Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Voorstelling van enkele belangrijke personages: Hoyer

   
   

Hoyer

             Hoyer is de tweede schilder van het groepje vrienden, die zich echter sterk onderscheidt van de gedreven Bavink. Hoyer hoort niet helemaal thuis in het bohémien-milieu van de 'titaantjes', en kan het dan ook niet goed vinden met Japi, die van hém de bijnaam 'uitvreter' krijgt. In De uitvreter wordt Hoyer vrij onsympathiek getypeerd als een "ophakker" (p.18) die opschept over zijn werk en over de meisjes. Ook is hij "op de penning en een ruwe vent" (p.26), en werkt hij "nog al met burgermanstermen" (p.34).

            Aan de buitenkant is Hoyer schilder en bohémien, maar vanbinnen is hij van meet af aan vervuld van burgermanstrekjes en onderscheidt zich daardoor van de rest. Samen met Kees Ploeger, de meeloper die later in het arbeidersmilieu belandt, verraadt hij al snel hun gemeenschappelijke jeugddromen: "centen hebben vonden we verachtelijk; alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken." (p.44, Titaantjes). Terwijl de anderen zitten te mijmeren op de rand van het trottoir, zegt Hoyer "dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok." (p.44), en als ze de zon gaan zien opkomen aan de Zuiderzee, klaagt hij over de kou. Hij is niet in dezelfde mate ontvankelijk voor de schoonheid van de natuur en het daaruit opstijgende verlangen: "Wij gingen uit om de wereld te veroveren; alleen Hoyer geloofde daar niet aan, die wist niet beter dan datti op de Zeeburgerdijk liep, bij de slachtplaats." (Buiten-IJ, p.126). Wel is hij de enige van hen met een welomschreven levensbeschouwing. Met Bekker discussieert hij over de sociale taak van de kunstenaar : "Hij probeerde Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven." (p.55). 

            Wanneer Koekebakker hem na zes jaar weer eens opzoekt, woont hij heel keurig en merkt niets van het ongemakkelijke gevoel van zijn jeugdvriend. Hij heeft naam gemaakt omdat men een naaktschilderij genaamd 'Wellust' van hem geweigerd heeft, en schildert nu "portretten, dames en heeren, allemaal netjes aangekleed." (p.63). Hoyer eindigt "flink in de duiten" (p.67) door een erfenis, stopt met schilderen ("Hij weet ook waarom hij niet meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is in opkomst. Daar wacht-i zeker op." p.67) en zoekt heil in de politiek, als lid van de S.D.A.P.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina