| |
Zuster Dientje en Broeder A.J.G. Staffhorst
Twee Zwijndrechtse Nieuwlichters Maurits Verhoeff 
Scheiding
Nog voor de afdelingen uiteengingen, trad Nicolaas Zoet uit
de gemeenschap – mogelijk was de commotie hem te veel geworden – en vertrok
naar Amsterdam, zonder Dina en kleindochter Martha. Najaar 1835 zond Dirk Valk
hem daar een brief, die eindigde met: ‘Waarmede wij u allen die afgedwaald zijn
groeten, en toeroepen: keert weder gij afkeerige, op dat gij zoudt kunnen behouden
worden van den toekomenden toorn, die nabij is over de wereld der goddeloozen.’
Toch was het Valk in deze brief niet in hoofdzaak te doen Zoet over te halen
terug te keren. De aanleiding voor de brief lag elders: ‘Gisteren heeft Zr.
Obeloo een brief van J. Staffhorst uit Utrecht ontvangen, inhoudende verzoek
om consent te mogen hebben, dewijl hij voornemens is te gaan trouwen, en aanstaanden
vrijdag volgens zijn schrijven aanteekent.’ Valk zag wel in dat hij Staffhorst
niet kon tegenhouden in zijn voornemen, maar wellicht kon de afvallige Zoet
de afvallige Staffhorst zo ver krijgen dat deze inzag, ‘dat hij het kind tot
haar achttiende jaar moet onderhouden’, want Valk wou ‘geene de minste kosten’.[xxx]
Staffhorst zelf voelde dat het niet gemakkelijk zou zijn van
zijn moeder toestemming te krijgen – zijn vader was inmiddels overleden – en
schakelde een notaris in. Deze ontbood de moeder van Staffhorst bij zich, onder
oneigenlijke voorwendselen. Dit kwam de notaris op een scherpe brief van de
gemeenschap te staan: ‘Wij doen U dan bij dezen weten, dat wij voor het grootste
gedeelte hier getuigen zijn geweest dat Jan Staffhorst hier in de Christelijke
Broedergemeente op zijn herhaald verzoek met toestemming van de gansche Gemeente
en inzonderheid met die zijner moeder, met Dina Zoet in den echt is vereenigd,
dat hij met haar eenigen tijd als zoodanig heeft geleefd, en ook een kind bij
haar heeft verwekt, hetwelk alles hij zelf in zijne brieven erkent.’[xxxi]
Toestemming voor of hulp bij het huwelijk was uitgesloten.
Nu zijn moeder bleef weigeren, moest hij om te kunnen trouwen
drie acten van eerbied aan de ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen overleggen.
Op 21 november ging Staffhorst, vergezeld van de notaris en twee getuigen, voor
de eerste maal naar zijn moeder om toestemming te vragen. En hoewel hij haar
‘eerbiediglijk verzocht’ om ‘hem hare toestemming tot dat huwelijk te geven’,
antwoordde zij dat ‘zij in dat huwelijk niet konde toestemmen, aangezien, haren
zoon, volgens hare gevoelens eene vroegere verbindtenis heeft aangegaan, die
zij als geldig beschouwde, en dus zonder gewetens bezwaar geene toestemming
tot een ander huwelijk konde geven’. Bij zijn laatste verzoek antwoordde zijn
moeder dat zij ‘ten aanzien van dat voorgenomen huwelijk nog niet van gevoelen
was veranderd’. Zijn commandant tekende geen bezwaar aan tegen zijn huwelijk
met de roomse Maria Soesbergen, ‘mits laatstgenoemde zich verbinde, om haren
aanstaanden echtgenoot genoemden fuselier noch in het legerkamp of cantonnement
te zullen volgen’.[xxxii]
Nu hij alle benodigde papieren verzameld had, kon hij op 27 april 1836 dan eindelijk
trouwen met Maria. De bezwaren die in de Rooms-Katholieke Kerk tegen het kerkelijk
huwelijk waren ingebracht wegens ‘impedimento ligaminis’ (beletsel van een reeds
bestaande huwelijksband), werden door de overste van de Hollandse missie te
Rome nietig verklaard.[xxxiii]
Verval
Was de afdeling in Zwijndrecht al door de ruzie rondom Maria
Leer in twee kampen verdeeld, in 1843 werd ze ontbonden. Kleine groepen gingen
ieder huns weegs. Jaren later nog emigreerde een van de groepen naar de Verenigde
Staten om zich bij de mormonen aan te sluiten. De afdeling te Mijdrecht had
lange tijd kunnen leven van de verkoop van zwavelstokken en dozen, waarmee ze
het volgens de burgemeester ‘zoo verre gebragt hebben, dat zij zich nog nimmer
om onderstand hebben aangemeld’.[xxxiv]
Maar na een aantal jaren was er armoede ontstaan, ‘veroorzakende dat verscheidene
het gezin verlaten hebben’.[xxxv]
Eind jaren veertig viel de afdeling uit elkaar. De moeder van Staffhorst was
teruggegaan naar Amsterdam en had zich daar weer aangesloten bij de Lutherse
Kerk. Haar zoon probeerde haar over te halen rooms te worden. Op 1 januari 1844
schreef hij een zeer lange brief aan zijn moeder. Hierin legde hij haar de gehele
roomse theologie uit, van de heilige sacramenten tot de mis, van het vasten
tot en met de biecht. Het was hem ernst en soms schreeuwde hij het uit: ‘Moeder!
moeder! lieve moeder, hoe durft gij U nog langer van God verweidert houden in
zoo een staat van dwaling.’ Zijn nieuwe geloof had ook consequenties, want ‘omdat
ik rooms bin, ben ik door de famielje zoo wat uit die rei gesteld’. Maar dit
nam hij voor lief, ‘want ik ken buiten mijn famielje zalig worden en niet buiten
mijn Godsdienst’.[xxxvi]
Uiteindelijk kwam het toch goed tussen moeder en zoon Staffhorst. Zes jaar na
zijn brief kwam zij naar Utrecht en trad ook tot de roomse kerk toe.
Hoewel in 1837 zijn dienstplicht er op zat, bleef Staffhorst
werken in het militair hospitaal. Hij maakte er zelfs carrière en bracht het
tot magazijnmeester en spijsbezorger. En zo ontving hij in 1865 van koning Willem
III de gouden medaille wegens zesendertig jaar ‘trouwen dienst’.[xxxvii]
Naast zijn werk in het hospitaal opende hij aan het ‘Vreêburg’ een logement-
en koffiehuis en kocht een aantal huizen in de binnenstad van Utrecht. Het was
hem zo goed gegaan dat bij zijn overlijden de erfenis ruim zestigduizend gulden
bedroeg.[xxxviii]
In Amsterdam brachten Nicolaas Zoet en zijn vrouw Maria van
Dijk hun laatste dagen door in het bedelingshuis van de hervormde diaconie.
Daar overleed Maria in 1851, Nicolaas een jaar later. Ook Dina Zoet was naar
Amsterdam teruggegaan, met dochter Martha en ging in Oost wonen. Als naaister
voorzag zij in haar onderhoud; ‘hertrouwd’ is ze nooit. Bij het huwelijk van
Martha met Hendrik van der Reijden, in 1855, werd zij weer geconfronteerd met
haar verleden als Nieuwlichster. Voor dit huwelijk moest zij acte van erkenning
laten opstellen.[xxxix]
Nescio groeide op aan de Mauritskade, in de Dapperbuurt. Ook
zijn ouders waren van kerkgenootschap gewisseld. Vlak voor hun trouwen gingen
beiden over van de Hervormde Kerk naar de Remonstrantse Broederschap.[xl]
In 1883 trok Dina Zoet in bij haar schoonzoon Hendrik van der Reijden, die in
de Von Zesenstraat woonde – zo kwam ze twee straten van haar achterkleinzoon
te wonen. Van zijn overgrootmoeder zal hij vele verhalen over de Zwijndrechtse
Nieuwlichters hebben gehoord, maar of ze ooit gevankelijk op de Haarlemmerweg
is aangekomen, valt te betwijfelen.[xli]
Dina Zoet was Nieuwlichster in een periode dat ze niet meer aan vervolgingen
blootstonden. En schreef niet de burgemeester van Mijdrecht over de Nieuwlichters
dat zij ‘niettegenstaande zulk een aanmerkelijke verzameling van veelal elkander
vreemde menschen doorgaans stil en vreedzaam leven; immers is mij nog nooit
eene klagt van anderen tegen hun ingebragt; en dit getuigenis ben ik jegens
Valk en de zijnen aan de waarheid verschuldigd’.[xlii]
Op 28 januari 1892 overleed Dina Zoet, 81 jaar oud. Nescio was toen 9 jaar en
geen 11, zoals in het Schrijvers Prentenboek
staat.
A.J.G. Staffhorst heeft zijn achterkleinzoon nooit gekend, maar hij had de
jonge Grönloh nog kunnen zien – op 21 oktober 1884 overleed hij te Utrecht.
Pagina
4/4.
. D. Valk aan N. Zoet, 27 oktober 1835, UBA, AZN, Kopieboek D, brief nr 39
. D. Valk aan A. Verdam, notaris te Mijdrecht, 4 november 1835, UBA, AZN,
Kopieboek D, brief nr 43.
. Huwelijksbijlagen, Rijksarchief in Utrecht (RAU), Archief van Burgerlijke
stand, inv.nr 1105, acte nr 128.
. Huwelijksregister, Gemeentearchief Utrecht, Archief van Heilige Catharinaparochie,
inv.nr 91.
. J. Verdam, burgemeester van Mijdrecht, aan gouverneur van Utrecht, 2 april
1931, ‘Kopyboek van het gemeentebestuur van Mijdrecht 1830-1834’, GARV,
AGM, zonder inv.nr.
. Zie noot 16.
. A.J.G. Staffhorst aan C.C. Deppe, 1 januari 1844, Kopieboek van A.J.G. Staffhorst,
collectie H.G.M. Staffhorst (Rotterdam), p. 39 en 210.
. Stamboeken van onderofficieren en minderen van de landmacht, ARA, Archief
van Ministerie van Oorlog, inv.nr 1473.
. Memoires van aangifte, RAU, Archief van Ontvangers der belasting op het
recht van successie, kantoor Utrecht, inv.nr 445.
. Acten van erkenning 1855-1857, GAA, Archief van Registers van de burgerlijke
stand, zonder inv.nr, folio 23.
. Lidmatenregister, GAA, Archief van Remonstrantse Gemeente, inv.nrs 292 en
297.
. In de wekelijkse rapporten van de directeur van politie aan de burgemeester
van Amsterdam wordt nergens melding gemaakt van een opstootje bij het
transport van gevangenen. Kabinet van de burgemeester, GAA, Archief van
Kabinet van de burgemeester, inv.nrs 1 en 2. Volgens Anagrapheus, De
Zwijndrechtsche Nieuwlichters, p. 56-57, is Maria Leer in 1817 gevankelijk
naar Amsterdam vervoerd; haar aankomst verliep echter rustig.
. Zie noot 15.
- ©
Maurits Verhoeff - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in
De Negentiende Eeuw, jaargang 19,
nummer 2, juni 1995, p. 109-121.
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|