| |
Zuster Dientje en Broeder A.J.G. Staffhorst
Twee Zwijndrechtse Nieuwlichters Maurits Verhoeff 
In het Schrijvers Prentenboek
van Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh, 1882-1961) luidt het bijschrift bij
een foto van Dina Zoet: ‘Overgrootmoeder van moederszijde. Zwijndrechter Nieuwlichtster
en, zoals door Nescio zelf werd verteld, gevankelijk met andere Nieuwlichters
onder soldatengeleide met de trekschuit op de Haarlemmerweg aangekomen, door
deze soldaten tegen stenengooiend publiek beschermd. Op deze overgrootmoeder,
die hij tot zijn 11de jaar gekend heeft en wier vele verhalen waarschijnlijk
ver buiten het leven der hem omgevende kleine burgerij reikten, was hij erg
gesteld.’[i]
Over het leven van zijn overgrootmoeder heeft Nescio niets geschreven; in zijn
verhalen is geen spoor van haar te ontdekken. Uit de kopieboeken van de Zwijndrechtse
Nieuwlichters en archieven komt echter een beeld van haar leven en andere familieleden
naar voren, dat tekenend is voor de Nieuwlichters.[ii]
Het begin
‘Wij ondergeteekenden, bekennen en verklaren bij deze, van nu aan, en voortaan,
dat wij na Gods geboden willen gaan leven, God boven ons zelven en onzen
naasten als ons zelven lief te hebben, en beschouwen den God van Hemel
en Aarde, als den wettigen Heer en Eigenaar van alles, ook van alle
aardsche goederen, die wij te voren als Eigenaars bezeten hebben en
naar onze lusten hebben misbruikt en willen dezelven nu niet meer als
onze goederen beschouwen of gebruiken voor ons zelven alleen; maar als
een eigendom van God [...] naar het voorbeeld der eerste christenen
beschreven in de Handelinge der Apostelen Hoofdstukken twee en vier,
onze goederen, te willen gebruiken, en laten gebruiken. [...]’[iii]
Deze acte werd op 20 april 1823 te Puttershoek opgesteld en
ondertekend door een groep van circa twintig mensen, bekend geworden als de
Zwijndrechtse Nieuwlichters. De belangrijkste ondertekenaars waren Stoffel Muller
(1769-1833) en zijn vrouw Maria Leer (1788-1866). De handtekening van Dirk Valk
(1781-1863), de derde belangrijke figuur, ontbrak. Hun doel hadden de Nieuwlichters
duidelijk in de acte vermeld. Ze wilden hier op aarde leven in gemeenschap van
goederen, net als de eerste christenen. In Handelingen 4, vers 32, staat in
de statenvertaling: ‘En de menigte van degenen, die geloofden was één hart en
ééne ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar
alle dingen waren hun gemeen.’
Centraal stond in de theologie van de Zwijndrechtse Nieuwlichters
Romeinen 11, vers 36: ‘Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen.’
De nadruk werd gelegd op ‘alle’, ‘volgens onze leer is alles uit, door en tot God. ’t Is uit Hem, dat alles en ook wij zijn
voortgekomen. Wij zijn Zijn maaksel, van onszelve kunnen wij niets; al onze
kracht en wijsheid is uit God.’ Zo verder redenerend moest de conclusie wel
zijn dat ook de zonde van God uitging. ‘Ja zelfs onze overtredingen en misstappen
zijn door Hem gewild en gewerkt, om ons aan onszelve te ontdekken en ons tot
bekeering te brengen.’[iv]
Een mens behoorde niet te zondigen, maar deed hij dit wel dan was dat Gods bedoeling.
Wanneer de mens niet zelf zondigde, was er ook geen verzoening nodig. De doop
en de viering van het avondmaal werden als overbodig beschouwd. Jezus was voor
hen niet meer dan een menselijke leraar die men in woord en daad actief moest
navolgen. Hoe anders klonken deze geluiden dan het denken in de kerken over
de haast onoverbrugbare kloof tussen mens en God en de zondige mens die tot
niets in staat was. Ook de aandacht van de Nieuwlichters voor de innerlijke
bekering was een reactie op de in de kerken heersende nadruk op verstand en
rede. Ze reageerden niet alleen op de kerken. Omdat de Nieuwlichters God wilden
dienen en Jezus navolgen, konden ze niet ook de overheid gehoorzamen. De sinds
een aantal jaren ingevoerde burgerlijke stand werd door hen gemeden. Geboorten
werden niet aangegeven en de broeders en zusters trouwden binnen de gemeenschap,
niet voor de wet. De dienstplicht was hen een gruwel. Er stond duidelijk in
de bijbel dat doodslag niet mocht. De jonge broeders dienden daarom te weigeren
wapens te dragen.
Aan het opstellen van de acte was een aantal jaren voorafgegaan.
Stoffel Muller en Maria Leer hadden in 1817 Dirk Valk, die leefde in verwachting
van het Rijk Gods, leren kennen als geestverwant. Na verloop van tijd sloten
enkele gezinnen zich aan. Men leefde een tijdje in Waddinxveen in het huis van
Valk, dan weer in Polsbroek en in Puttershoek. Voor de nodige inkomsten maakten
ze zwavelstokken, die ze in het hele land verkochten – het leverde hen de spotnaam
‘zwavelstokkengeloof’ op. Zelf noemden de Nieuwlichters zich de ‘gemeenschap
der Heiligen’ of de ‘Christelijke Broedergemeente’. Door hun anti-autoritaire
gedrag kon de overheid in de eerste jaren niet goed uit de voeten met de Nieuwlichters.
Een aantal maal werden ze opgepakt en enige dagen gevangengezet, soms zonder
vorm van proces.
Eind juli 1820 waren ze met een aak in de buurt van Dordrecht. Daar kwam het
tot een woordenwisseling met een officier van justitie. Ze werden aangehouden
en gevangengenomen. De leiders werden veroordeeld wegens landloperij
en belediging, de overige Nieuwlichters werden de volgende dag naar
hun oorspronkelijke woonplaats gezonden. In hoger beroep werden Muller,
Leer en Valk van landloperij vrijgesproken, het tweede vonnis werd echter
bevestigd: ze hadden de rechter aangesproken met ‘vriend’.[v]
Over de vervolgingen uit deze periode hebben Stoffel Muller en Dirk
Valk uitvoerige verslagen geschreven.[vi]
Nog tijdens de gevangenschap van de leiders verscheen een anoniem pamflet
van een spijtoptant. Met enige overdrijving beschreef deze de bijeenkomsten
van de Nieuwlichters. Zo werd er volgens hem ‘gedronken en gegeten dat
het een vermaak was om te zien’ en las een broeder een hoofdstuk uit
de bijbel, maar moest hij ‘de woorden wel twee of driemalen herhalen,
eer dezelve regt voor den dag kwamen, zoo was zijn hoofd reeds door
den drank beneveld’.[vii]
Lees verder...
Pagina
1/4.
. M.J. Boas-Grönloh, e.a., Schrijvers
Prentenboek Nescio (Den Haag/Amsterdam 1969), p. 4.
. Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UBA), Archief van Zwijndrechtse Nieuwlichters
(AZN), inv.nr XXIII B 7-a. De kopieboeken zijn niet gelabeld. Ik volg
de indeling van G.P. Marang, De
Zwijndrechtsche Nieuwlichters (Dordrecht 1909; 2e druk Utrecht 1980),
p. 11-12, in A, B, C en D.
. Gemeentearchief Dordrecht, Archief van Zwijndrechtse Nieuwlichters, zonder
inv.nr. De acte staat volledig in Marang, De Zwijndrechtsche Nieuwlichters, p. 96-99.
. D.N. Anagrapheus, De Zwijndrechtsche
Nieuwlichters (1816-1832) volgens de gedenkschriften van Maria Leer
(Amsterdam 1892) 74. D.N. Anagrapheus – een tot nu toe onopgehelderd pseudoniem
– heeft in dit boek de herinneringen van Maria Leer enigszins gekleurd
weergegeven.
. Register van signalementen, opname en ontslag, Rijksarchief in Zuid-Holland,
Archief van Strafinstellingen te Dordrecht, inv.nrs 108 en 117; Dagbladen
en arresten van de Kamer van correctionele appellen, Algemeen Rijksarchief
Den Haag (ARA), Archief van Keizerlijk en Hooggerechtshof, inv.nrs 260
en 304.
. ‘Afschriften en uitreksels uit de onderscheiden opstellen van Stoffel Muller
en Dirk Valk’, manuscript van J.E. Heringa, Koninklijke Bibliotheek Den
Haag, inv.nr 75 C 61.
. De geheimen der Nieuwe Verlichters,
ontmaskerd, door een gewezen medelid van hetzelve (Rotterdam 1821),
p. 23.
- ©
Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in
De Negentiende Eeuw, jaargang 19,
nummer 2, juni 1995, p. 109-121.
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|