Omkijken

Een weg in het leven is Nescio niet gegaan, zeker geen mystieke weg. Voor hem betekenen zijn ervaringen in de natuur geen vooruitgang. Hij maakt zijn uitstapjes om Amsterdam te ontvluchten als hij ‘’t niet meer harden’ kon. Buiten in de natuur kan hij op adem komen. Hij gaat er niet op uit om een stap verder te komen in het leven. Nee, hij wil zichzelf terugvinden. Telkens keert hij terug naar plaatsen waarvan hij weet dat hij weer zal zien wat hij zien wil. Hij zoekt de onveranderlijkheid. Of zoals Jan Willem Schulte Nordholt het verwoordt in zijn sonnet ‘Wat leren onderweg’:

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend van de wil des Heren.

Hun avond is een landschap wit en mild
met lange schaduwen tot aan de kusten,
hun liefde zo gelenigd en verstild
dat er niets rest dan bij elkaar te rusten
zoals bij God. Zo zou ik willen zijn
en niet als Nescio die heeft geschreven:
niets heb ik, goddank niet, geleerd van ‘t leven.
Dat is wel prachtig maar het doet zo’n pijn.

Trots doet zo’n pijn, wie kan er zo bestaan?
Wij zijn maar mensen die ten onder gaan. 

Voor Schulte Nordholt houdt het leven afleren in en dat wil voor hem zeggen: wijs worden. In ieder geval verlangt hij hier naar, zo zou hij in het leven willen staan. Steeds een stapje verder. Hij heeft ook schroom om over God te spreken. Het bij elkaar rusten is niet als God, maar is ‘zoals bij God’. Het één is niet het andere, maar het één is zoals het andere, verwijst naar het andere. En ook hier is er een distantie, maar Schulte Nordholt houdt afstand omdat hij God niet wil vastleggen en zeker geen onveranderlijke grootheid van God wil maken. In zijn gedicht citeert, of liever parafraseert Schulte Nordholt het stukje ‘Dit jaar’ van Nescio. Hierin verhaalt hij over zijn bezoekjes aan Kortenhoef. Daar heeft hij het gevoel terug te keren naar een andere tijd. ‘Het is dan weer het begin van de eeuw.’ En Nescio eindigt met: ‘Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd,” zegt de oue sok.’ Dat hij helemaal niets geleerd heeft van het leven, durft Nescio niet te beweren, zover wil hij niet gaan. Het leven heeft hem hoogstens geleerd dat van het leven bijna niets te leren valt. Een weg is hij niet gegaan.

Het kijken van Nescio heeft is meer een omzien dan vooruitkijken. De herkenningspunten die hij telkens zoekt, wijzen op een verlangen om de tijd terug te zetten of minstens even stil te zetten. De verrukking is groot als hij een bekend plekje terugvindt, of een groots uitzicht ziet. Hij is dan niet in staat mooie zinnen te schrijven over zijn indrukken. Maar zoekt hij ook niet naar nieuwe woorden of uitdrukkingen om zijn impressies en ervaringen op papier te zetten, zoals een mysticus dat telkens probeert. Nescio noteert de plaatsen waar hij geweest is staccato achter elkaar als een telegram. ‘IJs in de Amstel, kapot en grauw, met vaargeul. Zon op ijs en water. Keulsche vaart met zon.’ Vaak zet hij een uitroepteken achter de plaatsen die hij heeft gezien of onderstreept hij enkele woorden, dat zijn de enige toevoegingen die hij weet te maken. Over een rijtochtje door Limburg schrijft Nescio: ‘Eclatante route (anders dan verleden jaar): eerst naar de nieuwe Maasbrug en dan langs de daar breede Maas. Terugkijken!: breede Maas, aan het eind daarvan Maastricht met al z’n torens, bruggen en schoorsteenen en de heuvels in het zuiden er in de verte boven uit.’ Het is een schitterende tocht, maar de ontroering wordt versterkt door het terugkijken - met uitroepteken. Hij wil alles zo lang mogelijk vasthouden. Nescio laat de indrukken op zijn netvlies inbranden.

Op 14 september 1951 maakte Nescio een tochtje op de fiets door het Gooi. ‘Telkens afgestapt om terug te kijken op de 2de molen, met z’n witte hekje en de bosschages in de weiden en de boomen naar Nederhorst den Berg toe.’ Hij kan maar geen afscheid nemen van de molen. Steeds weer stopt hij even en gaat naast zijn fiets staan om over zijn schouder om te zien naar de molen. Dat beeld moet hij vasthouden. En het vasthouden blijft niet beperkt tot het opschrijven van zijn indrukken. Soms voegt hij er iets aan toe. Door het Natuurdagboek heen staat een aantal situatieschetjes. Zo nauwkeurig mogelijk tekent Nescio bij zijn aantekeningen de ligging van de sloten, de positie van de bomen en de huizen die hij gezien heeft.

 

Terugkijken

Uiteindelijk wordt het omkijken van Nescio een terugkijken in de tijd. Zijn notitie over z’n fietstochtje van 14 september eindigt hij met: ‘Zie verder 13 October 1950. Bijna net zoo.’ Want ook zo bracht hij het omzien tot uitdrukking. Het is niet alleen het letterlijk omzien naar een plaats, maar ook en vooral een omzien in de tijd. Hij schrijft het met spijt. Het was ‘bijna net zoo’, maar eigenlijk had het precies zo moeten zijn als in 1950. Regelmatig verwijst Nescio in het Natuurdagboek naar eerdere beschrijvingen: zie boven, of zie dan en dan. Geduldig bladert hij zijn oude aantekeningen door om terug te vinden wanneer hij een boom of een huis eerder zo had gezien. Over 23 maart 1954 schrijft hij: ‘Ik schrijf dit op 26 Maart. Dezen heelen ochtend heb ik al deze dagen telkens voor me gezien’. Zijn uitstapjes noteert Nescio vaak een paar dagen later. Eerst verwerkt hij alle indrukken goed en schoont ze op, en vervolgens maakt hij zijn aantekeningen. Het lijkt alsof zijn hoofd werkt als een donkere kamer. Eerst ontwikkelt hij langzaam de impressies van een dag tot hij ze zich volledig eigen heeft gemaakt. Daarna drukt hij de negatieven af in zijn Natuurdagboek om ze voorgoed vast te leggen.

Nog sterker komt het terugkijken tot uitdrukking in de verwijzingen naar lang vervlogen tijden. ‘Ransdorp met het land daarvoor, van den dijk bij de haltepaal van de bus gezien, geheel als in 1894, zelfs stonden daar nog de telefoonpalen met de proceleinen knopjes en liepen er telefoondraden zoals je dat nergens meer ziet.’ Leven als in 1894. Dat komt niet terug, maar hiernaar gaat Nescio’s hart wel uit. Steeds weer zoekt hij naar plaatsen waar het is als in zijn jonge jaren. De plekjes die onaangeroerd zijn gebleven en die hij nog kan herkennen.

Over een bezoek aan Kortenhoef schrijft Nescio: ‘Twee ochtenden die in mijn herinnering zijn samengegroeid tot een wonder.’ Hij praat in het dorpje over de veranderingen, maar ziet tot zijn verrukking ook wat is gebleven. ‘In 8 uur jaren beleefd. Veni creator spiritus. gDe herboren wereld. Het woord was bij God en het woord was God.’ Het wonder is dat de tijd heeft stil gestaan. Voor acht uur was Nescio even in de tijd van weleer. De tijd van ‘la création du monde’, maar het is weer de onveranderlijkheid die voorop staat. ‘Kom, scheppende geest’ is voor Nescio een teruggang naar het verleden, geen vernieuwing. En het woord van God doet niet meer dan bevestigen dat het zo geweest is en zal blijven.

‘Weer overal heen! Weer de onvergankelijke wereld [...] De beuken van ‘s Graveland, die ik wel altijd zou willen zien. Hoe telkens weer hier en daar het jaar 1907 herleeft’ Dit noteert hij over 14 maart 1952. De onvergankelijke wereld dat is de wereld van 1907. Blijkbaar een bijzonder goed jaar. Maar waarom 1907? Wat is er gebeurd in die periode? In dat jaar had Nescio juist afscheid genomen van de koloniebeweging van Frederik van Eeden. Bijna zes jaar was Nescio betrokken bij deze beweging. Met volle overtuiging zette hij zich in voor het ideaal, maar na verloop van tijd gaan de onderlinge intriges steeds meer de boventoon voeren. In het voorjaar van 1907 heeft hij er genoeg van en gooide het bijltje erbij neer. Voelde Nescio zich door zijn afscheid eindelijk bevrijd? Het lijkt erop dat juist de afsluiting van het daadwerkelijk werken aan de verwachting van een nieuwe wereld voor hem een nieuw begin is. De verwachting van een reële nieuwe maatschappij is niet ingelost. De mens staat ertussen, zo heeft hij moeten ervaren. Maar helemaal laat Nescio zijn ervaringen niet los. Nu breekt de tijd aan om de idealen vast te houden en om te zetten in literatuur. Het verlangen dat hij zo prachtig heeft vormgegeven in zijn verhalen ‘De uitvreter’ en ‘Titaantjes’ en ‘Dichtertje’. Soms neemt hij de Titaantjes nog waar. In Amsterdam-Oost – de buurt van zijn jeugd – ziet hij zijn oude ‘vrienden’ weer: ‘Bekker en Bavink staken net dwars over naar het Iepenpleintje.’

12 augustus 1953, op de boot van Stavoren naar Enkhuizen: ‘Het gedruisch van het water bij de boot! Het heele westen vol zilveren water. En het oosten grijs en eindeloos, volle zee. Traag wisselende, vegerige, lichte bewolking. Maar stil gezeten en in alles opgegaan. Vervulling. Tien voor 7 in Enkhuizen. Het terras aan zee aan het station! Het carillon van 7 uur van den Dromedaris en van kwart voor zeven. Niemand anders. Hoog boven de eindelooze leege zee. Heer der wereld. Met een fleschje zoet bruin bier.’ De vervulling. De leegte van de zee met de immense wolken erboven zijn de vervulling van zijn verlangen – een irenisch verlangen. Nu durft Nescio zelfs te schrijven dat hij in alles is opgegaan. Is hier dan toch sprake van natuurmystiek? Voelt Nescio zich hier niet samenvallen met de natuur? Misschien, maar om nu gelijk te spreken van natuurmystiek gaat te ver. Mystiek is meer dan een voldaan gevoel of een fantasievolle gedachte. Het is ook geen ervaren om het ervaren. Er kan bij mystiek geen sprake zijn van een vrijblijvendheid van de ervaringen. Aan land ziet Nescio de Dromedaris, de grote toren in Enkhuizen. Die daar staat als de ‘Heer der wereld’. En ook Nescio voelt zich even ‘Heer der wereld’. Maar, Nescio zou Nescio niet zijn, als hij er geen relativerende opmerking achteraan plaatste. Hij is wel de ‘Heer der wereld’ met een potje bier in zijn handen. De ironie van het irenische verlangen. Maar een mysticus kan niet ironisch zijn en Nescio is dit voortdurend. Hij spot met zijn ervaringen omdat hij er zich bijna voor schaamt.

Nescio geeft zich niet onvoorwaardelijk over aan zijn ervaringen. Hij wil er de baas over blijven, hij verliest niet zijn eigen ik. ‘Alles irreëel en toch nog net reëel genoeg, tegelijk heel besloten en op zich zelf en ruim als de wereld.’ Dit is een moment op zijn ideale plekje, ‘de boomgaard der gelukzaligen’, zoals hij het noemt. Het lijkt allemaal anders dan het is, maar helemaal anders dan de wereld is het niet en mag het ook niet zijn voor Nescio. Hij moet in staat blijven er zelf mee te doen wat hij wil. En dat is: ‘een vorstendom’ fantaseren, ‘waaruit al het leelijke verwijderd’ is. ‘Nymphen stegen rechtop in de lucht en bleven daar staan boven de wolkjes,’ zo verbeeldt hij een wereld voor zichzelf. En hoe hij actief blijft in zijn ervaringen, omschrijft hij als: ‘Elke vierkante meter ingedronken, den heelen dag.’ Hij neem alles tot zich en maakt het zich eigen. Of over zijn geliefde gebouw: ‘Een eetbaar Muiderslot. Deo gratias.’ Ja, omdat het daar staat en blijft staan en onveranderlijk is. Daarom Deo gratias.

 

Ideaal

Na zijn hoge inzet in zijn ‘Belijdenis’ neemt Nescio gas terug. Eerst getuigt hij nog van zijn verlangen naar een irenische vrede. Maar zijn ‘Belijdenis’ is niet af. Hij wil ook ‘wat rondloopen en wat kijken en lezen voor mijn genoegen. Zoo ongeveer als Franciscus van Assisi, met pensioen. En blij met mijn kleinheid.’ Nu is Franciscus (1181/1182-1226) nooit met pensioen gegaan. Wat kan Nescio gezien hebben in Franciscus als voorbeeld? Toch zeker niet een groot mysticus om na te volgen, want Franciscus, in tegenstelling tot een Jan van Ruusbroec of een Bernardus van Clairvaux, geldt niet als een groot mysticus. En waar Franciscus als mysticus gezien wordt, gaat het in de eerste plaats om Gods liefde die Franciscus ervaart. Franciscus’ ommekeer, zijn bekering was ook een sociale keuze. Het werd een arme onder de armen: zijn diepe inleving in de mensgeworden Christus concentreerde zich op de navolging van de lijdende Christus. Dat was geen vlucht uit de wereld, integendeel. Een mysticus is daarom ook herkenbaar aan zijn engagement.

Mogelijk waardeerde Nescio in Franciscus meer diens omgang met de natuur. Franciscus is vooral bekend om zijn gesprekken met de vogels en zijn respect voor de natuur. Niet voor niets is hij schutspatroon van de natuurbeschermers. Nescio was vanaf 1948 lid van De Bond Heemschut. Deze vereniging deed (en doet) wat hem na aan het hart lag: het Hollandse landschap en stedenschoon beschermen. Beroemd is Nescio’s veel aangehaalde noot bij het verhaal ‘Kortenhoef’ over een verdwenen wipbrugje: ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig.’ Uit het Natuurdagboek blijkt overduidelijk hoe na het behoud van het landschap Nescio aan het hart lag. Vol afschuw schrijft hij in zijn dagboek over de ‘toenemende huisjespest’, ‘de pest van de overbevolking met te veel vrije tijd’. Zijn indruk van de omgeving van Haarlem is: ‘overal wordt Holland dichtgebouwd met fabrieken en huisjes, we komen in een bijenkorf te leven zonder uitzicht en zonder uitvliegen.’ Geen uitzicht meer, geen ruimte meer om te zwerven zonder mensen tegen te komen – een gruwel voor Nescio. Of: ‘Het lijkt wel of ze het hout van Betlem allemaal gaan kappen. God zal ze!’ Ja, God zal ‘ze’ omdat ze alle herkenningspunten die naar het verleden verwijzen vernielen. Eén keer is Nescio publiekelijk op de bres gesprongen. In de Groene Amsterdammer van 9 februari 1952 publiceerde hij een ingezonden brief over Zierikzee. In zijn brief reageerde hij op een betoog over de industrialisatie van het Zeeuwse stadje. Nescio’s repliek: ‘Laat ons Zierikzee houden. In Nederland zal binnenkort geen plek meer zijn waar iemand tot bezinning kan komen.’ Ook hier is het weer de rust die hij zoekt. Even weg uit de benarde wereld. Een rustieke omgeving waarin hij rustig kan wandelen en zijn gedachten alle kanten op mogen waaien. Even, om daarna weer een amandelbroodje te eten, met een kopje koffie.

Naast zijn ‘Belijdenis’ heeft Nescio ook eens zijn ideaal omschreven. Hij noteerde het in 1953 op zijn eenenzeventigste verjaardag. En weer is zijn inzet hoog: ‘gras, een watertje, een paar knotwilgen, een rijtje matig hooge wilgen, populieren, een paar koeien en een paard, zon en schaduw en een zuchtje wind zoodat de bladen van de matig hooge wilgen zachtjes bewegen’. Eerst en vooral de natuur om hem heen om zijn fantasie de vrije loop te laten of om een moment van verstilling te ervaren. Maar direct laat hij erop volgen: ‘Een stoeltje, een tafeltje op het gras. Een kopje koffie met een amandelbroodje en een pijp tabak.’ Want pas met het comfort en de genotsmiddelen bij de hand is het echt goed toeven in de rust om hem heen. ‘Stilte met hoogstens een enkele auto nu en dan (wanneer ‘t bij een groote weg is) en desnoods een enkele vacantieganger met nakende dijen. Zoo’n auto voert je gedachten naar de Ubbachsberg of Oostmarsum. Verder geen litteratuur, kunst of diepzinnigheid.’ Zo besluit hij de omschrijving van zijn ideaal. Het was dan ook een dag waarop hij het gevoel had ‘dat ik mezelf had teruggevonden’. En daar is het Nescio allemaal om begonnen. Daarna kan hij weer terug naar Amsterdam. Want dat is toch de plek waar hij het meeste van houdt.

Een ‘Echte Nescio ochtend’ omschrijft hij zelf als: ‘verwachting van een nieuwe wereld (zonder al die akelige menschen) en lente in November (het overslaan van de winter)’. Een nieuwe wereld, dat is voor Nescio een wereld op zichzelf, voor hem alleen, een wereld in bloei om zichzelf terug te vinden. Voor andere mensen is daar geen plaats. Uiteindelijk is het Nescio’s dochter Miep die op 5 april 1954 de knoop doorhakt met haar opmerking: ‘“Als ik een taartje eet heb ik lak aan de eeuwigheid”.’ En Nescio spreekt haar niet tegen – integendeel. Hij weet dat ze gelijk heeft. Niet de eeuwigheid, maar het hier en nu om te genieten. Een moment om de verbeelding te laten spreken. Zijn commentaar over het uitstapje van die dag is dan ook: ‘Een fijne ochtend in een wereld die we zelf hadden gemaakt.’ Zelf had Nescio het al eens geschreven, op 2 oktober 1945, nog voor hij aan zijn Natuurdagboek was begonnen: ‘Op den dijk van de Zuiderzee bij Amsterdam. Ik vind de onsterfelijkheid maar een pover surrogaat voor het leven.’

Er is een aforisme van J.C. Bloem dat heel goed past bij Nescio’s Natuurdagboek: ‘De eenige manier om in deze wereld te leven, is er niet aan te denken. Leven in het verleden.’ En om dat te bereiken stapte Nescio telkens af om terug te kijken. En in zijn Natuurdagboek wilde hij vasthouden wat verloren ging. In december 1955 eindigde het dagboek. Kort daarna werd Nescio getroffen door een trombose in de hersenen. Hij herstelde langzaam, maar tochtjes kon hij niet meer maken. Het Natuurdagboek bleef voorgoed gesloten.

 

 

Literatuur

Deel, T. van, ‘“En passant wat wolken en zoo voor eenige eeuwen te fixeeren”’, in Trouw, 6-9-1996.

Erkelens, Rob van, ‘“Het water stroomde maar”’, in De Groene Amsterdammer, 25 september 1996.

Fens, Kees, ‘De hoogst bereikbare vorm van eentonigheid’, in de Volkskrant, 9-9-1996.

Frerichs, Lieneke (red.), Over Nescio. ‘s-Gravenhage 1982.

Green, Julien, Franciscus. Baarn 1984.

Manselli, Raoul, Franciscus van Assisi. Averbode/Helmond 1982.

Mommaers, Paul, Wat is mystiek? Nijmegen/Brugge 1977.

Nescio, Verzameld werk. Amsterdam 1996.

Schulte Nordholt, Jan Willem, Verzamelde gedichten. Baarn 1996.

Steggink, Otger & Kees Waaijman, Spiritualiteit en mystiek. Inleiding. Nijmegen 1985.

Vliet, H.T.M. van, ‘Leven in het verleden. Tien nagelaten aforismen van J.C. Bloem’, in De Parelduiker 1 (1996) 3, p. 2-5.

 

Pagina 2/2.

 

© Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in Goffe Jensma & Yme Kuiper (red.), De god van Nederland is de beste. Elf opstellen over religie in de moderne Nederlandse literatuur. Kok Agora, Kampen 1997, p. 65-79.