Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Nescio, zijn tijd vooruit: "Mijn tijd komt nog wel": receptie

   
   

 1. Nescio, zijn tijd vooruit

1.1."Mijn tijd komt nog wel": receptie

             Wanneer Menno Ter Braak op 26 November 1933 in Het Vaderland een enthousiaste bespreking wijdt aan de herdruk van Nescio's bundeltje Dichtertje, De uitvreter, Titaantjes[1] betreurt hij dat er zo weinig aandacht aan besteed wordt.  Inderdaad was Nescio niet populair in zijn tijd: reacties in kranten en tijdschriften zijn gering, en de tweede druk van het boek verschijnt pas vijftien jaar na de eerste. Toch ziet Ter Braak in zijn verontwaardiging een deel van de waarheid over het hoofd, wanneer hij zijn beklag doet over Nescio's impopulariteit bij de "officiële kunstenaars". We mogen niet vergeten dat De Uitvreter en Titaantjes eerder werden gepubliceerd in respectievelijk De Gids (januari 1911) en Groot Nederland (juni 1915), wat toch wel literaire tijdschriften waren met een zekere standing. Als we bovendien de reacties overlopen van 1918 en 1919, na de publicatie van de bundel in april 1918 bij J. H. de Bois, moeten we vaststellen dat een kleine groep bewonderaars, waaronder toenmalige "officiële kunstenaars" als De Meester, Coenen en Borel, meteen overtuigd is van Nescio's talent.

            Door de meesten van deze vroege bewonderaars opgemerkt en geprezen zijn de natuurlijke toon en grote oprechtheid van de verhalen, die na alle hoogdravendheid en mooischrijverij van die tijd als een herademing worden ervaren.  Zo ligt "het mooie" van Titaantjes volgens C. Scharten in "de echte toon, waaruit wij de nog onbedorven goedheid der jeugd ervaren" [2]. H. J. Stratemeyer drukt het uit als volgt: "Geen buitengewone avonturen, geen schokkende dramatiek, nog minder romantiek (behalve dan in de fantaseerende hoofden), maar alles zoo echt, zooals 't altijd is geweest en altijd zal  zijn." [3].  J. De Meester heeft het over de "volle, fijne levendigheid" en "achtelooze natuurlijkheid" [4] van Nescio's schrijfwijze. H. Borel beschrijft hoe hij meteen bij het begin van zijn lectuur van Dichtertje het gevoel had "dat ik hier met iets bizonders te doen had in onze literatuur, iets origineels, zuiver, echt, oprecht" en besluit dat "volkomen oprechtheid en echtheid een zoo zeldzaam iets (is) in onze over 't algemeen ietwat burgerlijk geposeerd geworden literatuur, dat ik Nescio al auteur hoger stel dan heel wat van onze beste literatoren, ook al hebben die véél 'betere' boeken gemaakt." [5] 

            Achter een dergelijke oprechte schrijfwijze ontwaren zij een opvallend sterke persoonlijkheid, die leidt tot "Nescio's meerderheid boven louter gladde praters en aangename causeurs".[6] De drie verhalen zouden één zelfde geest uitademen, die "men dan Nescio (kan) noemen", en die omschreven wordt als "de geest van onzwaar ongevaarlijk anarchisme, van verregaande vrijheidszucht, van onbedwongen of moeilijk te bedwingen dwangeloosheid." [7] E.J. Korthals Altes noemt de schrijver "een origineel talent, een verschijning in onze letterkunde , die absoluut alleen staat." [8]

            Er wordt tevens ingezien dat deze originaliteit een gevolg is van het feit dat Nescio "onmachtig (is) zich naar de conventie en hare ruwe regelingen te schikken." [9] S. (J. M. Yssel De Schepper-Bekker?) waarschuwt dat de verhalen bepaalde lezers kunnen choque-ren, want "ze gooien alle conventie overboord en lachen met wat voor velen heilig is." [10]

            Ook de humor en ironie blijven niet onopgemerkt en worden omschreven als "dat hooghartig vertoon van verhevenheid boven alles, die kille ironie, die jacht op geestigen spot" die "des grootstedelings"  zou zijn[11], als "een virtuoze humor, bekoorlijke poze van onverschilligheid en wereldverachting, die in geestige spotbeelden zich voor wanhoop bewaart." [12]. H. Borel uit zijn genoegen over het feit dat de schrijver "iets (heeft) wat in onze literatuur zeldzamer is dan thee in den distributietijd : humor." [13]

            Nescio kon dus duidelijk toch wel op wat bijval rekenen.  Bijzonder enthousiast is de (verder volkomen vergeten en ook in haar tijd onopvallende) schrijfster Agnes Maas-Van der Moer, die vurig haar mening te kennen geeft: "In dezen tijd van de zoetsappige richting, waarin de kunst als moraal moet dienen, waar weer de 'de hoogere zedelijkheid' voelbaar is, die de menschen een ruggesteuntje voor hun miserabel slappe, onpersoonlijke ruggen moet geven, is het een heerlijk iets, een boek te vinden als dit, een boek dat geen sociale taak heeft, dat niet pleit voor het ethische, en wat niét meejammert met de algemeene menschenmin. Het boek van een waarachtig kunstenaar, die maar één richting kent : zijn eigen, en die sterk staat op zijn pad, de artist, die maar één ding geeft: zijn ziel, onbestudeerd, onbeïnvloed, origineel en waarachtig."[14] Zij is zo onder de indruk van Nescio's werk, dat ze hem een brief schrijft waarin ze haar bewondering uit en vraagt of ze zou mogen weten "welke Nescio zoovéél weet?" [15] Voor de schrijver is dit de eerste persoonlijk tot hem gerichte reactie op zijn werk, tegelijk het begin van een jarenlange correspondentie tussen hen beiden.

            Het is tevens voor nog minstens tien jaar de enige reactie van die aard. Want al bij al zijn Nescio's verhalen geen succesnummers en blijft hij in de marge van het literaire wereldje staan. Het probleem is niet dat er negatieve reacties op zijn werk verschijnen (ik las er slechts één), maar eerder dat er te wéinig op gereageerd wordt. Afgaande op een opmerking van Nescio in een brief aan Agnes Maas-Van der Moer, zou enige negatieve kritiek zelfs welkom zijn: "Er is mij nog nooit iemand te lijf gegaan, zoodat ik wel eens gedacht heb dat mijn werk wel niet zoo heel erg bijzonder zou wezen." [16].

            Tussen 1919 en de herdruk in 1933 lijkt het nogal stil rond Nescio. Van de bundel zijn er pas in 1927 iets meer dan driehonderd stuks in omloop. De 'fluistercampagne'[17] die er zou hebben bestaan onder een groepje literaire fijnproevers met een zekere naam (o.a. Jan Greshoff, Adriaan Roland Holst, Jan van Nijlen, Bloem, Nijhoff, Van Vriesland, Van Leeuwen), die het werkje aan elkaar doorgeven en er mondeling hun bewondering over uiten, heeft blijkbaar weinig aan de situatie veranderd. Nescio blijft lange tijd "a writer's writer". Wanneer in februari 1929 (en nog eens opnieuw in oktober 1932) Nescio's pseudoniem wordt onthuld, nadat het meermaals verkeerdelijk aan ene Nico Eisenloeffel werd toegeschreven, trekt dat wel even wat aandacht. Maar hoewel de dichter J.C. Bloem Nescio in 1928 samen met Willem Elsschot "enkelen van onze voortreffelijkste prozaïsten" noemt, die "voor het eerst op de hun toekomende plaatsen moeten worden gezet" [18], zal het nog een hele tijd duren eer dat werkelijk gebeurt.

            Wanneer de bundel, mede dankzij Ter Braak, herdrukt wordt, verschijnen opnieuw enkele recensies, waaronder Ter Braaks lovende bespreking 'De 'binnenkant' van Tachtig en de charme van een 'buitenkant''.[19] Opnieuw prijst men het "nuchter, sobere, rake proza, dat altijd spreekt en nooit galmt of declameert, dat met de fijne ironie eener kritischen persoonlijkheid en echt Hollandschen humor het werkelijke leven met wijsgerige scherpzinnigheid en nauwkeurige woorden vertolkt"[20], "zijn uiterst persoonlijke lyrische dichterlijkheid" [21] en zijn talent "de ironie des levens" [22] te verstaan.

            Nescio zal echter tot in 1947 moeten wachten op een derde druk. Na dat jaar komt hij stilaan wat meer in de belangstelling te staan, ook omdat inmiddels het bundeltje Mene tekel is verschenen (in 1947 bij de Bezige Bij, met prozafragmenten die dateren van rond 1935). In 1954 dan, twee jaar voordat de schrijver zijn laatste woorden op papier zet, wordt zijn werk bekroond met de Marianne Philipsprijs.

            De jaren zestig vormen, met de publicatie van Boven het dal en andere verhalen (G.A. van Oorschot, 1961) een keerpunt in Nescio's receptiegeschiedenis. Vanaf dat moment volgen de herdrukken elkaar steeds sneller op, zien andere tot dan toe ongepubliceerde fragmenten en verhalen het licht, en wordt er stilaan vaker over hem geschreven. Bij dat laatste valt op dat het meestal om kortere en vaak erg subjectief gekleurde artikels gaat.

            Toch wordt er vandaag niet meer getwijfeld aan de grote waarde van Nescio's literatuur, wat in 1996 nog maar eens bewezen werd door de prachtig verzorgde uitgave van het verzameld werk, waarin we ook nooit eerder gepubliceerd proza (het Natuurdagboek, jeugdwerk, ontwerpen, voordrachten...) terugvinden. Voor de kwantitatieve beperktheid van secundaire literatuur over Nescio zijn overigens ook objectieve redenen aan te wijzen : de geringe omvang van het oeuvre, de krachtige eenduidigheid van Nescio's woorden die het prima kunnen stellen zònder uitleg, de kleine hoeveelheid relevante biografische gegevens.

   

[1] Onder de titel : 'De 'binnenkant' van Tachtig en de charme van een 'buitenkant''.  Ook  in : Over Nescio, p.43-46.

[2] C. Scharten, 'Hollandse fantasten'.  In : De Telegraaf, 27-4-1918. Ook in : Over Nescio, p.13.

[3] H. J. Stratemeyer, 'Nescio'.  In : De Avondpost (zondagsblad), 28-4-1918.  Ook in : Over Nescio, p.15.

[4] J. D. M. (J. De Meester), 'Nescio, Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes.  Haarlem, J. H. De Bois'.  In : De Gids, jrg.82 (1918), deel I, boek 2, juni.  Ook in : Over Nescio, p.18.

[5] H. Borel, 'Nescio.  Dichterje, Uitvreter, Titaantjes (J. H. De Bois, Haarlem)'.  In : De Loods, politiek, economisch, literair weekblad.  Orgaan van de Economischen Bond, 21-11-1918.  Ook in : Over Nescio, p.23 en 24.

[6] H. J. Stratemeyer, o.c.  Over Nescio, p.16.

[7] Anoniem (wrsch. J. De Meester), 'Nescio.  Haarlem, J. H. de Bois'.  In : Nieuwe Rotter-damsche Courant, 29-8-1918, Avondblad C.  Ook in : Over Nescio, p.20.

[8] K. A. (E. J. Korthals Altes), 'Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes door Nescio'.  In : Propria Cures, Amsterdamsch studentenweekblad, 5-1O-1918.  Ook in : Over Nescio, p.22

[9] Anoniem (wrsch J. De Meester), o.c.  Over Nescio,  p.20.

[10] S. (= J. M. Yssel De Schepper-Becker ?), 'Brieven over boeken'.  In : Wereld-Kroniek, waarin opgenomen De Week, jrg.26 (1919), nr.36, 6 december.  Ook in : Over Nescio, p.36.

[11] H. J. Stratemeyer, o.c.  Over Nescio, p.16.

[12] F. Coenen, 'Nescio, Dichtertje; De Uitvreter; Titaantjes'.  In : Groot Nederland, jrg.17 (1919), dl. I, mei.  Ook in : Over Nescio, p.32.

[13] H. Borel, o.c.  Over Nescio, p.24.

[14] A. Maas-Van der Moer, 'Nescio : Dichterje, De Uitvreter, Titaantjes'.  In : Vrije Arbeid, maandblad voor kunst, wetenschap en handel, jrg.5 (1919), nr.7, mei.  Ook in : Over Nescio, p.35

[15] Brief van 25 maart 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.4O3.

[16] Brief van 14 april 1919, o.c., p.409.

[17] N. Donkersloot heeft het daarover in : H. De By, Signalement Nescio.  Vara-televisie-programma, uitgezonden op 24-7-1964.  Ook in : Over Nescio, p.281-282.

[18] J. C. Bloem, 'Bij het lezen van een Nederlandsch boek.  Naar aanleiding van : 'Kerels', door Cyriel Buysse'.  In : De Gids, jrg.92 (1928), dl. II, afl. 1, april.  Ook in : Over Nescio, p.39.

[19] In : Het Vaderland, 26-11-1933.  Ook in : Over Nescio, p.43-46.

[20] Anoniem (wrsch. V. E. Van Vriesland), 'Vertalingen en herdrukken'.  In : De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28-11-1933.  Ook in : Over Nescio, p.48.

[21] Anoniem (wrsch. N. A. Donkersloot), 'Nescio'.  In : Critisch Bulletin, maandblad voor letterkundige critiek, jrg.5 (1934), januari.  Ook in : Over Nescio, p.52.

[22] P. H. Ritter Jr., 'Nescio. Dichtertje. De Uitvreter. Titaantjes'.  In : Utrechtsch Dagblad (avondblad), 17 februari 1934.  Ook in : Over Nescio, p.55.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina