zelfbewuste manier ook zijn eigen schrijverschap triomferen over de vergankelijkheid. De val van de appel is in de eerste plaats te verbinden met het gele herfstblad, dat Janus in de beginzinnen van ‘Najaar’ zag vallen. Maar een herfstblad is niet hetzelfde als een appel: een herfstblad dwarrelt naar beneden om te vergaan (het is een doodssymbool), terwijl een appel valt omdat hij voldragen en rijp is. En herinnert u zich nog de zin uit ‘Najaar’: ‘Je moet je even voorstellen: een jonge man van vijfentwintig jaar die in 1972 in eens den naam Deterding leest’? Die voorstelling overspande een periode van vijftig jaar, maar deze nieuwe gedachte is nog veel stoutmoediger: over vierduizend jaar zal iemand geroerd worden door het verhaal ‘Najaar’ van Nescio, en op dat moment zal Nescio’s appel opnieuw als een rijpe vrucht van de boom vallen, ‘met een plof op het gras in de stilte.’

 

Het zou mooi zijn om het bij deze glorieuze, onsterfelijke Nescio te laten. Maar Nescio zou Nescio niet zijn, als zekerheden niet steeds weer zouden worden betwijfeld. In een van de manuscripten van ‘Najaar’ staat onder de slotregels een later commentaar. Het is uit 1945, en misschien moet in aanmerking worden genomen dat de schrijver intussen vijf oorlogsjaren had beleefd:

2 October 1945. Op den dijk van de Zuiderzee bij Amsterdam. Ik vind de onsterfelijkheid maar een pover surrogaat voor het leven.

 

De laatste momentopname is gedateerd op 20 juni 1950. Op die dag maakte Nescio van het slot van ‘Najaar’ een op zich zelf staand en afgerond schetsje. Dat kon hij zonder bezwaar doen, want hij had ‘Najaar’ nog steeds niet gepubliceerd (het verscheen, zoals gezegd, pas in 1961, in de bundel Boven het dal). Een titel is afwezig; ook Augustinus is er niet meer bij, en er is een ander motto, dat u niettemin bekend zal voorkomen: ‘Die van God is vervuld gaat aan zijn gruwelijke oneindigheid ten gronde.’ Ik lees u de integrale tekst voor, en u zult horen tot welke slotsom de schrijver deze laatste keer gekomen is.

Het is eind Augustus 1937.

In den tuin van Sichem hangen de rooie appeltjes aan de boomen in de lichte ochtendnevel. De tuin van het schaap, met de witte besjes aan de struiken. Een ladder staat tegen een appelboom, een appel valt met een plof in het gras in de stilte. Verder is er niets. Eén moment zijn Gods gruwelijke oneindigheid en zijn gruwelijke eeuwigheid tot iets gekomen.

Meer dan drieduizend jaar geleden sprongen in Egypte de lammeren op hun pootjes. De zon schitterde op de zee en de schepen zeilden naar de zon. Nog schittert die zee en nog zeilen die schepen naar de zon en de lammeren springen op hun pootjes en ze zijn niet gestorven en ze zijn geen schapen geworden.

De tuin van Sichem wil leven en de vele boomen en velden en waters daarbuiten willen leven, onbekommerd om de verschrikkelijke onbegrijpelijkheid Gods. De vele dagen willen niet zoo maar vergaan. Over drieduizend jaar valt die appel nog met en plof in de stilte. Misschien.

 

En dat moet dus mijn laatste woord zijn, vanmiddag: ‘Misschien’.

 

 

Aantekeningen

Dit is de integrale tekst van de vierde Drienerwolde-lezing die werd georganiseerd door de Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo. De bijeenkomst vond plaats op 14 oktober 1995 in de bovenzaal van de schouwburg te Enschede.

 

Het verhaal ‘Najaar’ is afgedrukt in de bundel Boven het dal (1961 en later) op p. 59-66. Het zal binnenkort opnieuw worden gepubliceerd in Nescio’s Verzameld Werk (1996), in het gezelschap van de hier besproken vroegere en latere versies.

Nescio’s brieven aan Agnes Maas-van der Moer zijn te vinden in Tirade nr. 248/249, september/oktober 1979, p. 402-428; de geciteerde zinnen staan respectievelijk op p. 408-409 en p. 422.

Het ‘zonnelied’ van Ichnaton is onder andere gepubliceerd in de biografie Ichnaton; Pharao van Egypte van Arthur Wiegall (ca. 1924). Nescio had dit boek in 1928 in handen, getuige een door hem gemaakt afschrift van enkele regels uit de hymne (overgenomen van p. 154-155 van dit boek). De passage hierboven is geciteerd naar dit afschrift.

 

Colofon

De uitgave is gezet uit de Stempel Garamond en gedrukt op de persen van drukkerij Höfte te Hengelo. Voor het binnenwerk werd 80 gr houtvrij offset gebruikt en voor het omslag 110 gr oudroze Elefantenhaut.

 

Deze uitgave verschijnt niet als handelseditie en is uitsluitend bestemd voor bezoekers van de lezing van Dr. L.L. Frerichs en relaties van de organiserende stichting. De oplage bestaat uit 150 genummerde exemplaren.

 

Pagina 3/3

© Lieneke Frerichs - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in Frerichs, Lieneke, Een appel valt in de stilte : over het schrijverschap van Nescio - Enschede ; Hengelo : Stichting Literaire Manifestaties Enschede/Hengelo, cop. 1996. - 20 p. ; 21 cm. - (Drienerwolde lezing ; 4) Vierde Drienerwolde lezing, 14 okt. 1995.

 

Afdrukbaar Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achterLaat me een boodschap achter

Laatste wijziging aan deze pagina: 17 november 2006

 
Een bericht versturen naar de webmaster (Bert Rodiers)