Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Voorstelling van enkele belangrijke personages: Japi

   
   

Voorstelling van enkele belangrijke personages 

Japi

             Nooit heeft Nescio een extravaganter personage geschapen dan Japi, hoofdpersoon uit zijn debuutverhaal De uitvreter. Meteen al bij het begin van het eerste hoofdstuk wordt hij ons voorgesteld als zowat de meest wonderlijke kerel die de verteller ooit heeft gekend. We krijgen een opsomming van voorbeelden die zijn afwijkende gedrag illustreren: "Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen opdroeg en een jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. (...etc.)" (p.9). Pas dan komen we zijn naam te weten ("Z'n naam was Japi.  Z'n achternaam heb ik nooit geweten." p.9)  en wordt verteld hoe deze bijzondere jongeman zijn intrede deed in de vriendenkring van de verteller: de schilder Bavink nam hem mee uit Zeeland, waar Japi urenlang onbeweeglijk aan de waterkant kon zitten. Op Bavinks "rare burgermansvraag" of hij schildert, antwoordt hij "'Nee, Goddank, (...) en ik dicht ook niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist.  Ik ben Goddank heelemaal niks." (p.11). Ook gaat hij er prat op dat hij niets doét, want "'(...) bewegen en denken is goed voor domme menschen. (...) 't Is jammer dat ik eten en slapen moet.  Liefst zou ik dag en nacht blijven doorzitten.'" (p.11). Zelf noemt hij deze manier van leven "versterven" , wat zoveel betekent als "onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat." (p.12). Dit verlangen naar onaandoenlijkheid is echter slechts één zijde van zijn persoonlijkheid, want Japi is evenzeer een levensgenieter, een bon vivant die houdt van "smakelijk duur dineeren", en "tot tranen toe bewogen" kan zijn "' (...) omdat in 't veld zoo'n brokkie brood zoo lekker smaken kon'" (p.16). Verder wordt hij getypeerd als "een kerel als een karrepaard" (p.13), die goed "met 't welwillende beschaafde Hollandsche publiek afrekenen" kan, een onuitputtelijke conversatie bezit en een geheugen voor landschap "dat aan 't wonderbaarlijke grensde." (p.17).

            Na twee dagen is Japi al dikke vrienden met Bavink, die als gevolg van zijn eigen getormenteerde kunstenaarsschap erg gefascineerd is door de evenwichtigheid en zorgeloosheid die Japi uitstraalt. Japi vindt schilderen "wel aardig, als je 't goed kon", maar legt er zich probleemloos bij neer dat dit niet voor hem is weggelegd: "Je kon toch de dingen niet zoo weergeven, als je ze onderging." (p.12). Aan de schrijver Koekebakker bekent hij ooit nog in het obscure krantje 'De Vlachtwedder Grensbode' te hebben geschreven, maar hiermee te zijn gestopt vanwege de zinloosheid ervan: "'Wat heb ik er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk naar de menschen en de wagens en de huizen. (...) Wat gaat 't die kaffers aan, wat ik zie.'" (p.26). 

            Ook een fatsoenlijke baan in de handel bleek niet aan hem besteed: "Ze moesten me wegdoen." (p.31). Japi vertelt Koekebakker hier meer van in het vijfde hoofdstuk, waar hij van plan lijkt te solliciteren, maar klaagt: "'' t Gaat niet, ik ben er geen kerel voor.  Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding.  Ik begrijp er niks van.  Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. (...)'" (p.29).  Hij besluit zijn gejammer met de plotse mededeling dat hij de volgende dag, dus midden in de winter, naar Friesland gaat. Als Koekebakker hem verbaasd vraagt wat hij daar dan wel gaat doen, luidt zijn typische Japi-antwoord: "'Doen? Niks doen. Jelui kerels zijn zoo akelig wijs. Alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin in heb.'" (p.31)

            De zomer daarop is Japi weer verdwenen, tot Koekebakker hem in Brussel ontmoet.  Hij ziet er piekfijn uit en trakteert zelfs. Hij beweert zich kostelijk te amuseren met "Op en neer lopen van het Gare du Nord naar het gare du Midi over de boulevards." (p.32). Maar als hij later opnieuw opduikt in Amsterdam, is Japi de oude niet meer. Hij heeft een verbonden hoofd omdat een mijnwerker in Marchienne aux Ponts er een geëmailleerd pannetje op stukgeslagen heeft, en is weinig spraakzaam. Hij vreet ook niet meer zo uit als men van hem gewoon is. Later onthult hij dat zijn vader een betrekking voor hem heeft, waarna hij "allerakeligst (begon) te boomen" (p.36) over de zon die niet meer zou opkomen. Vervolgens houdt hij een reflectie over het voorbijgaan van de tijd, naar aanleiding van het steeds herhaalde schijnen van de zon in de Waal en het voortdurende stromen van het water. Wanneer Japi ongegeneerd over de Française Jeanne begint te vertellen, wordt duidelijk dat niet alleen het kantoorwerk maar ook de liefde hem veranderd heeft. Als Bavink hem een keer opzoekt op kantoor, werkt Japi stuurs door zonder te praten.

            In het zevende hoofdstuk komt Koekebakker hem na enkele jaren weer tegen. Japi is in de tussentijd een harde werker geweest, die naar Afrika werd gezonden, om binnen twee jaar "ziek, half dood" (p.36) terug te komen. Nu staat hij er "wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk starende uitdrukking in zijn ogen" (p.37)  bij.  Hij vreet nu zijn kantoor uit en wil zich niet meer "te sappel maken". Hij blijkt een socialistische periode achter de rug te hebben, heeft op kantoor "gloeiende speechen, woeste artikelen" (p.38) bij elkaar gefantaseerd. Maar aan de tijd dat hij iets tot stand wilde brengen is nu een einde gekomen, net als aan zijn liefdesrelatie met Jeanne.Japi is nu bezig "zijn tijd te verstaren. Bereiken kon je toch niets." (p.39). Hij keert terug naar zijn reflectie over zon, water, het voorbijgaan van de tijd. 

            Nadien verstaart hij nog enkele maanden, schrijft dan Koekebakker op een briefkaartje dat Jeanne aan haar borstkwaal is gestorven, om op een zonnige zomermorgen van de Waalbrug af te stappen en zich definitief over te geven aan de eeuwigheid van de natuur.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina