| |
Zuster Dientje en Broeder A.J.G. Staffhorst
Twee Zwijndrechtse Nieuwlichters Maurits Verhoeff 
Dienstweigering
Dirk Valk en Stoffel Muller keken streng toe dat de jongens
de militaire dienst om eigenlijke redenen weigerden. Jongens die zich bij de
Nieuwlichters probeerden aan te sluiten om de dienst te ontlopen, werden geweerd.
Zaten ze wel in dienst, dan ontvingen ze strenge voorschriften. Twee broeders
kregen bericht dat er besloten was ‘om, alleen de militaire klederen, zonder
kenteekenen, te kunnen dragen [...] uitgenomen als zij in de kaserne zijn en
haar werk doen, dan bedienen zij zich van hunne slaapmutzen; ook dragen zij
geen petten’.[xix]
De militaire tekenen waren nu eenmaal tekenen van het ‘Beest’.
Sinds 1829 zat Adrianus Johannes Godlieb Staffhorst, oudste
zoon van J.G. Staffhorst, als fuselier in dienst. Eind december 1830 schreef
Valk hem een brief, waarin hij hem een besluit van Muller meedeelde. Wou hij
broeder blijven, dan moest hij dienstweigeren, ‘terwijl het zelfs aan Br Zoet
en desselfs dochter, door de Christelijke orde, verboden is om U een bezoek
te geven (het welk zij van voornemens waren, met de afgelopene Kerstijd te doen,)
wanneer zij broeder en zuster willen blijven; en dat Gij ook geene hoop moet
koesteren om, van Zr Dientje haare hand, als Uwe vrouw, te ontvangen, zoo lang
Gij het Beest gehoorzaam zijt’.[xx]
Nu deze twee sancties hem boven het hoofd hingen, besloot Staffhorst alsnog
dienst te weigeren en korte tijd later schreef hij een uitgebreide brief aan
koning Willem I. ‘En, daar er te veel aan afhangt, om, of eenen dienaar van
het rijk van Jezus Christus, dan wel van dat tegen het zelve te zijn; zoo kan hij, die zijn eeuwig heil zoekt en
bedoelt, en het zelve zoekt te bereiken door, achter Jezus te komen, en zijne
voetstappen te drukken, onmogelijk, het aardsche zwaard gebruiken; want Hij
zelven zegt, “die achter mij wil komen, verlochene zich zelven, neme zijn kruis
op zich en volge mij na” [...] Ten gevolge van welk alles ik dan, op heden,
O Koning der Nederlanden! het aardsche zwaard; met den aankleve van dien, ter
neder leg: mij onderwerpende aan den Koning der Koningen, en Heer der Heeren!
bij wien uitkomsten zijn tegen alle gevaren, zelfs tegen den dood; en bij wien
geen verandering is noch verwisseling des lichts!’[xxi]
De brief werd door het ministerie van binnenlandse zaken voor advies doorgestuurd
– via de gouverneur van Noord-Holland – naar de gemeente Amsterdam. Deze geloofde
zich ‘geensins gehouden alle de door den rekwestrant op zijne wijze uit den
Bijbel ontleende gronden voor zijne dienstweigering te wederleggen, de wetten
van den staat die zijne veiligheid in den staat waarborgen, hebben hem ter handhaving
dier veiligheid tot den dienst geroepen, en zijne pligt vorderd aan die wetten
te gehoorzamen’.[xxii]
Half maart kreeg Staffhorst antwoord van het ministerie. Men
gaf ‘den Rekwestrant, bij deze, te kennen, dat zijn geschrift geen onderwerp
van overweging kan uitmaken, met waarschuwing tevens, dat hij, in geval van
weigering, overeenkomstig de bestaande Krijgswetten, zal worden gestraft’.[xxiii]
Zo ver kwam het niet. Volgens de gedenkschriften van Maria Leer heeft een de
Nieuwlichters welgezinde hoogleraar bij koning Willem I voor de jongens onder
de wapenen gepleit. Na zijn betoog zou de koning geantwoord hebben: ‘“Welzoo!
– we zullen dan voor die individu’s in de hospitalen nog wel een baantje weten
te vinden, waarbij geen geweer te pas komt.”’[xxiv]
Historische woorden van de koning of niet, Staffhorst werd – samen met andere
broeders – tewerkgesteld in de spijskamer van het militair hospitaal in Utrecht.
Zo konden zij hun dienstplicht vervullen, zonder wapens te dragen.
Huwelijk
Nu broeder A.J.G. Staffhorst had voldaan aan de eisen van de
gemeenschap kon hij met zuster Dientje trouwen. Wanneer zij getrouwd zijn, is
niet bekend. Een eigen burgerlijke stand hielden de Nieuwlichters er niet op
na. Wel valt in de gedenkschriften van Maria Leer te lezen hoe een huwelijk
bij de Nieuwlichters werd voltrokken. ‘Zoo b.v. mocht er geen huwelijk gesloten
worden dan op 24-jarigen leeftijd en met toestemming der gemeente. Werden er
tegen de huwelijksverbintenis geen geldige bezwaren ingebracht, dan werd het
jonge paar in tegenwoordigheid van allen door Stoffel Muller of broeder Arie
in de groote danszaal toegesproken en hun het trouwformulier voorgelezen. Bijzondere
nadruk werd er dan op gelegd, dat God den man had aangesteld tot hoofd der vrouw,
opdat hij haar verstandelijk leiden en onderwijzen zou, terwijl de vrouw haren
man moest eeren en gehoorzaam zijn en geen heerschappij voeren [...] en broeder
Arie sloot de plechtigheid met het aanheffen van een lied, waarmee alle aanwezigen
instemden.’[xxv]
Op 21 december 1832 kwam broeder Zoet bij de burgemeester van Mijdrecht aangifte
doen van de geboorte van Martha, geboren 19 december, dochter van Dina Zoet
‘zijnde ongehuwd’.[xxvi]
Een jaar later kregen de Nieuwlichters een grote tegenslag te verwerken. Met
een vracht op weg naar Duitsland overleed Stoffel Muller. Maria Leer
wierp zich gelijk op als de nieuwe leider. Bij een bezoek aan Zwijndrecht
werden de Mijdrechtse broeders en zusters echter geconfronteerd met
een uitspatting van Maria Leer. Ze leefde samen met een man – zonder
toestemming van de gemeente – en wilde zelfs de gemeenschap van vrouwen
invoeren. De Mijdrechtse afdeling ondernam direct actie en stelde een
verklaring op waarin men vastlegde ‘na rijp overleg, te zijn overeengekomen,
de leer, behelzende de gemeenschap der vrouwen, met en benevens de daar
uit kunnende voortkomende daadzaken, volkomen af te keuren’.[xxvii]
Onder de acte stonden de handtekeningen van alle broeders en zusters
te Mijdrecht. Er volgde een uitvoerige briefwisseling, waarin de partijen
elkaar fel bestreden en enkele bezoeken werden over en weer afgelegd:
‘Broeder Zoet is wel te huis gekomen, en heeft ons den toestand, tot
uwent, bekend gemaakt, waar in wij met smarte deelen. Zijn gehouden
gedrag met Maria Leer, namelijk, dat hij van haar, een zoen voor ons
heeft mede genomen, heeft hij hier veroordeeld. Wij willen in dien geest,
geen de minste gemeenschap met haar hebben.’[xxviii]
Ook Maria Leer kwam nog een keer langs in Mijdrecht, maar werd na een
woordenwisseling door twee broeders het huis uitgedragen. De verschillen
waren niet meer te overbruggen en in 1836 kwam het tot een definitieve
breuk. Valk berichtte de Zwijndrechtse afdeling dat hij een ‘algemeene
bekendmaking’ had doen uitgaan waarin stond ‘dat wij van de Gemeente
te Zwijndrecht gescheijden zijn’.[xxix]
Lees verder...
Pagina
3/4.
. D. Valk aan J.H. Hildebrand en I. van der Wilk, gelegerd te Amersfoort,
10 januari 1831, UBA, AZN, Kopieboek C, 15.
. D. Valk aan A.J.G. Staffhorst, 28 december 1830, UBA, AZN, Kopieboek C,
6-7.
. A.J.G. Staffhorst aan Willem I, 12 januari 1831, UBA, AZN, Kopieboek C,
16-18. De brief staat volledig in Marang, De
Zwijndrechtsche Nieuwlichters, p. 117-119.
. Burgemeester van Amsterdam aan gouverneur van Noord-Holland, 31 januari
1831, GAA, Archief van Commissariaat voor de Militaire Zaken (ACMZ), inv.nr
140.
. Binnenlandse Zaken aan A.J.G. Staffhorst, 19 maart 1831, GAA, ACMZ, inv.nr
141.
. Anagrapheus, De Zwijndrechtsche Nieuwlichters,
p. 93.
. Anagrapheus, De Zwijndrechtsche Nieuwlichters,
p. 93-94.
. Burgerlijke stand Mijdrecht, GARV, AGM, geboorteaangifte 1832, acte nr 93.
Dit betekent dat zowel A.J.G. Staffhorst als Dina Zoet nog geen 24 was
bij het huwelijk.
. Verklaring van 10 maart 1834, UBA, AZN, Kopieboek A, V-VI. Volledig in Marang,
De Zwijndrechtsche Nieuwlichters,
p. 139-141.
. D. Valk aan Broeders en zusters te Zwijndrecht, 1 april 1834, UBA, AZN,
Kopieboek A, 23-32.
. D. Valk aan Broeders en zusters te Zwijndrecht, 25 augustus 1836, UBA, AZN,
Kopieboek C, 69-71.
- ©
Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in
De Negentiende Eeuw, jaargang 19,
nummer 2, juni 1995, p. 109-121.
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|