Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Voorstelling van enkele belangrijke personages: Koekebakker

   
   

Koekebakker

            Koekebakker is het vertelpersonage uit De uitvreter, Titaantjes en de verhalen die daarmee samenhangen. Hij maakt zelf deel uit van de vriendenkring van de 'titaantjes'.

            In De uitvreter, waar haast alle aandacht naar Japi uitgaat, blijven zijn eigen lotgevallen nog sterk op de achtergrond. Wel kunnen we uit zijn manier van vertellen enkele karaktertrekken afleiden. Het meest opvallend is zijn nuchterheid en relativeringsvermogen, dat zich uit in het licht ironische commentaar dat we hier en daar aantreffen.  Bijvoorbeeld : "Hij zegt dat hij z'n ouwen heer niet noodig heeft, dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin.  Zegt u dat wel." (p.28). Verder vertoont Koekebakker wat materialistische, lichtjes burgerlijke neigingen.  Dat blijkt vooral uit het frequente gebruik van het woordje 'mijn', dat dan nog meermaals geaccentueerd wordt: " mijn sigaren" (p.18), " mijn zolder" (p.18), "mijn tafel"(p.19), "m'n hok" (p.19), "mijn brood" (p.21) enzovoort.  In het vierde hoofdstuk zit hij te converseren met zijn "dingetjes" (p.21) en kijkt tevreden naar "mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt, dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat." (p.21). Niet te verwonderen dus dat hij door de bohémien Japi wat spottend 'burger' wordt genoemd. 

            In Titaantjes komt Koekebakker stilaan meer op de voorgrond.  In het begin gaat hij nog volledig op in de vriendenkring en valt nog meestal onder de noemer 'we', maar vanaf het zesde hoofdstuk treedt hij steeds geprononceerder naar voren als een aparte persoonlijkheid. In het achtste hoofdstuk staan zijn gevoelens en gedachten zelfs helemaal centraal.

            Reeds in de eerste paragraaf van het verhaal komen we min of meer te weten wat er van Koekebakker op latere leeftijd geworden is: "Op enkele 'goeie kerels' na werd iedereen door ons veracht", zo vertelt hij. "Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: 'En niet ten onrechte', maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben." (p.43). In stilte sympathiseert hij nog wel met de opstandige jeugd, maar het is duidelijk dat hij er aan de oppervlakte niet in geslaagd is te ontsnappen aan het proces van verburgerlijking. Een dergelijke afloop was in feite reeds te voorspellen: we maakten al kennis met de enigszins burgerlijke trekjes van Koekebakker, en met zijn sceptische, relativerende houding. Koekebakker is van het begin af aan de twijfelaar onder de titaantjes, die het moeilijk heeft de grootse idealen van zijn vrienden au-sérieux te nemen. Zo heeft hij moeite met Bekkers plan om op de hei te gaan wonen en er een stuk land te bewerken: "En ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei leugens van geloofd worden." (p.53). Ook staat hij bijzonder sceptisch tegenover Hoyers idealistische ideëen over de sociale taak van de kunstenaar: "'t Leek me niets leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo." (p.55). In het laatste hoofdstuk maakt hij schampere opmerkingen over de leden van de S.D.A.P., die alles zo zeker weten. 

            Toch heeft Koekebakker ook een gevoelige zijde. Hij kan diep getroffen worden door de grootsheid van de natuur, en door het verlangen dat daaruit opstijgt. Ook Koekebakker hoopt op de komst van betere tijden. In het zesde hoofdstuk raakt hij op de tram helemaal in de ban van "die malle groote koude zon, die vlamde alsof de revolutie moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te breken" (p.52). Maar in zijn achterhoofd blijft steeds de twijfel aanwezig aan het vermogen van de mens om iets zinnigs tot stand te brengen. Terwijl zijn vrienden grootse toekomstplannen smeden, vreest hij stilletjes al voor de ontgoochelende afloop. "Een nieuwe tijd zou aanbreken. Bekker zou in den eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde 't allemaal te gelooven." (p.57) 

            Hoofdstuk acht is hét hoofdstuk van Koekebakker, die hier na zes jaar terug in Holland is. Onder invloed van het landschap voelt hij opnieuw het verlangen uit zijn jeugd, een verlangen dat onbevredigd is gebleven en eentonig geworden: "Wie kan z'n leven doorbrengen met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is ?" (p.59). Dit deprimerende besef moet echter wijken voor de troost die uitgaat van de lente. Koekebakker komt tot de geruststellende gedachte "God leeft in mijn hoofd" (p.59) en tot de slotsom: "Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid. Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen." (p.60).

            In wat verder nog volgt vertelt hij ons over het bezoek aan zijn vroegere vrienden, om met lichte zelfspot te besluiten: "En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden.  Hij schrijft maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis." (p.71).

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina