Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Uitgangspunt : Natuurdagboek: Het eigen schrijverschap

   
   

Het eigen schrijverschap

             Samenvattend kan het Natuurdagboek dus omschreven worden als de neerslag van Grönlohs ontsnappingspogingen aan een werkelijkheid die hem te nauw, te grijs, te eentonig was. Pogingen die soms zijn gelukt, wat het de moeite waard maakte zijn indrukken vast te leggen op papier, en soms mislukt, zodat het dagboek een uitlaatklep werd voor zijn ergernis.

            Over Grönlohs bezigheden naast dit rondzwerven wordt nauwelijks gerept. Opmerkingen over zijn schrijverschap zijn uiterst zeldzaam, maar toch zijn ze er, hier en daar. Ten eerste zijn er de hierboven reeds vermelde vergelijkingen of identificaties van bepaalde mensen die hij ziet met personages uit zijn verhalen, hetgeen verraadt dat deze scheppingen van zijn hand hem nog steeds erg genegen zijn. Verder laat hij hier en daar met merkbare sympathie zijn auteursnaam 'Nescio' vallen:

"Hindeloopen pas op het laatst zichtbaar, nog wat nevelig, als op een landtong, de groote toren links en flauw rooie daakjes met boomen er tusschen in een streep rechts er van. Het leek wel een oord van monniken, waar ze Nescio overschreven."  (22 september 1951, p.196)

"Echte Nescio ochtend: verwachting van een nieuwe wereld (zonder al die akelige mensen) en lente in November (het overslaan van den winter)." (26 november 1951, p.208)

            Op 9 juni 1953 schrijft hij dat er de dag tevoren de hele tijd over hem gepraat is en dat er "venten (waren) geweest om Belcampo's 'uit te zenden' woorden over Nescio op te nemen." (p.293). Licht ironisch voegt hij daaraan toe dat Belcampo "ook inspecteur geworden (is) van een kasteeltje met gevallen vrouwen in Bathmen", maar het is de enige keer dat hij zich zo concreet uitlaat over zijn leven als schrijver. De volgende dag brengt hij, met een door een nuchter relativerende woordkeuze gecamoufleerde trots, verslag uit van de radiouitzending die zijn vrouw absoluut wilde horen (p.294, 295) .

            Zo'n keer of twee worden bovendien zijdelings aanknopingspunten aangereikt bij het ontstaan van enkele van zijn belangrijkste verhalen:

"Weer dat gevoel van weg te zijn en nergens in het bizonder: het landschap zonder naam, waar de Uitvreter uit groeide." (13 december 1951, p.211)

""Zeer intiem, een stille beslotenheid: Insula Dei. (...) Alle straten in het Westen in zon: (...), alles schitterend, de Dapperstraat dwars er over in de verte, zilverig, alles onbegrijpelijk en onmogelijk, de verottigheid en de armetierigheid verheerlijkt, de geboorte van 'Titaantjes'." (19 maart 1952, p.223)

Ze blijken te zijn voortgekomen uit het 'landschap zonder naam', deze geheimzinnige wereld waarin Grönloh de grijze alledaagsheid van het burgerleven trachtte te ontvluchten. Grönloh moet zijn inspiratie hebben opgedaan tijdens of uit zijn wandelingen; zwervend door de natuur werd Grönloh Nescio. In haar 'Verantwoording' vermeldt Lieneke Frerichs de directe relatie tussen bepaalde nota's van het Natuurdagboek en enkele korte prozastukjes uit 1947.[1] In feite staan deze dagboekbladen echter (tot in de formulering toe !) met het hele oeuvre van Nescio in verband. Of beter: de  lectuur ervan maakt pas goed duidelijk hoezeer de thematiek van zijn verhalen, die verderop zal worden besproken, geput is uit eigen ervaringen. Aan de basis van Nescio's eigenzinnige literatuur ligt de scherpe waarneming, de heel persoonlijke manier van kijken, zoals die zich openbaart in het Natuurdagboek.

   
[1] Verzameld werk. Deel 2, p.416.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina