Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Voorstelling van enkele belangrijke personages: Dichtertje

   
   

Dichtertje

             In het verhaal Dichtertje maken we kennis met Ee, een jongeman met dichterlijke gevoelens, die zich schijnbaar heeft ingevoegd in de burgermaatschappij, maar uiteindelijk te gronde gaat aan zijn onvervulde verlangens. Zijn ideaal, "een groot dichter te zijn en dan te vallen" (p.79), contrasteert sterk met de realiteit, want hij is al zes jaar "fatsoenlijk getrouwd met een levendig, natuurlijk vrouwtje" (p.79), heeft een vijfjarig dochterje en een keurige baan op kantoor: "Z'n tante had reden tot tevredenheid. Haar neef 'hattet druk'." (p.99).

            De frustaties van het dichtertje zijn van dubbele aard : enerzijds is er het artistieke tekort, het bedroevende contrast tussen "dichtertje" en "groot dichter", anderzijds het erotische tekort als gevolg van de benauwende burgermoraal. Een hele tijd slaagt hij er echter in deze gevoelens te verbergen. Regelmatig wordt de lezer gewezen op de tegenstelling tussen wat er omgaat in het hoofd van het dichtertje, en de indruk die hij naar buitenuit maakt.  Vanbinnen is hij bezig aan een "gedicht zonder eind"  vol erotiek. Hij lijdt vreselijk onder de "wetende oogen" (p.76) van de meisjes op straat, wisselt blikken met een dame in de tram ("'Ik wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?'" p.84), verbeeldt zich hoe van alle vrouwen de kleren afvallen. Ondertussen gedraagt hij zich echter onberispelijk, maakt wat promotie, geeft steeds meer geld uit, stijgt in aanzien. "Maar in dat nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en alleen over was met 't niets." (p.97).

            Al in het eerste hoofdstuk wordt opgemerkt dat het dichtertje slechts "fatsoenlijk van zwakte" (p71) blijft, uit angst in ongenade te vallen bij de  mensen om hem heen. Daarom probeert hij de liefde die hij voelt ontwaken voor zijn schoonzusje Dora te onderdrukken, ook al moet hij, wanneer hij met haar op de trein zit, "even lachen om de menschen, die hem voor een degelijk heer hielden." (p.102). Hoewel hij vanbinnen revolteert tegen de burgermaatschappij en haar moraal (in het verhaal verpersoonlijkt door de 'God van Nederland'), mist hij de moed om deze opstandige gevoelens in daden om te zetten. Hij durft niet uit te komen voor zijn gevoelige kunstenaarsziel en blijft "grimmig en wijs" (p.103) wanneer Dora hem voorzichtig haar heimelijke literaire ambities openbaart. In stilte bewondert hij haar ("dat is een echte" p.103), maar daarvan is niets te merken in zijn woorden : "'(...) Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt.'" (p.111). Precies omdat hij in haar een verwante ziel herkent, verzet hij zich tegen haar verlangens, in een poging haar te behoeden voor de teleurstellingen waardoor hijzelf wordt gekweld. Dat ook zijn vrouw Coba soms last heeft van onbestemde verlangens, merkt hij niet. De scène waarin ze onschuldig koketteert met een man die aan de lezer als de duivel wordt voorgesteld, eindigt met de mededeling : "Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is te lang getrouwd." (p.87). Het dichtertje is vooral met zichzelf bezig en kent aan zichzelf, omwille van zijn dichterschap, een uitzonderlijkheidspositie toe.

            Terwijl Dora haar liefde nog niet begrijpt, "begreep (hij) zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde er niets." (p.106). Nochtans zijn zijn gevoelens voor Dora niet zo eenvoudig, want enerzijds aanbidt hij haar en wil haar niet aanraken, maar anderzijds "zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den sprong aan alles wat als een temptatie in onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was gelopen en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst (...)" (p.106). Wat later zit hij echter weer "kalmpjes en gereserveerd in lijn twee" (p.107) op weg naar kantoor.

            Zijn enige daad van verzet is dat hij zich afreageert door het schrijven van "een grimmig boek (...), dat 'm in eens beroemd maakte" (p.99). Maar uiteindelijk is ook dat geen oplossing: "Z'n boek was af, z'n gedicht zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een farce." (p.108). Nog even beheerst hij zich, en raadt Dora aan met zijn vriend Penning te trouwen. Wat later geeft hij echter toe aan zijn verlangen: "Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen." (p.114). Terwijl het bij Dora slechts om een toegeven aan haar verliefdheid gaat, is er bij het dichtertje meer aan de hand, want "in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij: 'Dit is de wraak, zij boet voor een wereld' ..." (p.114). Door met Dora naar bed te gaan, meent hij zich te wreken op de verstikkende fatsoensmoraal en de 'God van Nederland' te overwinnen. Als zijn vrienden hem enkele uren later naakt in het midden van zijn kamer aantreffen, beweert hij God te zijn, en zelfs "meer dan God." (p.115). Maar de overwinning is slechts schijnbaar: het dichtertje moet het met krankzinnigheid en ten slotte met de dood bekopen.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina