Mijn gedachten zijn een zee

 

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages  

   
   

3. Verhalen en fragmenten

3.1. Inhoud

3.1.1. Personages

            "Jongens waren we, maar aardige jongens." (p.43) Aldus de klassiek geworden openingszin van Nescio's verhaal Titaantjes, waarin het vertellerspersonage Koekebakker de lezer laat kennismaken met het groepje vrienden waar hij in zijn jeugdjaren deel van uitmaakte. De introductie van die vroegere vrienden gebeurt enkele regels verder: "We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. (...) Ik ben nu geen held meer.  Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van  Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm op den slechten weg brachten." (p.43). Opvallend is de uiterst vertrouwelijke toon, die lijkt te veronderstellen dat de lezer al enigermate  bekend is met deze vriendenkring. Dat is ook in zekere zin zo, want op Bekker en Kees na zijn dit tegelijk de personages uit Nescio's debuut De uitvreter, waar hun gezelschap vermeerderd is met de zonderling Japi, die hier als titelfiguur de kern van het verhaal uitmaakt. 

            Van geen van deze personages heeft Nescio gemakkelijk afstand kunnen nemen. In de historisch-kritische uitgave van De uitvreter wordt uiteengezet hoe een uitvretersfiguur langzaam maar zeker is gegroeid in de verbeelding van de auteur. Net als Titaantjes kent dit verhaal een onstaansgeschiedenis die zich over meerdere jaren uitstrekt. Reeds vanaf 1906 schrijft Nescio een aantal al dan niet voltooide verhalen die men voorstudies zou kunnen noemen (Lenteavond, Het begon eerder dan we gedacht hadden, Venlor Grensbode, Japi stond op 't zuiderhoofd), en van De uitvreter zelf worden meerdere versies gemaakt vooraleer het in 1911 in De Gids verschijnt. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Nescio herhaaldelijk pogingen doet om een vervolg te schrijven, waarin hij het Japi-personage, dat hem zo lang heeft bezig gehouden, opnieuw tot leven wekt.  In de Nalezing van de bundel Boven het dal, noteert hij dat dit "Goddank nooit gelukt is. Ons lieve Heer was ook toen weer wijzer dan ik." (p.217). Japi komt zo opnieuw aan bod in ondermeer Men vervalt in herhalingen I en II, Kortenhoef en De Oester. Daarbij gaat Nescio zich steeds meer concentreren op de omringende personages, wier lot oorspronkelijk op de achtergrond bleef. Gaandeweg begint hij te schrijven over de vriendenkring znder Japi, wat in 1914 uitmondt in de uiteindelijke versie van Titaantjes, en daarna nog enkele verhalen en fragmenten oplevert die hiermee samenhangen, zoals Buiten-IJ en Mene Tekel. 

            Omstreeks 1917 lijkt Nescio zich van zijn vertrouwde figuren te hebben losgemaakt en schept in Dichtertje een nieuwe 'held', die, net als de meeste overige personages die hij verder nog verzonnen heeft (Janus, Flip, Dikschei...) eenmalig is - n tegelijk vaak herinnert aan andere Nescio-figuren, die immers in de grond een aantal steeds terugkerende levenshoudingen belichamen. Vooraleer hier meer over te zeggen bekijken we enkele van hen van wat dichterbij.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina