| |
Titaantjes van goede wil
Nescio en het unanimisme van Jules Romains Maurits Verhoeff 
Zoals vele
schrijvers liet Nescio de interpretatie van zijn werk (en leven) liever
over aan de critici. 'Zij kennen mij zooveel beter, gelukkig, dan
ik mij zelf ken', schrijft hij in de inleiding van Boven het dal.
Toch had hij een idee.
In een brief
van 4 september 1947 aan Nijgh & Van Ditmar bedankt hij zijn uitgever
voor de ontvangst van de presentexemplaren van de toen net verschenen
derde druk van De uitvreter. Titaantjes. Dichtertje. De verzorging
van de uitgave vindt hij 'werkelijk heel aardig voor dezen tijd'.
Na enige informatieve vragen omtrent de editie schrijft Nescio dat
hij van C.J. Kelk heeft vernomen, dat een boek van Kelk in het Tsjechisch
vertaald was. 'Kunt U niet eens zooiets doen? Niet dat ik zoozeer
op het Tchechisch reflecteer,' maar hij denkt wel aan het Frans. Volgens
Nescio een taal 'die tenminste iemand leest. Vooral nadat ik de
Hommes de bonne volonté heb gelezen houdt die gedachte mij bezig,
ik vind daarin mijn gedachtenwereld geïncorporeerd.' Ondanks dit verzoek
is een vertaling in het Frans nooit verschenen.
Mensen
van goede wil
Les Hommes de bonne volonté is de romancyclus van Jules Romains,
pseudoniem van L.H.J. Farigoule (1885-1972). In dit werk en in zijn
gehele oeuvre speelt het unanimisme een grote rol. In het unanimisme
wordt de nadruk gelegd op groepen en de processen binnen groepen.
Romains 'ontdekte' het unanimisme toen hij in 1903 in Parijs wandelde
in de Rue d'Amsterdam. Hij zag dat door de snelle groei van de stad
nieuwe verbanden ontstonden. De oude banden van gezin en familie werden
vervangen door andere, zoals de stad, een straat, een beweging - ieder
met een eigen bewustzijn.
Zijn idee van het unanimisme bracht hij eerst tot uitdrukking in de
dichtbundels L'Âme des hommes (1904) en La Vie unanime (1908).
Zo beschrijft hij in 'Le Théâtre' uit La Vie unanime de toeschouwers
bij een toneelstuk. Eerst komen ze als individuen de zaal binnen,
maken lawaai, schuiven op stoelen. Maar wanneer het doek opgaat, ontstaat
er een groep. Iedereen wordt stil en richt zich op het toneel. Langzamerhand
gaan de individuele toeschouwers op in het geheel van het gebeuren.
Ook in zijn romans komt het concept van unanimisme naar voren. In
Mort de quelqu'un, verschenen in 1911, staat een aantal bewoners
van een huis in een wijk in Parijs centraal. Zij hebben geen enkel
verband met elkaar, leven langs elkaar heen, maar door het overlijden
van een medebewoner komen ze met elkaar in contact en gaan ze een
eenheid vormen. Les Copains verscheen in 1913. Hierin zet een
clubje van zeven vrienden twee steden op stelten. Het is een kleine
groep die zijn wil kan opleggen aan een grotere.
In
het werk van Jules Romains zijn drie soorten groepen, 'unanimes',
te onderscheiden. De eerste is de onbewuste, 'les unanimes inconscients'.
Dit zijn grote groepen, zoals een stad of een land. De leden zijn
zich niet bewust van het bestaan van de groep. De tweede is de bewuste,
'les unanimes conscients'. Hier zijn de leden zich wel bewust van
het bestaan van de groep. Ze bestaan of ontstaan op materiële gronden.
Vaak hebben de leden een zelfde achtergrond, zoals werk of sociale
klasse, en streven ze een gemeenschappelijk doel na. Het hoogste stadium
is de goddelijke groep, 'les unanimes divins'. Hierin vinden mensen
elkaar op geestelijke gronden, niet materiële of praktische. De leden
voelen zich niet alleen opgenomen in de groepsziel, maar dragen eraan
bij en blijven niet passief. Wanneer ieder deelneemt aan het geheel,
wanneer de wil van de groep groter is dan de som van de individuen
ontstaat een goddelijk gevoel. Dit is echter niet het ervaren van
God, de groep creëert zelf een god. De gezamenlijke geesten vormen
een geestesrijk, 'l'unanime' of 'le continu psychique', waardoor zij
in staat zijn met elkaar te communiceren. Voor Romains was dit geestesrijk
een realiteit. Zijn manifest over het unanimisme uit 1910 gaf hij
de veelzeggende titel Manuel de déification.
In 1923 begon Jules Romains te werken aan Les Hommes de bonne volonté.
De romancyclus verscheen tussen 1932 en 1946 in zevenentwintig delen.
In Les Hommes de bonne volonté schildert Romains de lotgevallen
van groepen en individuen, zowel fictieve als historische, en de loop
van de gebeurtenissen in Europa. In zijn inleiding schrijft hij dat
er in de wereld vele bewegingen door elkaar plaatsvinden, ze hebben
geen richting. De meeste voorvallen komen voort uit eigenbelang en
hartstocht, zelfs uit misdaad en waanzin. Hier doorheen en hier tegenin
bewegen zich mensen met een zuiver hart, de mensen van goede wil.
Het eerste deel begint in 1908 en beschrijft het leven van enkele
personen in Parijs op de zesde oktober van dat jaar. Voor Romains
is deze dag het begin van de aanloop naar de grote catastrofe, de
Eerste Wereldoorlog. Op 6 oktober 1908 werd de vrijheidsverklaring
van Bulgarije bekend en Oostenrijks intentie Bosnië-Herzegovina te
annexeren. De Eerste Wereldoorlog staat centraal in Prélude à Verdun
en Verdun, de delen XV en XVI van de romancyclus. Het laatste
deel eindigt op 7 oktober 1933. Volgens de auteur verloopt de geschiedenis
in cycli van vijfentwintig jaar, in golven met pieken en dalen. Met
deze laatste datum begint een nieuwe cyclus.
Romains
legt in de romancyclus meer nadruk op de goede wil dan op de vergoddelijking.
Groepen spelen in de boeken een rol, maar de aandacht gaat meer uit
naar enkele personen. Zijn optimisme over groepen en wat zij kunnen
bereiken, was na de ervaring van de Eerste Wereldoorlog afgenomen.
Zo laat hij de vergoddelijking van de groep los en wordt het meer
aards. De goede wil is te vinden bij individuen, die elkaar in vriendschappen
ontmoeten. Een belangrijk aspect van vriendschap is geluk, de keerzijde
van de wrede wereld. Voor mensen van goede wil is geluk het kunnen
genieten van kleine dingen, het samen zijn, de natuur - geluk is de
vrucht van het zien en ervaren van details. De twee hoofdfiguren in
de boeken, Jallez en Jerphanion, bouwen een hechte vriendschap op
en kunnen uren door de straten van Parijs slenteren. Ze discussiëren
over hun idealen, over het leiden van een 'vie inimitable'. Jerphanions
idealisme bestaat uit het werken aan sociale gerechtigheid en vrede.
Hij wordt politicus en brengt het tot minister van buitenlandse zaken.
Jallez is nostalgisch van aard, ziet zijn toekomst in de kunst en
wordt journalist en schrijver.
Aardige
jongens
'Titaantjes' en 'Buiten-IJ' zijn twee verhalen van Nescio waarin een
groep optreedt. In beide verhalen zijn het vijf jongens die de wereld
willen gaan veroveren. Ze zullen wel eens laten zien hoe het moet.
In de openingszin van 'Titaantjes' ligt Nescio's unanimisme al besloten:
'Jongens waren we - maar aardige jongens.' Het is een clubje
van gelijkgezinden, goedwillend, zich van geen kwaad bewust. Het zijn
helden, de 'uitverkorenen Gods', zoals ze zichzelf noemen. Hoe en
waar ze elkaar hebben leren kennen, wordt niet verteld. De groep bestaat
al. Hun achtergronden verschillen niet veel van elkaar, het zijn allemaal
armoedzaaiers. Bekker en Koekebakker werken op kantoor voor een schamel
loon, Bavink en Hoyer zijn kunstenaar en Kees Ploeger probeert zich
te redden met allerlei baantjes. De verstikkende maatschappelijke
banden en de drang om zich hiervan te bevrijden, verbindt de vijf
jongens. Zo vormen ze een groep van 'les unanimes conscients'. Samen
hebben ze een doel, zijn ze het eens dat ze eruit moeten.
Een hechte groep vormen de Titaantjes niet. Met z'n vijven staan ze
te bomen bij het hek van het Oosterpark en praten wat af. Vaak gaan
ze wandelen, maar Hoyer zit liever in de kroeg. En wanneer ze praten
over de verovering van de wereld en het verachten van geld heeft hij
andere ideeën; hij 'begon daar vrij gauw anders over te denken'. Kees
Ploeger staat aan de rand van de groep Titaantjes. Hij is de meeloper
en 'had ook een "hok" moeten hebben'. Verder toont hij geen
initiatief en draagt hij niets bij aan de groep. Naar Leiden gaat
hij mee, hij moest mee want hij 'deed wat de anderen deden'. Bavink,
Bekker en Koekebakker vormen de kern van de vriendenkring. Zij gaan
er steeds op uit en vallen niet in slaap in de trein van Leiden naar
Amsterdam.
Al vroeg is duidelijk dat er ook een kracht van buiten op de jongens
inwerkt: meisjes. De liefde heeft een slechte invloed op de groep:
'Bavink vrijde bovendien nog met Lien.' Bij het zien van een paar
koeienogen begint hij dadelijk over haar te praten. Op het hok van
Kees Ploeger hebben ze een fantastische tijd, tot Bavink haar meeneemt.
Ze weten zich geen houding te geven met een vrouw in de buurt en Bavink
gedraagt zich ook anders. Lien wordt ervaren als een inbreuk op de
groep. Ze gaat zelfs het hok schoonmaken, 'heel ongezellig' volgens
de Titaantjes. Er ontstaat rivaliteit om haar. Maar zodra Bavink haar
niet meer meeneemt, keert de genoeglijke sfeer terug en kan er weer
gerookt worden. Bekker concludeert: "Meiden, dat is niks".
Ondanks
de krachten van buiten en de reserves van enkele Titaantjes zijn er
momenten waarop ze een hechte groep van vrienden vormen. Dan leiden
ze een 'vie inimitable', zijn ze samen en laten ze zich niet afleiden
door andere zaken. In de kou gaat Koekebakker met enige tegenzin met
de tram naar Leiden, '"Wat moest ik toch op die tram?"'
Maar op het station ziet hij 'de onsterfelijken naast elkaar op een
lange bank'. Door het weerzien met zijn vrienden vergeet hij zijn
sores en wordt het nog 'heel lollig dien avond'. Ook de details in
de natuur weet de Titaantjes te binden. Aan de Ringdijk genieten ze
van de geluiden van kikkers en koeien. Volgens Bekker is het daar
goed, '"Zoo moest 't maar blijven."' En aan het strand bij
Zandvoort genieten ze van de zon die op het water en hun gezichten
schijnt. Maar zulke ervaringen hebben ze niet altijd: 'God liet zijn
aangezicht zien en verhulde 't beurtelings'.
In 'Buiten-IJ' wandelen de vijf jongelui van de stad af. Weer zijn
het Kees en Hoyer die niet bijdragen aan de groep. Kees loopt alleen
en Hoyer gelooft niet dat ze uitgaan om de wereld te veroveren, hij
'wist niet beter dan datti op den Zeeburgerdijk liep, bij de slachtplaats'.
Hun houding verandert echter. Langzaam maar zeker gaan ze meedoen
en ontstaat er een echte groep. Weer zijn het de natuur en de details
van een tjalk, de huisjes van Durgerdam die hen stil maken. 'Groot
was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld
naar binnen en leefde in onze hoofden.' Ook Hoyer deelt in het gevoel.
Hij zegt zelfs: '"Kijk eens wat een lucht."' Er worden weer
plannen gemaakt om de wereld te veroveren en deze te verbazen. Bavink
wil nog het een en ander uitrichten en Hoyer raakt op streek, hij
begint er in te geloven. Hij mist de meisjes en de kroeg niet, klaagt
niet over de kou en in 'dolzinnig idealisme' loopt hij zelfs 'uren
lang in den mist over den kronkelenden zeedijk tot Uitdam en verder'.
Samen huren ze nu een huisje en hoe ongezellig het er in de omgeving
ook uit mag zien, ze maken er samen wat van en leiden een 'vie inimitable'.
Lien,
die ook in 'Buiten-IJ' op bezoek komt, is nu geen spelbreekster. Integendeel,
Bavink en Hoyer zijn 'direct bereid er een gezelligen middag van te
nemen'. Het is dan ook uit met Lien, voor rivaliteit hoeven ze niet
bang te zijn. En het is Hoyer die over de afwas begint, niet Lien.
Maar om vier uur is het weer gedaan met de gezelligheid. In de gedaante
van glurende boerenkindertjes komt de wereld binnen in het huisje
en wil niet meer weggaan.
De mensen van goede wil zijn bij Jules Romains mensen die de dialoog
aanhangen. Ze bestrijden de intolerantie, het fanatisme en het geweld
dat daar uit voortkomt. Om dit vol te houden, moeten ze flexibel zijn
in hun denken en doen. Jallez en Jerphanion lopen nachten door de
straten van Parijs te slenteren, discussiërend over hun positie, over
hoe ze de zaken beter kunnen aanpakken en hoe de dingen soms fout
lopen. Om iets te kunnen bereiken, moeten ze de situatie eerst goed
analyseren.
De
Titaantjes zijn in het geheel geen mensen van de dialoog. Ze zijn
zeker van hun zaak. Wat goed is en wat kwaad, wie goed is en wie niet,
is voor hen overduidelijk. Ze twijfelen over hoe ze de dingen moeten
aanpakken, niet over hoe de wereld in elkaar steekt. Ze verachten
B op 'enkele "goeie kerels" na' - 'de menschen, de gewichtige
heeren vooral'. Een nadere omschrijving dan 'ze' hoeven de Titaantjes
niet te geven, van elkaar weten ze wie ze daarmee bedoelen. Enige
zelfreflectie of relativering is hen vreemd. Alleen Bavink heeft een
keer gezegd 'dat we eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere
lui'. Achteraf geeft Koekebakker hem gelijk, maar dan is hij al een
'wijs en bedaard man'.
Jongens
Hoeveel goede wil er ook getoond wordt, uiteindelijk komt er niet
veel terecht van de vele plannen. De ondernemingen van Jules Romains'
mensen van goede wil mislukken door krachten van buiten. De loop van
de geschiedenis wordt bepaald door collectieve krachten zoals economische,
religieuze en etnische, die de individuele overvleugelen. Het aantal
mensen van goede wil blijkt te klein om iets te bereiken. Zo levert
de inzet te weinig op.
Maar vaker nog zijn ze er zelf schuldig aan. Velen blijven steken
in een jeugdig enthousiasme en omdat ze niet realistisch zijn, kunnen
ze niet kiezen uit de vele mogelijkheden die er zijn en geen richting
geven aan hun goede wil. Ze zien niet in dat in de wereld van de volwassenen
andere middelen dan jeugdig idealisme nodig zijn om veranderingen
tot stand te brengen. Volgens Jerphanion moet een mens van actie geen
vragen stellen over de mogelijkheden van de goede wil, hij moet het
willen doen. Als minister loopt hij echter in zijn pogingen de vrede
in Europa te behouden, vast in de bureaucratie. Uiteindelijk rest
hem niets anders dan zijn ontslag in te dienen. En Jallez kan met
weemoed terugdenken aan de tijd toen hij jong was, toen hij onbekommerd
kon genieten van alle dingen en onwetend was van het echte leven.
Aardige
jongens zijn het - maar jongens. Ook de Titaantjes van Nescio bereiken
weinig. Eigenlijk bereiken ze niets. Het groepje bestaat uit vijf
jongelui, maar wordt geen eenheid. Kees Ploeger laat het - in beslag
genomen door zijn dagelijkse zorgen - afweten en Hoyer heeft van het
begin af aan niet willen geloven in de grootse plannen.
Wat
ondernemen de Titaantjes nu? Plannen maken en kritiek leveren lukt
wel. 'Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel.'
Bekker wil alle kantoren afbreken en later op de hei gaan wonen om
Dante te gaan vertalen en Bavink maakt zich druk om mensen met meer
geld en macht dan hij zelf bezit. Ze zijn het eens dat ze eruit moeten.
Maar: 'Waaruit, en hoe?' Het is hen niet duidelijk wat ze moeten doen
en zo rest hen 'niets anders dan praten, rooken, drinken en boeken
lezen'.
Ze
denken dat ze heel wat teweeg brengen, dat ze hun bazen te grazen
nemen. 'O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen
nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden
begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet
vermoedden.' Maar wat haalt het allemaal uit wanneer hun bazen er
niets van merken? Zolang ze hun werk doen, zullen hun bazen zich er
niet om bekommerd hebben. Vanwege de vele, lange wandelingen zitten
ze slaperig op kantoor en doen hun werk niet al te best - beweren
ze zelf. En doen ze hun werk een keer niet goed, dan straffen hun
bazen dit direct af met een standje.
Kiezen
kunnen ze niet, of willen ze niet. Wat wellicht iets kan betekenen,
doen ze af met: 'wij konden hoogstens "socialen" worden'.
Hun idealen liggen al te ver weg, ze zijn niet meer realiseerbaar.
En wie voelt er nog voor 'nadat je aan Gods tafel had gezeten' om
'adressen te gaan schrijven voor drukwerk of lid te worden van de
"vrije groep Kastanjeplein en omstreken"'. Dat ze klein
moeten beginnen, zien ze niet in. Hun idealisme zit in hun hoofd.
'Dus deden we maar niks.'
Op
een dag krijgt Koekebakker de kans iets te tonen van zijn idealen
aan zijn baas, die hem vroeg of hij misschien gedichten maakte. Maar
nu het eropaan komt, laat hij het er bij zitten. 'Ik had niks gezegd,
ik had maar naar z'n gezicht gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken
kop had en gedacht: "hij weet niet wien hij voor heeft, daar
is hij te dom voor."'
Eén
keer onderneemt de groep 'actie'. Met z'n vijven gaan ze naar de kolonie
van Frederik van Eeden - wellicht kunnen ze daar meewerken aan de
verovering van de wereld. Maar ze zijn nog niet aangekomen of ze maken
rechtsomkeert naar Amsterdam. Een heer met dure gele schoenen, 'in
innige aanraking met de natuur' schrikt hen af. Het is hun te veel
zich over zo'n detail heen te zetten. Op het eind ondernemen Bekker
en Bavink een laatste poging, maar ze maken hun werk niet af en het
loopt op niets uit. Bekkers vertaling van Dante verschijnt niet en
Bavink snijdt uiteindelijk zijn schilderij in stukken.
In
plaats van de wereld in te trekken om deze te veroveren, trekken de
Titaantjes zich terug. Liever zitten ze op het hok van Kees Ploeger.
Urenlang zitten ze daar in het donker te roken en van 'de buitenwereld
merkte je niet veel op dat hok'. En zijn ze niet op het hok, dan gaan
ze wandelen en laten de stad waar de veranderingen plaats moeten vinden,
achter zich. Eigenlijk laten zij zich niets gelegen liggen aan de
maatschappij en de maatschappij niets aan hen. '"Ik heb geen
verantwoordelijkheidsgevoel"', zo vat Bavink hun houding samen.
Alleen Hoyer denkt daar anders over. Hij ziet een taak voor zich weggelegd,
maakt een keuze en wordt lid van de SDAP.
Nieuwe
Titaantjes
Zowel Jules Romains als Nescio beschrijft in zijn boeken de idealen
en het optimisme van jonge mensen uit het begin van de twintigste
eeuw. Mensen van goede wil kunnen hun idealen niet zo maar aan anderen
opleggen, de tegenkrachten zijn te groot. De personages van Romains
tonen echter meer goede wil dan de Titaantjes. Doordat ze de omstandigheden
eerst goed analyseren, zijn ze in staat actie te ondernemen. Ze laten
zich ook niet direct afschrikken door de wrede wereld. Uiteindelijk
worden hun initiatieven om de wereld te verbeteren gefrustreerd door
de loop der geschiedenis, de bureaucratie en maatschappelijke banden.
Maar ze zijn praktisch van aard en zoeken hun weg in het leven.
De Titaantjes daarentegen hebben geen doorzettingsvermogen en laten
het er al bij voorbaat bij zitten. Omdat ze de wereld niet serieus
nemen, zien ze er geen gat in en laten zich uit het veld slaan door
de wereld. Tot enige actie wil het niet komen en kan het door hun
houding ook niet komen. Als groep noch individueel weten ze uit de
maatschappelijke banden te breken.
En zonder
iets van hun idealen verwezenlijkt te hebben, vallen ze terug in het
beklemmende burgerlijke bestaan, of worden mal.
Voor
beide schrijvers is de vriendschap een belangrijk gegeven. Samen zoeken
vrienden naar momenten van geluk om stand te kunnen houden in de wereld.
Vaak doen ze dit door tijdelijk te vluchten uit de maatschappij. Romains'
mensen van goede wil zoeken dan naar nieuwe inspiratie om de wereld
opnieuw aan te kunnen en een daad te stellen. De Titaantjes weten
echter, zodra ze weer in de wereld zijn, hun idealen niet om te zetten
in actie - ze zijn niet in staat hun gevoelens aan anderen overbrengen.
Bij
Jules Romains breidt het unanimisme zich uit tot Europa en omvat het
de gehele geschiedenis. En zijn mensen van goede wil ondernemen daadwerkelijk
pogingen om de wereld te verbeteren, ze doen iets. De Titaantjes van
Nescio daarentegen komen niet ver. Ze blijven gevangen zitten in hun
eigen onmacht en uiteindelijk in hun onwil. Het groepje van vijf jongelui
uit Amsterdam-Oost wordt zo eerder kleiner dan groter. De Dapperbuurt
'geïncorporeerd' in Europa.
In
zijn nawoord schrijft Jules Romains dat in de romancyclus vele richtingen
stranden of vastlopen. Ze zijn ook moeilijk te herkennen, de mensen
van goede wil, maar toch gelooft hij in een geheime band van mensen
die een spirituele familie vormen. Een groep die zich zal blijven
keren tegen de leugen en de tirannie. Het zijn mensen die steeds neigen
naar waarlijke kameraadschap, naar een 'joie de vivre'. En deze mensen
zijn een schrikbeeld voor de domheid, het geweld en de collectieve
misdaad, waar al het kwaad uit voortkomt.
Ook
Nescio heeft hoop, ondanks het feit dat zijn Titaantjes de wereld
niet veroverd hebben en Gods troon nog ongeschonden is. In de laatste
alinea van 'Titaantjes' - een soort van nawoord - ziet hij alweer
nieuwe Titaantjes bezig 'de wereld eens naar hun zin in te richten'.
God kan niet ingrijpen, ze breken hun nek, maar Zijn sympathie is
toch bij hen: '"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je
toch me liever dan die mooie wijze heeren."'
'Buiten-IJ'
heeft geen nawoord nodig. In tegenstelling tot 'Titaantjes' eindigt
het verhaal zelf optimistisch. In de stad ontmoet de verteller Bavink,
die platzak is. En nu onderneemt hij 'actie'. Hij geeft Bavink van
zijn 'armoed een voorschot op 't Buiten-IJ'. Eindelijk stelt hij een
daad. Het is een kleine bijdrage en het blijft nog binnen de eigen
groep. Maar het is wel een daad die niet zijn eigen bestemming dient
- hij overstijgt deze. Hoe onbestemd het allemaal nog is, zijn goede
wil breekt eindelijk door. En hij weet het: 'ik financierde een keizerrijk.
Wat? Ik gaf voorschot op een heelal.'
Oorspronkelijk in: Literatuur,
jaargang 12, nummer 4, juli-augustus 1995, p. 190-195.
Literatuur
De brief van Nescio aan Nijgh & Van Ditmar bevindt zich in het archief van
Nijgh & Van Ditmar. Zie voor Jules Romains en het unanimisme: A. Cuisenier,
Jules Romains. L'Unanimisme et Les Hommes de
bonne volonté (Parijs, 1969). N. Martin-Deslias, Jules Romains, ou quand
les hommes de bonne volonté se cherchent (Parijs, 1951). P.J. Norrish, Drama
of the group. A study of unanimism in the plays of Jules Romains (Cambridge,
1958). W. Widdem, Weltbejahung und Weltflucht im Werke Jules Romains'
(Genève/Parijs, 1960). M. Raimond, 'Jules Romains et l'idée du bonheur dans
"Les Hommes de bonne volonté"', in: Actes du colloque Jules Romains
(Parijs, 1979), p. 232-241. O. Rony, 'Introduction', in: Jules Romains,
Les Hommes de bonne volonté (Parijs, 1988), p. I-CVIII. M.C. Bancquart,
'De la déification à la bonne volonté', in: Bulletin des amis de Jules Romains
55-56 (1990), p. 5-14. In: Ai-je fait ce que j'ai voulu? (Parijs,
1964) gaat Jules Romains in op zijn eigen oeuvre. Voor het leven van Jules Romains
zie: O. Rony, Jules Romains, ou l'appel au monde (Parijs, 1993).
© Maurits
Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in Literatuur [Literatuur,
jaargang 12, nummer 4, juli-augustus 1995, p. 190-195.].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|