In 1918 gaf J.H. de Bois, kunsthandelaar te Haarlem een boek van Nescio uit. Daarin waren drie verhalen voor het eerst gebundeld: Dichtertje (voltooid in 1917), De Uitvreter (eerder verschenen in De Gids in 1911) en Titaantjes (eerder verschenen in Groot Nederland in 1915). De eerste druk heb ik nooit in handen gehad, wel de tweede uit 1933, waarin J.H.F. Grönloh (1882-1961), om eerder ontstane verwarring weg te nemen, onthult dat Nescio zijn pseudoniem is. Bij die eerste kennismaking zal ik erg jong zijn geweest, want de Uitvreter en de Titaantjes, personages die niet ouder zijn dan een jaar of twintig, vond ik wat stoffige, een beetje vieze, oude mannen. Hadden ze, net als God in Dichtertje, schilfertjes op de kraag van hun jas?

     In de marge van de tekst had een familielid met scherp potlood opmerkingen gekrabbeld die indertijd diepe indruk maakten en die ik kort geleden weer heb bekeken. Het begon direct al in Dichtertje, met `bijtend', en bereikte een juichend hoogtepunt tegen het slot van Titaantjes, met `prachtig bijtend to the point'. Daartussenin stonden opmerkingen als: `voorbij!!, voorgoed voorbij'... `nu helaas gedempt'... `melancholie wordt wat looiig'... en `Zeppelin bepaalt stemming'. Soms bleef het bladzijden lang alleen bij strepen, maar dan begon het weer: `bezeerd landschap'... `geen kleren, geen meubilair, geen borden, geen bestek'... en even verder, als Nescio het gezicht op Rhenen beschrijft waar de schilder Bavink zo op geploeterd had: `atmosfeer Van Goyen.' Bovendien waren er onderstrepingen van fragmenten en samengetrokken woorden waarmee Nescio spreektaal dicht benadert: als i zijn hoed afnam, hatti, datti, werti en hattet. Eigenlijk was dat suf gestreepte boek niet meer te lezen.

     Een nieuwe meme van vermoedelijk korte adem is het weglaten van de veters uit Nikes. De rappers manifesteerden zich als eersten met de expansieve, sloffende bewegingen die daarvan het gevolg zijn en waar omstanders niet anders dan met een wijde boog omheen kunnen. Een al ouder voorbeeld van Dawkins is het baseballpetje dat achterstevoren gedragen wordt. Deze meme heeft zich razendsnel en dwars door taalbarrières heen verspreid. Ook taalmemen kunnen zich snel verspreiden, en al dan niet vertaald grenzen passeren. Denk aan de uitroep `te gek' die in de jaren zestig de lucht vergiftigde, maar nu met uitsterven wordt bedreigd.

     Literaire memen volgen heel andere strategieën dan modegrillen. Een nesciaanse meme met beperkte verspreiding, die nog eeuwen meekan, slaat op het Dichtertje, dat geheel door kantoorwerkzaamheden in beslag wordt genomen: `Zijn tante had reden tot tevredenheid. Haar neef hattet druk.' En zelfs een brokje van deze meme als hattet kan op zichzelf weer meme worden als anderen dat woord overnemen in teksten die helemaal niet over Nescio hoeven te gaan. Al zou het recht zegevieren en Nescio binnenkort wereldwijd worden gelezen, dan nog zouden specifiek nesciaanse woorden nooit de verspreiding krijgen van het gedraaide baseballpetje. Er zit `copyright' op. Als ik, per vergissing, een eenzame i schrijf, streep ik hem weer door. Hij is bezet door de bescheiden Nescio, die door de oorspronkelijkheid van zijn memen toch nog `imperialist' werd. En zo heeft schrijven soms iets weg van het maken van een slalom tussen andermans memen door, al smeken die er zelf nog zo hard om gekopieerd te worden: Neem mij, verdubbel me. Een andere moraal kennen ze nu eenmaal niet, en zo kwam Mondriaan terecht op de gordijnen.

     Al zal ik de losse i niet zelf gebruiken, ik hoef er maar een te zien en ik ben weer met de Titaantjes op weg naar de kolonie van Van Eeden: `... toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug...'

     Nog in 1955 ergert Nescio zich aan het `idiote beeld van Zadkine' in Rotterdam, dat hij een geval van `vernegering' noemt vanwege mogelijke Afrikaanse invloed. In Nescio's wereld bestaat geen andere kunst dan het impressionisme, heeft W.F. Hermans ooit afkeurend geschreven. Al kan ik me zijn kritiek wel voorstellen, ik ben het er niet mee eens. Dat impressionisme belangrijk is in verhalen die omstreeks de eeuwwisseling spelen, lijkt me overigens geen schande. Maar het gaat me om iets anders. Het registreren van indrukken bij Nescio is wel voorwaarde om het landschap in al zijn verschijningsvormen te leren kennen. Maar dat is pas het begin: `[...] en ik zag dat de schaduw van de Nieuwe Kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei, dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen winterdag, toen over den Voorburgwal nog geen tram reed, door de schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de straat bedekte.'

     Impressionisme? De verteller schrijft over de val van die schaduw alsof hij het heeft over een vriend wiens lot hem direct aangaat. De stad (Amsterdam) en vooral het landschap zijn bij Nescio bezield en soms worden er animale eigenschappen op geprojecteerd: `Bevreesd en bangelijk lag 't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis, een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn.'

     De tochten van de Uitvreter en de Titaantjes, de latere wandelingen van Nescio waarvan hij in zijn natuurdagboek verslag doet, zijn een poging één te worden met het landschap, erin op te gaan en tegelijkertijd goed op te letten dat het niet beschadigd wordt. Nescio en zijn personages doorkruisen het landschap zoals antistoffen ons bloed.

     Steeds weer worden plaats en beleving gekoppeld. Je zou een dichtbetekende kaart kunnen maken van geliefde plaatsen waar Nescio en zijn personages erin slagen uit te vloeien in de omgeving; hun vorm van ontsnappen aan de banale burgermaatschappij. Eerder dan met impressionisme associeer ik deze landschapsbeleving met de tradities van Australische aboriginals. De Britse Bruce Chatwin vertelt in The Songlines dat voor deze aboriginals plaatsen pas bestaan als ze levend gezongen zijn. Hun wereld blijft in stand door er een persoonlijke weg in te vinden, een songline. Dat geldt ook voor Nescio en zijn personages.

     In tegenstelling tot veel aboriginals was de Uitvreter geen kunstenaar, maar een fenomenaal geheugen voor landschap had hij wel. Langs de spoorlijn van Middelburg naar Amsterdam kende hij `elk veld, elke sloot, elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant, elken wissel van het spoor'. Dat doet denken aan een landschap dat door precieze benoeming van de dingen, zonder enige utiliteitsoverweging, is gaan leven. En terwijl Chatwin helemaal naar Australië moest om ten slotte bij zijn eigen songlines uit te komen, hoefden Nescio en zijn personages maar naar de oever van de Zuiderzee te lopen om te midden van hun heilige plaatsen te zijn: `waar God zich in de stilte en de leegte openbaarde.'

     God bij Nescio is een curieuze meme. Hij neemt vele gedaanten aan en een bioloog leest zijn werk zonder moeite als een `On the Origin of Deities.' De schepper geschapen, geëvolueerd tot Godenzwerm. Nescio's pantheon doet denken aan de dertien soorten darwinvinken op de Galapagoseilanden, in de loop van een korte evolutie ontstaan, en voorzien van snavels die per soort zo verschillend zijn als een combinatietang, een draadkniptang of een waterpomptang. Net als deze waaier van vinken schiep Nescio een waaier van goden. Elk van hen, uitgezonderd het Opperwezen Natuur, heeft zich verschanst in een enge maatschappelijke nis en loert op een gelegenheid om zich als een wielklem vast te klinken aan de gastheer die voor zijn broodwinning op hem is aangewezen. Het zijn vaak carrièregoden. De God van de Handel bespringt de zakenman, de God van het Handelsblad de journalist, de God voor Kantoorbenodigdheden de kantoorklerk. Wanneer enkelen van de Titaantjes, na een onaangepast en idealistisch begin, steeds verder vastlopen in de burgermaatschappij, hebben ze moeite hun oude God, de God van hemel en aarde die overal is in de natuur, te vergeten en symbiotisch te worden met de nieuwe carrièregod. Vragen om problemen natuurlijk en dit gebrek aan opportunisme, waaraan alleen het Titaantje Hoyer niet lijdt, is slecht voor de personages, maar goed voor de literatuur. Misschien danken de Titaantjes daaraan hun melancholieke lading, maar dat zullen we nooit weten.

Lees verder...

Pagina 2/3

© Tijs Goldschmidt - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in 'Nescio:  'Schrijft U over mij maar niks' '. In: NRC Handelsblad, 6 september 1996.
Dit is de herwerkte versie die verschenen is in:
Tijs Goldschmidt, Oversprongen : beschouwingen over cultuur en natuur. Promoteus, Amterdam 2000.