| |
Zuster Dientje en Broeder A.J.G. Staffhorst
Twee Zwijndrechtse Nieuwlichters Maurits Verhoeff 
Groei
Na de vrijlating van de leiders in 1822 streken de Nieuwlichters
definitief neer in Puttershoek. Daar brak de rust aan. Ze gaven geen aanstoot
meer en de overheid liet hen verder met rust en gedoogde hun weigering geboorten
te melden. Hoewel het uitgangspunt van de gemeenschap van goederen nadrukkelijk
in de acte stond, was het opstellen ervan al een verregaande concessie aan
dit uitgangspunt. Niet alleen armen – aangetrokken door de gemeenschap van
goederen – sloten zich aan, ook enige welgestelden voegden zich nu bij de
Nieuwlichters. Dezen wilden hun bezittingen echter veilig stellen. In de acte
stond dat zij bij uittreding hun bezittingen, of wat daar van resteerde, konden
terugkrijgen.
Voordat de acte werd opgesteld, vertrok Dirk Valk met een aantal
aanhangers uit Puttershoek. In februari 1823 signaleerde de politie van Amsterdam
‘de bekende dwepers van Puttershoek’ in de stad. Het ‘volkje’ en ‘hunne aanhangers,
hier woonachtig’ werden nauwlettend in de gaten gehouden, maar ‘op der meesten
burgerlijk gedrag valt wel niets of nadeeligs op aantemerken’.[viii]
Wellicht was dit de groep van Dirk Valk. Na een tijdje rondgezworven te hebben,
vond Valk woonruimte in de Woerdense Verlaat, bij Wilnis. Daar leefden ze
volgens de schout ‘stil en ingetoogen, en doen zooveel bekend is niemand eenigen
overlast’.[ix]
Ondanks de afscheiding onderhielden de afdelingen nauw contact en bleef Stoffel
Muller de leider van alle Nieuwlichters. In Wilnis was schoenmaker Nicolaas
Zoet, vader van Dina, in 1826 getuige bij een geboorteaangifte.[x]
Valk was in deze zaken minder fanatiek dan Muller. Het gezin Zoet kwam uit
Amsterdam en behoorde daar tot de Hervormde Kerk. Mogelijk had het zich aangesloten
in 1823, tijdens het bezoek van enkele Nieuwlichters aan Amsterdam.[xi]
Na een aantal jaren verhuisde de groep van Wilnis naar Mijdrecht.
Daar betrok ze de boerderij ‘Groenewoud’, bij de Kromme Mijdrecht. Hier kwam
de gemeenschap tot bloei en velen sloten zich aan. Op 29 juli 1828 informeerde
de burgemeester van Amsterdam namens de schoolcommissie bij de politie naar
de schoolonderwijzer J.G. Staffhorst, die ‘zijne woonplaats heeft verlaten
zonder daarvan eenige kennis aan deze commissie te geven’. Verder vermoedde
de commissie ‘dat hij ook zelfs deze stad met der woon verlaten heeft’.[xii]
Na enig navragen bleek dat het gezin Staffhorst richting Uithoorn vertrokken
was. Daar had het zich aangesloten bij de Nieuwlichters. Van oorsprong Evangelisch
Luthers was het gezin al eerder overgegaan naar de Hersteld Evangelisch Lutherse
Kerk.[xiii]
Nu verliet het de stad als echte Nieuwlichters – het vroeg geen attestatie
aan, liet zich niet uit de kerkelijke boeken schrappen en het gezinshoofd
nam zelfs geen ontslag.[xiv]
Ook de afdeling in Puttershoek groeide en omdat ze in Zwijndrecht betere behuizing
kon krijgen, vertrok de groep van Muller en Leer daar vanaf 1829 heen.
De overheid bleef de Nieuwlichters in de gaten houden en in
een brief beschreef de burgemeester van Mijdrecht de afdeling in zijn gemeente:
‘Dirk Valk is het hoofd van een groot huisgezin, tellende meer dan 60 zielen,
waarvan ruim 20 kinderen [...] welk huisgezin zich voor een groot gedeelte
geneert met het maken en debiteeren van zwavelstokken en papieren doozen;
terwijl daar onder begrepen zijn eenige schippers die met hunne vaartuigen
de zwavelstokken etc. in groote partijen alomme naar elders vervoeren’.[xv]
Klachten waren hem niet bekend, want ‘ofschoon zij bij het rondventen met
hunnen klijnhandel, met deze of geenen godsdienstige gesprekken hebben aangevangen,
zekerlijk met oogmerk om voor hun bijval te vinden’, had hij nimmer vernomen
dat dit met een ‘onbetamelijken aandrang geschiede’.[xvi]
Niet
alleen tijdens hun tochten probeerden de Nieuwlichters anderen voor
hun zaak te winnen. Valk correspondeerde met mensen van allerlei slag
om hen te overtuigen van zijn gelijk. In het komende Rijk Gods bleef
hij onverminderd geloven. Aan de kerkelijk hoogleraar J.E. Heringa –
vanzelfsprekend aangesproken met ‘Zeer geachtte Vriend!’ – schreef hij dat ‘wij van des morgens 4 tot des avonds ten 9 uuren bezig
zijn, om de thans zoo gewichtige gebeurtenissen der wereld, voor zoo
verre dezelve ons door de dagbladen wordt mede gedeeld, met oplettenheid
na te gaan, waar bij wij een zeer groot belang hebben, uit hoofde dezelve
parallel (evenwijdig) zijn, aan de voorzeggingen der Profeeten, die
van het Godsrijk hebben gesproken’.[xvii]
Soms voegde hij bij de brieven teksten van zelfgeschreven liederen met
titels als ‘Uw dag o Vader die is groot!’ en ‘over het Beest’.[xviii]
Lees verder...
Pagina
2/4.
. Directeur van politie aan burgemeester van Amsterdam, 27 februari 1823,
Gemeentearchief Amsterdam (GAA), Archief van Algemene Zaken, inv.nr 84.
. J. van der Does, schout van Wilnis, aan gouverneur van Utrecht, 20 december
1824, Gemeentearchief De Ronde Venen (GARV), Archief van Gemeente Wilnis
(AGW), inv.nr 419.
. Burgerlijke stand Wilnis, GARV, AGW, geboorteaangifte 1826, acte nr 6.
. Het gezin Zoet was begin jaren twintig nog geen lid van de Zwijndrechtse
Nieuwlichters. De gezinsleden komen niet voor in het register van de strafinstellingen
te Dordrecht, noch in de processtukken van het hooggerechtshof (zie noot
5). Ook in de verslagen over de vervolgingen worden ze niet genoemd (zie
noot 6). Verder schreef Maria Leer in een brief uit 1834 die handelde
over de periode in Puttershoek niet over Dina Zoet; met ‘zuster Zoetje’
bedoelde zij Zoetje van der Kraan, een vooraanstaand lid. Contra: B. de
Groot, De Zwijndrechtse Nieuwlichters.
Zoekers van het Koninkrijk Gods (Kampen 1986), p. 82-83
. Burgemeester van Amsterdam aan directeur van politie, 29 juli 1828, GAA,
Archief van Politie, inv.nr 22.
. De Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk ontstond in 1791 uit protest tegen
de opkomende rationalistische richting binnen de Evangelisch Lutherse
Kerk. Een van de ondertekenaars van de ‘Acte van Afzondering’ was Johan
Gerhard Grönloh, 1766/1767-1804, Nescio’s betovergrootvader van vaderszijde
die kort voor 1791 uit Badbergen (Duitsland) naar Amsterdam was gekomen.
GAA, Archief van Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk, inv.nr 82.
. Bij hun overgang speelde wellicht de commotie rond – de later bekend geworden
– proponent H.F. Kohlbrugge een rol. Deze had in 1827 een klacht ingediend
tegen een andere proponent wegens onrechtzinnigheid. Ondanks het feit
dat een groot gedeelte van de gemeenteleden achter Kohlbrugge stond, werd
zijn klacht afgewezen en verloor hij een jaar later zelf zijn proponentschap.
. J. Verdam, burgemeester van Mijdrecht, aan J.C. Martens van Sevenhoven,
rechter te Utrecht, 17 januari 1831, ‘Kopyboek van het gemeentebestuur
van Mijdrecht 1830-1834’, GARV, Archief van Gemeente Mijdrecht (AGM),
zon. J. Verdam, burgemeester van Mijdrecht, aan officier van justitie te Utrecht,
8 augustus 1836, ‘Kopyboek van het gemeentebestuur van Mijdrecht 1834-1838’,
GARV, AGM, zonder inv.nr. der inv.nr.
. D. Valk aan J.E. Heringa, hoogleraar te Utrecht, 14 juni 1831, UBA, AZN,
Kopieboek C, 37-40.
. D. Valk aan ‘Zeer geachte Vriend!’, 4 april 1832, UBA, AZN, Kopieboek C,
45-47.
- ©
Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in
De Negentiende Eeuw, jaargang 19,
nummer 2, juni 1995, p. 109-121.
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|