| |
Wrede wereld van Nescio
Freddy DE SCHUTTER 
Wie schreef de mooiste zin uit de Nederlandse
literatuur? Velen geven de eer aan Elsschot met "En toen Kareltje
haar aankeek, omdat zij zo raar praatte, zag hij dat zij met neergetrokken
mondhoeken wenend de soep proefde", de slotzin van Een ontgoocheling.
Maar serieuze concurrentie wordt hem aangedaan door Behalve den
man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter".
Wie, haalt het? De kenners zijn er nog niet uitgeraakt. De tweede
zin is het werk van Nescio (1882-1961).
Nescio
werd dus, net als Elsschot, toen de wereld precies één eeuw jonger was,
geboren, zodat we dit jaar niet alleen een Elsschot- maar ook een Nescio-jaar
beleven. Nescio stierf in 1961, Elsschot in 1960. Er zijn nog meer opvallende
parallellen. Ze ten allebei niet zo direct raad met hun schrijverschap,
en de officiële schrijvende wereld keek een beetje geringschattend op
hen neer. De omvang van hun literaire nalatenschap is beperkt. Nescio's
verzameld werk zal, als alles volgens plan verloopt, 350 blz. druk belopen.
Zelfs
in hun privé-leven lopen er veel lijnen evenwijdig. Nescio - in de wereld
Jan Hendrik Frederik Grönloh - kwam net als Alfons De Ridder ter wereld
in het gezin van een eenvoudige ambachtsman, zijn vader was smid, maar
door vlijt en studie brachten ze het in de handel tot enig aanzien.
Hoeveel vraagtekens hebben zowel Nescio als Elsschot zelf niet gezet
achter hun eigen schitterend ogende zakencarričre? Uit Dichtertje
(1918): En tante zag in gedachte al een circulaire waarin stond
"dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van Januari,
-dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur hebben benoemd.
(Blz. 33). J.H.F. Grönloh werd in 1926 mededirecteur van de Holland
Bombay Trading, gevestigd te Amsterdam. Zowel Elsschot als Nescio werden
na jeugdige, bohémienachtige escapades min of meer fatsoenlijke huisvaders
en beiden gingen in hun beroepsmilieu voor stug en ongenaakbaar door.
Want
ook dat is, een punt van overeenkomst: beider naar omvang bescheiden
oeuvre stond integraal in het teken van het gemis, van de kloof
tussen datgene wat het leven leek te beloven en de karige oogst die
het opleverde. Maar bovenal - daarom worden er Nescio- en Elsschotjaren
georganiseerd - ze schreven een fascinerend, helder, beknopt maar daarom
nog niet oppervlakkig proza, en dat in een tijd die het nodig achtte
ieder substantief door drie ŕ vier adjectieven vooraf te laten gaan.
Zij hadden toen al door dat één enkel goed geplaatst woord, één treffende
zin zonder versierselen de lezer dichter bij het mysterie van het leven
brengen dan bladzijden overbodige schoonschrijverij.
Vermoedelijk
daarom werden ze pas laat ontdekt en op hun werkelijke waarde geschat,
De waardering voor Nescio dateert eigenlijk pas van 1961, het
sterfjaar van de auteur. Hoe weinig Nescio in zijn tijd was "geworteld",
blijkt nog het sterkst uit de fotografische reprint van de oorspronkelijke
uitgave in 1918 van "Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes"
die dezer dagen op de markt verschijnt. Het lettertype, de spelling,
de omslag met een zuinige, flesgroene tekening, de nog open te snijden
bladzijden: allemaal typische representanten van grootmoeders tijd,
maar de tekst die hoort eigenlijk thuis in de wereld van vandaag,
of in die van morgen en vermoedelijk ook in de wereld van over tien,
twintig, honderd jaar.
Al
is Grönlohs uiterlijke levensloop vrij van opvallende schokkende feiten,
één evenement springt uit de band: op zeer jeugdige leeftijd zocht Grönloh
aansluiting tot de befaamde kolonie Walden", het experiment met
communistische leefvormen dicht bij de natuur dat door de idealist Frederik
van Eeden rond de eeuwwisseling was gestart. Tussen haakjes: het was
dezelfde wonderlijke van Eeden die de Sarphatistraat de mooiste plek
van Europa vond. Toen er voor Grönloh niet zo snel een plaats in Walden
vrijkwam, richtte Grönloh met een paar vrienden een eigen kolonie, Tames,
op. Tames stortte snel in mekaar, Grönloh kwam na enkele jaren op een
bureaukruk terecht, en hij zou er nooit meer af geraken. Nog wat jaren
later schreef Nescio "Dichtertje - De uitvreter - Titaantjes"
en in alle drie liggen de hoofdfiguren in de clinch met de burgerlijke
maatschappij.
In
De uitvreter en Titaantjes gaat het over jonge mannen
die bewust kiezen voor een bestaan buiten het gewone leven van geld
verdienen en carričre maken. Heel in de verte doet het reilen en zeilen
van die wonderlijke figuren als Bavink Japi, Hoyer en Koekebakker aan
Kerouac denken met zijn "On the road", de
bijbel van de beatnikstijl uit de jaren zestig. Uiteindelijk worden
de outlaws tijdig brave burgertjes, op twee na: Bavink, de schilder,
eindigt in een gekkenhuis en de "uitvreter" Japi stapt "op
een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam... van de
Waalbrug" (blz. 92); maar ook het "dichtertje"
dat met zwier in zijn nette burgermanscarričre schijnt op te gaan, gaat
te onder in een vlaag van waanzin.
Grönloh
haatte en verachtte de samenleving, waarin hij zeer tot zijn eigen ongenoegen
moest leven, dat staat wel vast. Erg logisch wordt da de volgende conclusie:
de schrijver Nescio vertolkte de gevoelens die Grönloh op zijn bureaukruk
niet meer kwijt kon, te weten afkeer va de zakelijke carričre, de droom
van een ongebonden bestaan in vol strekte vrijheid, het heimwee naar
een vriendschapsband onder enkele uitverkorenen die van de ene dag in
de andere leven zonder ooit één slag uit te voeren. Schrijven betekende
voor Nescio dus één moment bevrijding uit een knellend, kleurloos bestaan.
Op haast iedere bladzijde van Titaantjes en De uitvreter
wordt die interpretatie bevestigd, Er valt trouwens weinig op aan
te merken, tenzij dat ze onvolledig is. Zeker, Nescio heeft het niet
begrepen op de samenleving van "de gewichtige heeren,... die
't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld hebben
gebracht" (blz. 100), maar die afkeer is meer dan voorbijgaande
jongensromantiek, hij heeft namelijk alles te maken met Nescio's wereldbeschouwing.
Het
gaafst vinden we die levensfilosofie uiteengezet in Dichtertje. Net
als de andere personages is ook het dichtertje gebiologeerd door
de volmaakte schoonheid van de natuur en van de wereld. Maar juist in
die volmaaktheid zit de tragiek: de mens was er eigenlijk niet nodig,
de wereld heeft geen behoefte aan hem, blijft een gesloten boek: hij
(dichtertje) wilde zich "zat vreten aan al 't onverschillige
levende en doode, dat maar dee of hij er niet was" (blz. 31).
Waarvoor loopt de mens dan rond op deze volmaakte, onverschillige aarde?
Nescio. Ik weet het niet.
In
Nescio's wel heel particuliere natuurmystiek komt ook God herhaaldelijk
ter sprake, niet als een milde schepper, maar als de wrede voortbrenger
van een volmaakte wereld, als de bouwer van een muur, waar de echt bewuste
mens vroeg of laat zijn kop op zal breken. "Gods troon is nog
ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God
even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen.
Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen
om 'm van z'n verhevendheid te storten en dan de wereld eens naar hun
zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: Goed zoo jongens, zoo mal
als je ben t, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt
me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen,
maar ik ben ook God maar. En zoo gaat alles z'n gangetje en wee hem
die vraagt: Waarom?" (blz. 128).
De
bewuste mensen, de titaantjes zijn gelukkig schaars. Ze gaan aan de
kant staan, werken niet, ze schrijven, ze schilderen. Absurde moeite
uiteraard, want de volmaaktheid is niet in taal of plastiek te vangen.
De kunstenaar is dan ook gedoemd om een dichtertje te blijven
en levenslang aan zijn eindelooze gedicht" (blz. 16) te borderen.
Het dichtertje zoekt ook even soelaas in de erotiek, maar die is al
even destructief als de wereld zelf. Het alternatief luidt dus: of je
nek breken, of een gewichtig heer worden. Grönloh koos voor het laatste.
Een
visie die verbijstert door haar uniek pessimisme, maar ze wordt met veel relativerende
zelfspot, met uitgebreide knipoogjes naar het publiek toe en vooral in een uiterst
leesbaar proza gebracht. De tragiek valt om zo te zeggen tussen de plooien,
daarom werkt ze zo overtuigend "Zijn vrouw is goed voor m.
Midden in de week heeft-i een schoone zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken
van iemand, die niet aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden wat dat
anders". (blz. 125). Echt, wie uit is op ijzersterk onverwoestbaar
proza hoeft het niet alleen met die ene zin over de Sarphatistraat te doen,
het werk van Nescio in zijn geheel is a.h.w. één fonkelende, onvergetelijke
zin. Oordeelt u zelf: Het was dien avond ook heel genoegelijk uren lang
zaten we in donker De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We bleven maar
zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens wat Bavink vond schilderen
't stomste dat Iemand kon doen. Kees begreep er weer niks van. Je moest zoo
maar stilletjes blijven zitten," zei Bavink en keek naar de lucht Een groote
groenachtige ster stond daar te flonkeren. "Je moest zoo maar stilletjes
blijven zitten te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een
versche pijp" (blz. 99).
- © Freddy de Schutter
- Gepubliceerd met toelating van de auteur.
- Oorspronkelijk opgenomen in De Standaard [De Standaard,
13 augustus 1982].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|
|