Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Uitgangspunt : Natuurdagboek: Heimwee naar het verleden  

   
   

Heimwee naar het verleden

            Dat de andere mensen geen oog hebben voor het mysterie van de natuur is echter nog niet het ergste. Het meest windt Grönloh zich op over het feit dat zij op nonchalante en onverschillige wijze, zonder wat te vragen, dingen kapot maken waar hij met heel zijn ziel van houdt. In krachtige woorden brengt hij zijn mateloze verontwaardiging tot uitdrukking over het voortdurende slopen en bouwen :

"Een hoofdindruk: overal wordt Holland dichtgebouwd met fabrieken en huisjes, we komen in een bijenkorf te leven zonder uitzicht en zonder uitvliegen." (5 november 1950, p.137)         

"De vreemde wereld van de ondergaande landelijkheid en overal van die menschen die niet in het land hooren. Zoomin als die wreede betonnen wegen. De vernielde Alkmaarder hout met al die huisjes. Eerst al die huisjes langs de weg bij Heilo, voor het voortwoekerende klootjesvolk." (1 augustus 1953,p.304)

"Alles MOET dichtgebouwd. Ze fokken maar raak." (25 juli 1954, p.367)

            Niet voor niets was Grönloh een actief lid van de Bond Heemschut, een groep beschermers van natuurgebieden en historische steden. De onlangs teruggevonden boze brieven die hij de Bond tussen 1947 en 1954 [1] schreef, getuigen van Grönlohs verregaand  conservatisme wat landschappen en uitzichten betreft. In het Natuurdagboek moppert hij ergens :

"Die markante rij bomen van Broek naar Monnikendam is gekapt (waarschijnlijk om een fietspad aan te leggen, nota bene). God zal ze eeuwig gloeiend nakend in de hel sansodemirakelen. Deze rij boomen heeft me bijna  60 jaar verheugd." (2 juni 1954, p.357) 

Zelfs over een relatief kleine ingreep als deze blijkt Grönloh zijn beklag te hebben gedaan bij Heemschut. Geen boom mocht worden omgehakt in zijn geliefde landschap.  De belofte van 'nieuw schoon' kon hem niet troosten. Hij leed voortdurend onder de dreiging dat andere mensen ongevraagd 'zijn' wereld binnen zouden dringen om deze volgens hun eigen slechte smaak om te vormen tot iets banaals, kleinburgerlijks, en hem zo de mogelijkheid te ontnemen zich er te verliezen en er zijn burgerplichten te vergeten. Op 10 april 1955 noteert hij bitter: "Gods (?) wereld geïndustialiseerd" (p.389) .

            Uit Grönlohs nota's spreekt meermaals een zekere regressie of nostalgie, een afkeer van het moderne leven, gekoppeld aan een verlangen terug te keren naar 'betere tijden'.  Op 22 mei 1953 bijvoorbeeld verzucht hij: "De 19de eeuwsche stilte. (...) Het platteland zooals het hoort, maar nergens meer is." (p.289). Ook wordt verscheidene malen met een zekere weemoed over de jaren 1907 en 1908 gesproken. Dit werd reeds opgemerkt door Lieneke Frerichs, die vermoedt "dat ze van cruciale betekenis zijn voor Nescio's natuurvisie en voor zijn schrijverschap." [2] De toren van Hilversum wordt op 5 februari 1951 "de toren der verwachtingen uit 1907 en '08" (p.147) genoemd. Als we er Grönlohs biografie op nakijken, merken we dat deze jaren inderdaad voor een tijd van verwachtingen, van een nog open toekomst kunnen staan. In 1907 is Grönloh pas een jaar getrouwd en wordt zijn eerste dochter geboren. Zowel zijn carrière in de zakenwereld als zijn schrijverschap staan nog in de kinderschoenen. Het grootste deel van Nescio's oeuvre werd voltooid in de jaren '10.  In de periode omstreeks 1907 is zijn talent vermoedelijk druk bezig te rijpen.  In het nagelaten werk uit die jaren kunnen we meevolgen hoe een Japi-personage (De uitvreter) stilaan vorm begint te krijgen. Het is dan ook niet zo erg verwonderlijk dat de schrijver, van nature geneigd tot een weemoedig terugblikken, in zijn Natuurdagboek noteert "Hoe telkens hier en daar het jaar 1907 herleeft." (14 maart 1952, p.222). De bezetenheid waarmee hij zich vastklampt aan bepaalde elementen uit landschap of stad (een rij bomen, een kronkelende weg, een watergracht...) heeft zeker te maken met dit verlangen voorbije tijden opnieuw tot leven te roepen. Tijdens zijn uitstapjes verheugt hij zich het meest wanneer hij iets terugziet dat sinds zijn jonge jaren niet is veranderd. Zodat hij tevreden kan noteren: "Zeer stil en nog een echt dorp, geen geraas en getier. 1907 verbonden met 1954 tot een sterk geheel." (9 juni 1954, p.360).

   
[1] Fragmenten van deze brieven in : M. Verhoeff, ''Wat gebeurt hier eigenlijk ?' Nescio als natuurbeschermer'. In : De Parelduiker, jrg.2 (1997), nr.3, september, p.29-41. 
[2] L. Frerichs, Nescio.  De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.235.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina