|
EEN KALE HOLLANDER, IN BRUSSEL
Marcel VAN NIEUWENBORGH 
Op een, warme
zomernacht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog staat op liet balkon
van het Brusselse stadhuis een, Amerikaanse officier van de troepen die
de hoofdstad hebben bevrijd.
De
man geniet van liet zoele windje dat over zijn gezicht strijkt. Naast
hem komt een Brusselaar staan en beiden staren zwijgend in de nacht, overrompeld
door de stilte die plotseling over de daken is neergedaald en de indrukwekkende
sterrenhemel boven hun hoofd.
-
"Quiet night...", zegt de Amerikaan filosofisch.
-
"Kwaait et oek naait...", zegt de Brusselaar, al even
bevangen door het wonder.
De
Nederlander J.H.F. Grönloh (1882-1961) heeft zich geruime tijd verscholen
achter liet pseudoniem Nescio", wat Latijn is voor "Ik weet
het niet". Een schuilnaam die liet wezen van zijn relatief klein
maar precieus oeuvre. verrassend goed weergeeft. .
Het
niet weten, het zoeken in het pijnlijke besef toch nooit te zullen vinden.
Kortom het "kwaait et naait" van de Brusselaar uit het grapje,
die te midden van 's werelds rumoer plotseling wordt geconfronteerd met
dingen die hem te boven gaan.
Kees
Fens noemde Nescio ooit "de enige literaire heilige van de Nederlandse
letteren". Hij beweerde zulks in de jaren zeventig toen de beeldenstorm
bij onze bovenburen een hoogtepunt kende, er ook in letterland niets meer
heilig was en nauwelijks nog iconen overeind bleven staan. We herinneren
ons dat zelfs Jan Cremeer, die in die 'dagen in Nederland het meest wind
verkocht, Nescio "de vader van allen die in het Nederlands de pen
voeren" noemde.
Veel
had te maken met het feit dat Nescio - die weliswaar nog niet één voet
in de 19de eeuw stond - met de geest van zijn werk perfect bij de roerige,
jaren zestig aansloot. De minachting die uit zijn verhalen sprak, voor
de arrivisten in en buiten de kunst en zijn afkeer voor gewichtigdoenerij,
walen van aard om, enigszins verlaat, van hem alsnog een cultschrijver
te maken.
Wat
dan weer niet wou zeggen dat Grönloh/Nescio, directeur van de Holland-Bombay
Trading Company (een firma die textiel verhandelde naar Brits-Indië
en Afrika), in het dagelijkse leven een anarchist zou zijn geweest. Je
zou hem veel eer een burgermannetje met veel te grote dromen hebben kunnen
noemen.
De
schrijver heeft zich trouwens tijdens zijn leven nooit helemaal "bij
de tijd" gevoeld. Het moet dan ook niet verbazen dat, volgens een
hardnekkige overlevering, bij op zijn sterfbed zou hebben gevraagd: "In
welke eeuw leven we eigenlijk?
Maar
Nescio's verdienste lag elders. Niemand heeft ooit van onze taal zo'n
trefzeker instrument weten te maken, liet Nederlands zo spaarzaam en tegelijk
zo efficiënt weten te hanteren als de auteur van De uitvreter,
Titaantjes en Het dichtertje. "Economisch
proza" noemde Carmiggelt dat niet betrekking tot Elsschot, een auteur
met wie Nescio wel eens meer in één adem wordt genoemd.
Beiden
wisten met hun schrijverschap niet goed raad in de zakelijke wereld waarin
ze tussen "broodmensen" aan de kost kwamen.
Beiden
hebben eert weinig omvangrijk maar hogelijk gewaardeerd oeuvre nagelaten.
En heiden zijn nu liet voorwerp van een niet aflatende verering.
Een
devotie haast. "Nescio wordt nu door velen zó vereerd dat alles wat
van en over hem bekend wordt, de godsvrucht alleen nog maar kan verhogen",
schreef Fens in 1976. "Elk vondstje is een nieuwe relikwie, al zal
liet maar één zin van enkele woorden groot zijn."
Alle
relikwieën zijn nu samengebracht op bijbelpapier in een cassette. Het
complete oeuvre van Nescio, waar al zo lang naar werd uitgekeken, is er
nu. Twee volumes die, met de aantekeningen, toch nog bijna 1500 bladzijden
dundruk beslaan, wat velen, die hebben gemeend dat je het ganse oeuvre
van deze auteur in je handpalm kon sluiten, verrast zal doen opkijken.
HET territorium
van Nescio was evenmin omvangrijk. De tekstbezorgster heeft achteraan
in bet Verzameld werk een landkaartje van Nescio's biotoop
opgenomen: naast de buurt van de Mauritskade waar bij zijn jeugd had doorgebracht,
waren er de weilanden en rivieren tussen Amsterdam en de Loosdrechtse
Plassen, die hij zo mooi in zijn Natuurdagboek heeft beschreven.
Grote
reizen heeft Nescio nooit gemaakt en als hij de trein nam, naar Brussel
bijvoorbeeld, had bij altijd zijn valies met dromen race.
In
oktober 1951 moet hij er aanwezig zijn geweest op de Conferentie van de
Nederlandse Letteren. Die had toen plaats in het Paleis voor Schone Kunsten
en, luidens een brief, moet Nescio zich daar stierlijk hebben verveeld.
Net
zoals de Brusselaar uit de grap van hierboven was bij in de stad 'een
luchtje gaan scheppen. Ziehier boe, onder de pen van deze twijfelachtige
congresganger, Brussel ineens een stukje Nescio-land werd: "Het Kongres
was in de bovenstad die geheel uit paleizen, ministeries, parken, beelden,
zuilen en fonteinen bestond. En die lekkere, kleine keitjes die ze zoo
mooi gelijk en glad kunnen leggen in België en die zoo schitteren in de
zon.
Den
ochtend heb ik doorgebracht met te zitten op het terras voor de grote
broeikas (zuilen en een groen koperen dak) en de Ste Gudule en de spits
v/h beroemde stadhuis in de nevel te zien en daarna in een café de kranten
gekocht aan stalletjes..."
Iets
verder heeft hij het over "al die Belze auteurs die allemaal in plaatsjes
wonen als Sichem, Lier en Ingooyghem".
In
het Natuurdagboek vinden wij wat uitgebreider notities over bewust
bezoek aan Brussel op 5 en 6 oktober 1951. "In het zuiden andere
kwaliteit van licht: sterker, droger, ook het neveltje was droog. - Met
lijn 59 naar Noord, moest drie mannetjes en de conducteur vragen, alles
sprak Vlaamsch. Het ééne mannetje zag er uit of i 20 jaar in z'n zwart
pak had geslapen dat 'm nooit had gepast en hij droeg een pothoed."
Hij
heeft het over "de nieuwe kathedraal van Koekelberg" die in
zijn ogen op een fort gelijkt en in het "Parc Royal" gaat bij
een gesprek aanknopen met "een alleraardigst Fransch of Brusselsch
vrouwtje met kinderen".
In
het "Palais des Beaux Arts" maakt hij kennis met de andere gasten.
Dat wil zeggen: "Meeste namen niet verstaan of al vergeten."
Van de Vlamingen onthoudt hij alleen Roelants en Westerlinck. En van de
Nederlanders de uitgever Geert van Oorschot, met wiens wagen hij mee terug
mag naar Amsterdam.
Nescio
logeerde in Brussel in hotel Splendid aan de Kruisvaartenstraat. "Een
kazerne" noemt hij het. Hij vlucht er weg om op een boulevardterras
een "café filtre" te gaan drinken en aan een kiosk La Dernière
heure en Le Figaro littéraire te kopen. In een café aan de
Beurs blijkt een broodje met ham één gulden te kosten. En dat is de schrijver
te veel. "Wij er weer uit (kale Hollanders)", noteert hij met
veel zelfironie in datzelfde dagboek.
Brussel
moet voor Nescio iets exotisch hebben gehad, iets dat niet zijn Franse
straatnaamhorden naar Parijs rook. In zijn eerste boekje De uitvreter
uit 1911 laat hij zijn personage al in Brussel rondlopen: "Den zomer
daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den Boulevard
du Nord in Brussel
Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en
neer lopen van liet Gare du Nord naar liet Gare do Midi over de boulevards.
Of hij zich amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle."
Werd
Nescio door de "Belzen" geapprecieerd? Louis Paul Boon sloot zich
in de jaren zestig alleszins aan bij de opstekende golf van geestdrift voor
de Vader van Nederlandse stukjesschrijvers altegader. In zijn column in Vooruit
schreef Boon: "Nooit werd iets mooiers In onze hele Noord- en Zuid-Nederlandse
literatuur geschreven, en nooit heeft liet zolang geduurd om de mooiheid van
dergelijk soort werk naar waarde te doen schatten."
- © Marcel van Nieuwenborgh
- Gepubliceerd met toelating van de auteur. Voor meer informatie kunt
u best met hem contact opnemen.
- Oorspronkelijk opgenomen in De Standaard der Letteren
[De Standaard, 10 oktober 1996, blz. 19].
Afdrukbare layout
Laat me een boodschap achter
Laatste wijziging aan deze pagina:
17 november 2006
|