Memen kunnen uitsterven, net zoals sommige genen kunnen worden weggeselecteerd. Nescio heeft zich misschien zorgen gemaakt over het verdwijnen van zijn werk: `En de afleveringen der tijdschriften begonnen langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij schreef trouwens toch onder een anderen naam.'

     Soms verdwijnen memen door `toeval' zoals Hemingway overkwam toen zijn vrouw een koffer met daarin manuscripten, inclusief doorslagen, kwijtraakte. Ze had hem een ogenblik onbewaakt in de trein laten staan. Er waren geen kopieŽn, behalve dan wat Hemingway zich nog kon herinneren. Een ander voorbeeld van een verdwenen meme, ten minste in zijn oorspronkelijke vorm, is het liedje uit de Nancy Brick dat Japi in De Uitvreter zingt en dat misschien nergens anders meer bestaat dan in dit verhaal. De muziek zoekgeraakt, die ene wasrol waar het nog op stond onherstelbaar beschadigd en de hoofden waarin het nog jarenlang heeft nageklonken zijn er niet meer. Ook de stukjes die Nescio publiceerde in de Pionier, het weekblad van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit, zijn lang met uitsterven bedreigd geweest. Maar het belangrijkste memenverlies vindt plaats bij de bron, de schrijver zelf. Zeker als hij zo kritisch is over zijn eigen werk als Nescio, personifieert hij een zware selectiedruk. Hij is het die beslist welke teksten voor publicatie in aanmerking komen en welke eindigen in de prullenbak.

     Na zijn debuut publiceerde Nescio lange tijd niets. Maar in 1946 verschijnt het prachtige bundeltje Mene Tekel en nog veel later, in 1961, Boven het Dal. `Wrakstukken' heeft hij zijn schetsen en verhaaltjes ooit genoemd: `Fragmenten die in mijn boekje niet zijn opgenomen ter wille van de compositie maar die misschien voor dezen en genen nog wel aardig zijn om te lezen.'

     Publiceren of vernietigen, die keus heeft een schrijver als hij het heft zoveel mogelijk in eigen hand wil houden, maar er is die linke derde mogelijkheid: bewaren in een lade. Link, omdat verworpen memen hun lot niet altijd aanvaarden. Soms zinnen ze jaren na de dood van hun bedenker nog altijd op wraak. Nescio had zo'n lade. Heeft hij de kracht van zijn memen onderschat? Ik denk niet dat hij zelfs maar de mogelijkheid heeft overwogen dat ze uitsluitend ter wille van hun eigen voortbestaan tot een mensenoffer in staat zouden zijn. Dat ze Frerichs ertoe zouden weten te bewegen om een flink deel van haar leven eraan te besteden.

     Toen ik voor het eerst hoorde van deze wetenschappelijke uitgave van het verzameld werk, vreesde ik voor een onleesbaar geschrift boordevol noten. Nescio postuum gemangeld door het `Leidener Klammersystem'. Maar ook ik onderschatte de kracht van zijn memen. Ze hielden alle wetenschappelijk commentaar weg uit de tekst. Het staat helemaal achterin en wie er geen behoefte aan heeft, kan er gemakkelijk omheen. Het eerste deel van deze leeseditie bevat, behalve het gepubliceerde ook het nagelaten werk: probeersels van een zeventienjarige, zelfs hij heeft het moeten leren, eerdere versies van gepubliceerde verhalen, nooit eerder gepubliceerde stukjes, fragmenten en enkele brieven. Met gemuteerde memen, varianten op klassieke zinnen, staat het eerste deel vol. Het verbaast me een beetje dat ik die eerdere versies van De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje met zo veel plezier heb gelezen. Misschien komt het doordat die varianten, waarin de evolutiegeschiedenis van veel passages op de voet te volgen is, wel bij Nescio passen. Je leest ze zoals je verschillende zomers beleeft. Onmiskenbaar zomer, maar geen twee zomers zijn precies hetzelfde. Het zijn variaties op een thema, niet same wel similar.

     Het tweede deel van het verzameld werk, het natuurdagboek beslaat de periode van begin 1946 tot eind 1955. Het is niet duidelijk of Nescio van plan is geweest deze aantekeningen te publiceren. Veel notities over uitstapjes zijn nogal particulier. Ze maken de indruk vooral bedoeld te zijn om later zo'n dag weer eens te kunnen terughalen. Wel staan er tussen de aankomst- en vertrektijden van bussen, tussen de vele kopjes koffie, spritsen en tom-poucen beeldende landschapsbeschrijvingen: `Op de terugtocht: in rondomme donkerte plotseling opbarsten van een bal zeer witte meeuwen die daarna heel wit uit elkaar vlogen,' of een mooi nors commentaar op de voortwoekerende bureaucratisering van Nederland: `Workum, 2 sigaren gekocht in een winkeltje waar ze verkochten: manufacturen, spek, hoepels, aschbakken, koppen en schotels en koperen bloempotten, touw, stijfsel, jam, gedroogde appeltjes, suiker, tabak, sigaren en pijpen. Hoeveel diploma's moet die man wel hebben in dezen tijd van rabiate ordelievendheid...'

     Doordat Nescio het landschap rondom Amsterdam zo goed kent, beschrijft hij niet alleen wat hij ziet, maar ook wat hij vermoedt of verwacht te zien: `...Alweer geen leeuwerik. Hebben de Italianen alle leeuweriken opgegeten?' en enkele dagen later: `Steeds nergens leeuweriken.' Een niet onbelangrijk deel van dit dagboek gaat over missen en de woede om wat verdwijnt, of al verdwenen is. Nederland, dat in zijn ogen, nota bene toen al, begon te lijken op een `bedorven lolplaats', aangetast door betonwegen en andere platte lelijkheid. Af en toe zoekt Nescio vrienden op, zoals de dichter Van Geel, of ziet hij de schimmen van Bavink en Bekker ergens de hoek om gaan.

     Wat is een gebeurtenis? Op zeven april 1953 wordt Mariussi, een kleinzoon op wie Nescio duidelijk erg is gesteld, aangereden en de volgende morgen vroeg sterft hij. Ik verwachtte dat uit zijn notities wel zou blijken hoezeer de dood van dat jongetje hem heeft aangegrepen. Niets daarvan. De tochtjes gaan gewoon door en ook de verwoording van wat kennelijk wel gebeurtenissen zijn binnen de begrenzingen van dit natuurdagboek: `De bestrate brink van St. Oedenrode met een rij bloeiende kastanjes voor huizen...' Meer dan over bekenden schrijft hij over onbekenden, maar dan is het bijna altijd ellende. Veel nare, sluwe koppen, bij uitzondering een echt gezicht of een leuk bloot been.

     Het opgraven en bij elkaar brengen van de verspreide nesciaanse memen doen denken aan Jurassic Parc. Zoals in die film de genen van dinosauriŽrs bij elkaar gesprokkeld werden, zo wist Lieneke Frerichs Nescio's memen te voorschijn te brengen. In de film worden uit dat herenigd genetisch materiaal dinosauriŽrs gebouwd die het ook echt doen. Dat is in principe ook mogelijk met deze memen. Door Nescio's eigen montagetechniek toe te passen - hij schoof voortdurend met memen - moet het mogelijk zijn onvoltooide verhalen alsnog af te ronden, misschien zelfs nieuwe te maken. Het eerste deel van het verzameld werk zou kunnen worden gebruikt als een bouwpakket voor een nieuw Titaantje, of een alternatieve Uitvreter. Dat gaat zelfs een stap verder dan in Jurassic Parc waarin alleen dinosauriŽrs die ooit werkelijk hebben bestaan tot leven worden gewekt. Nescio zou zich omdraaien in zijn graf als er weer een vervolg kwam op De Uitvreter, zeker andermans vervolg. En wat als die nieuwe Titaantjes, eenmaal in elkaar gezet, beginnen te lopen? Kan het ongepubliceerd werk nog terug in de lade? Te laat.

 

Nescio, Verzameld Werk, deel I en II, bezorgd door Lieneke Frerichs. Nijgh & Van Ditmar en G.A. Van Oorschot, Amsterdam.

 

Pagina 3/3

 

© Tijs Goldschmidt - Gepubliceerd met toelating van de auteur.
Oorspronkelijk opgenomen in 'Nescio:  'Schrijft U over mij maar niks' '. In: NRC Handelsblad, 6 september 1996.
Dit is de herwerkte versie die verschenen is in:
Tijs Goldschmidt, Oversprongen : beschouwingen over cultuur en natuur. Promoteus, Amterdam 2000.