Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Voorstelling van enkele belangrijke personages: Bavink

   
   

Bavink

            Eťn van de sterkste personages die Nescio geschapen heeft is Bavink, de gekwelde schilder onder de 'titaantjes'. In De uitvreter is hžj degene die komt aanzetten met de klaploper Japi, die zijn dierbaarste vriend wordt. Bavink is geÔntrigeerd door Japi's (schijnbaar) ongecompliceerde levenshouding, precies omdat hijzelf ťťn en al verscheurdheid is.  Bavinks manier van leven wordt toegelicht in het tweede hoofdstuk, waar we hem leren kennen als iemand die het schilderen niet laten kan, ook al is het een marteling - "werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu goed vasthield" (p.15) - en stelt het resultaat hem telkens weer teleur: "Als de menschen wisten hoe i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk, om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid" (p.14). Om de waardering door het publiek geeft hij niet: "'Verdienstelijk werk,' zeiden ze.  Ze wisten er wat van. Je kon wel merken dat God hen niet te grazen had genomen en door elkaar geschud zooals hem." (p.15).     

            Bavinks problematiek wordt verder uitgewerkt in Titaantjes, waar ook zijn tragische ondergang wordt beschreven. Hier ervaart de lezer hoe een heel intense natuurbeleving, die op haar beurt verbonden wordt met God, de basis vormt van zijn gefrustreerde kunstenaarschap. Meer bepaald is hij geobsedeerd door de zon. Terwijl Hoyer en Bekker discussÔeren over de sociale taak van de kunstenaar, zit hij "met z'n kin op z'n knieŽn en ontving de zon in z'n hart." (p.55). Bij het zien van de grote, rode zon aan de kim "sloeg (Bavink) met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte: 'God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.'" (p.44-45). Hij is niet in staat om die voortdurende schilderpogingen te laten varen, hoe graag hij het ook zou willen: "Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. (...) 'Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten,' zei Bavink en keek naar de lucht. Een grote groene ster stond daar te flonkeren. 'Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten te verlangen zonder te weten waarnaar.'" (p.47). 

            Het thema van het verplichte kunstenaarschap wordt schitterend neergezet in hoofdstuk zeven, waar Bavink aan Koekebakker beschrijft hoe God hem van alle kanten roept, en hoe hij tevergeefs probeert om God "op een brokkie linnen met verf" (p.56) te krijgen.

            In het slothoofdstuk heeft Bavink het "tegen de 'Godverdomde dingen' afgelegd" (p.69) en wordt zijn ondergang beschreven. Het begint ermee dat hij zijn gezicht op Rhenen in stukken snijdt ("'t Ding had 'm geŽrgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden." p.70)  en aan Koekebakker komt vragen waarom iemand schildert. "Hij begreep zelf niets meer.  Hij stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Daar waren de dingen. Hij sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En DAAR waren ze. Er uit wilden ze, maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan." (p.70). Wanneer Koekebakker hem een jaar later aan 't Centraalstation ontmoet, is hij dronken en wil dat Koekebakker de zon in een hoedendoos doet, opdat ze hem eindelijk met rust zou laten. Hij eindigt in een zenuwinrichting, waar hij zwijgend in de zon zit te staren. "Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen." (p.70) voegt de verteller er bitter aan toe.

            Net als Japi is Bavink een personage waarvan je merkt dat het Nescio nauw aan het hart ligt en lang heeft beziggehouden. Dat wordt bevestigd door het feit dat de auteur al in 1908 in het onvoltooide Japi stond op 't zuiderhoofd een soort voorloper van Bavink ten tonele voert: Joris Laan, die zich verdrinkt in de Waal omdat hij de dingen niet op de juiste manier geschilderd krijgt: "De lui denken dat ik al aardig wat maak. Ze zien dat niet. Als ze al die verdomde huizen en al die vermaledijde steenen konden zien zooals ik, dan zouen ze er anders over denken. Maar dat kunnen ze niet." (p.406). 

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina