Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Personages: Conclusies

   
   

 Conclusies

             Het mag duidelijk zijn geworden dat er tussen deze personages, die we representatief mogen noemen voor zowat alle figuren die we in Nescio's oeuvre ontmoeten, opvallende gelijkenissen bestaan. Of we het nu hebben over Bavink, Bekker, Japi of het dichtertje, voor ieder van hen geldt dat zij beheerst worden door een droom, een verlangen dat ze in hun leven niet kunnen waar maken. Zij voelen zich te kort gedaan door de hen omrigende burgermaatschappij, waartegen ze elk op hun manier proberen te vechten. 

            Het is die gemeenschappelijke afkeer van het bekrompen burgerbestaan die voor het grootste deel de basis vormt van de groepsvorming van de 'titaantjes'. Een samenvatting van hun levenshouding ligt al in die titel vervat, die ontleend is aan de Griekse mythe over het ontstaan van de wereld. Daarin zijn de Titanen de opstandige kinderen van Oeranos, god van de hemel, en Gaia, godin van de aarde.  Kronos, de jongste van hen, slaagt erin zijn vader van de troon te stoten en diens plaats in te nemen als heerser der wereld, om ten slotte samen met de meeste andere Titanen te worden verslagen door zijn eigen zoon Zeus, die de uiteindelijke oppergod wordt. Aan de benaming 'Titanen' kleven dus zowel de connotaties van opstand en overwinning als van verlies. De vriendenkring uit Nescio's verhalen is een gelijkaardig lot beschoren. Zij willen de heersende burger van de troon stoten, slagen erin zich verheven te voelen, maar zijn op het eind toch de verliezers. Betekenisvol is bovendien het diminutief 'titaantjes', dat aanduidt hoe klein hun daden van verzet in wezen zijn.  Bavink, Bekker, Koekebakker, Hoyer en Kees zijn geen geweldige hemelbestormers, maar "aardige jongens", bij wie de revolte zich grotendeels in hun hoofden afspeelt: "O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken, waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden." (p.48). Uiteindelijk zijn het allemaal slechts dromers, en is geen van allen in staat zijn dromen om te zetten in realiteit. 

            Het vage verlangen waaronder deze personages lijden en de behoefte zich te distantiëren van de burgermaatschappij wordt bij verschillende van hen vertaald in een artistiek ideaal. Het extreemste voorbeeld treffen we aan in de figuur van Bavink.  Als geen ander zet Nescio hier het type van de gekwelde kunstenaar neer. Voor Bavink is schilderen de enige manier om te overleven, zodat hij niet meer leven kan wanneer de ontmoediging de bovenhand krijgt en duidelijk wordt dat dit schilderen het verlangen dat hem kwelt (en in dit geval voortkomt uit een intense natuurbeleving) niet kan verdrijven. Door middel van Bavink demonstreert de auteur waartoe het leiden kan wanneer men niet in staat is de eigen artistieke beperkingen te relativeren.

              Bavink staat tegenover Hoyer, Koekebakker en Bekker, die ook niet vrij zijn van artistieke neigingen, maar hier op een veel minder obsessieve manier mee bezig zijn.  Zij ontsnappen dan weer niet aan een intrede in het burgerleven. De enige die daar goed mee kan leven is Hoyer, die dan ook van het begin af aan veeleer als contrastpersoon fungeert.  Met zijn opschepperij en burgermanstrekjes wordt hij negatief getekend en illustreert het type van de 'onechte kunstenaar', wie het eigenlijk om het succes en het geld te doen is.

            Het thema van het gekwelde kunstenaarsschap en vooral van de botsing met de burgerwereld wordt opnieuw uitgewerkt in Dichtertje, waar we in de grond te maken hebben met een herhaling van het titaantjesmotief: het dichtertje Ee overwint samen met Dora enkele kortstondige ogenblikken de 'God van Nederland', om uiteindelijk het slachtoffer te zijn.

            Naast een artistiek ideaal leeft onder vele figuren van Nescio, op zijn minst voor enige tijd, een sociaal ideaal. Ze hebben vlagen waarin ze het tekort waaronder ze lijden menen te kunen opvullen door zich in te zetten voor een rechtvaardiger wereld. Maar ook van déze droom komt weinig terecht. De vrienden in Titaantjes zitten wel urenlang te discussiëren, maar komen niet veel verder dan dat ze de bestaande maatschappij afbreken ("Daar zaten we dan en lieten niets heel." p.46): een waardevol alternatief wordt niet gevonden. Bekker, Kees en Koekebakker overwegen wel even om in de kolonie van Frederik van Eeden te treden, maar als ze er een kijkje gaan nemen, doet de aanblik van "een heer, in boerenkiel, met dure gele schoenen" (p.51) hen daarvan afzien. Enkel Hoyer heeft een welomschreven levensbeschouwing en verdedigt vurig de 'sociale taak van de kunstenaar', maar hij is uiteindelijk de eerste om aan een gezeten burgerbestaan te beginnen. Ook uitvreter Japi heeft een socialistische periode, maar komt al gauw tot het inzicht dat het geen zin heeft zich 'te sappel te maken'.

            Over de titaantjes wordt ook gezegd: "En verliefd waren we." (p.49).  Van een actief liefdesleven is al evenmin sprake. Wanneer Bekkers geliefde schoolmeisje niet meer opduikt, besluit hij: "''t Is beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken.'" (p.5O).  Bavink heeft een tijdlang wat met een zekere Lien, maar dat loopt af omdat ze "in beteren doen" (p.130, Buiten-IJ) geraakt. De verteller van Titaantjes klaagt op een bepaald moment dat hij en zijn vrienden nergens mee opschoten, "ook al bewonderde je de meisjes alleen maar uit de verte en liet je hun bekjes zoenen door anderen, door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten aardig. En wij waren armoedzaaiers." (p.50-51).

            Het is duidelijk dat Nescio's personages eerder toeschouwers zijn dan actieve helden. Wat dat betreft passen zij dus goed in een modernistische literatuurstroming. In de verhalen van Nescio gaat het dan ook niet om ingrijpende handelingen, maar veel meer om gedachten en gevoelens. Japi, Bavink, Bekker enz. zijn buitenstaanders, die niet in staat zijn een actief leven te leiden.  Ze horen er niet bij, dus kijken ze maar toe. Japi probéért in De uitvreter wel op een zinvolle manier aan het leven deel te nemen, maar dit mislukt, zodat hij tenslotte niets beters te doen vindt dan zijn tijd te 'verstaren'. Het is niet verwonderlijk dat er in Nescio's literatuur heel wat wordt 'gekeken':

"En toen merkte Bavink al gauw dat Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook." ( De uitvreter, p.12)

"'k Loop liever bij den weg en kijk naar de menschen en de wagens en de huizen." (De uitvreter, p.26)

"'Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten,' zei Bavink en keek naar de  lucht. (...) 'Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten te verlangen zonder te weten waarnaar.'" (Titaantjes, p.47)

"'Wat zou jij dan willen?'

'Kijken... en denken... en schrijven,' zei ze en bloosde heel even... 'tenminste als je dat kunt.' (Dichterje, p.102)

            In de waarneming van Nescio's figuren herkennen we bovendien duidelijk de blik die ten grondslag ligt aan het Natuurdagboek, met andere woorden die van Grönloh zelf: wat de medemens betreft vaak spottend, wat de natuur betreft vol aanbidding. Zoals we verderop nog zullen zien, is dit talent tot kijken overigens lang niet het enige dat de personages van hun schepper hebben 'geërfd'.

            H.A. Gomperts merkt in 1963 op dat Nescio zijn figuren "niet de veelkantigheid (heeft) gegeven van romanpersonages", want "(...) zij zijn deel gebleven van het landschap. (...) Zijn personen zijn ondergeschikt aan zijn streven om door een landschap (waar die personen bijhoren) een sfeer, een stemming op te roepen." [1] Het klopt dat de meeste personages niet volledig worden uitgediept en we hen slechts in beperkte omstandigheden ontmoeten. De 'titaantjes'-vrienden kennen we slechts van tijdens hun bijeenkomsten en van het bezoek dat Koekebakker hen brengt na een hiaat van zes jaar.  Koekebakker zelf is in de eerste plaats verteller en houdt zijn eigen levensgang voor het grootste deel op de achtergrond. Ook bij de beschrijving van de lotgevallen van Japi, nochtans een personage dat, wat uitzondelijk is bij Nescio, een hele ontwikkeling doormaakt, blijft er heel wat in het ongewisse. Het dichtertje Ee benadert van allen nog het meest een romanpersonage : hem leren we kennen als kunstenaar, als verliefde, als echtgenoot, als zakenman, tot aan zijn krankzinnigheid - hoewel ook hier niet bij alle facetten van zijn leven even lang wordt stilgestaan.

            Hoewel Nescio veel aandacht besteedt aan wat er omgaat in de hoofden van zijn personages, krijgt de lezer geen expliciete psychologische verantwoording van hun daden aangereikt. In een hoofdstukje over het vertelstandpunt in Nescio's verhalen zal hier nog nader op worden ingegaan. Enigszins vooruitlopend kan al worden opgemerkt dat de schrijver ook wat dit aspect betreft modernistisch kan worden genoemd.  Anders dan in de traditioneel realistische vertelwijze leert de lezer het karakter van de figuren slechts kennen vanuit hun woorden, gedachten en handelingen. Nu is de auteur er desondanks langs deze weg bijzonder goed in geslaagd een aantal uiterst sterke persoonlijkheden tot leven te wekken. Dat komt vooral door de opvallende aandacht voor het bewustzijn die we in Nescio's verhalen aantreffen. Meer dan eens krijgt de lezer de mogelijkheid  volledig binnen te dringen in de gedachtenwereld van de personages. We moeten maar denken aan Koekebakkers reflecties op de brug over de spoorweg in Rhenen in het achtste hoofdstuk van Titaantjes, aan Japi's monoloog in het laatste hoofdstuk van De uitvreter, aan het 'eindeloze gedicht' van Ee in Dichtertje, of aan de nauwkeurige weergave van het bewustwordingsproces van Dora.

            Opvallend is verder Nescio's voorkeur voor de beschrijving van jonge personages, die nog volop zoeken naar een juiste levenshouding en nog niet vastgeroest zitten in bepaalde denkpatronen. Dit 'nog op zoek zijn' wordt bovendien duidelijk hoger geschat dan de toestand waarin men meent de waarheid in pacht te hebben. Meermaals maakt Nescio schampere opmerkingen over de "nette heeren" die eruitzien "alsof ze 't nog altijd enorm goed witen" (Titaantjes, p.60). Op de negatief getekende Hoyer na zijn Nescio's titaantjes twijfelaars. Vooral Koekebakker blinkt uit in scepticisme, ook nog wanneer zijn jeugdjaren ver achter hem liggen, een karaktertrek die hij met de auteur gemeen heeft. Deze noteert in het korte stukje Dit jaar uit de bundel Mene tekel in 1943 de bekend geworden zinnen : "Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd.  'Het leven heeft me veel geleerd,' zegt de oue sok." (p.147). Deze verregaande onzekerheid kan, net als de interesse voor bewustzijnsprocessen en de keuze voor jonge figuren, als modernistisch worden opgevat.

            In het verleden heeft men aangetoond hoe Nescio verschillende van zijn personages geschapen heeft naar levende modellen. In 1959 onthult de schrijver aan Nol Gregoor dat Bavink, Bekker en Kees teruggaan op jeugdvrienden, terwijl Hoyer grotendeels verzonnen is. Ook Japi zou een product van Nescio's verbeelding zijn, wat menigeen als gevolg van de grote levensechtheid van deze figuur sterk heeft verbaasd. Sommigen weigeren geloof te hechten aan het fictieve karakter van de uitvreter, en zochten hardnekkig verder naar een model uit het leven. Mij lijkt het echter logischer een verklaring voor Japi's levensechtheid te zoeken in diens nabijheid tot de auteur. Ik heb het hier niet zozeer over gelijkenissen die het uiterlijke leven betreffen (Grönloh heeft natuurlijk nooit een dergelijk uitvretersbestaan geleid), als wel over gelijkenissen die het gevoelsleven aangaan. Zoals verderop nog zal worden aangetoond is het erg aannemelijk Japi (en dan in de eerste plaats de Japi-figuur zoals we hem bij aanvang van het verhaal leren kennen) als een soort ideaalbeeld van de auteur te beschouwen, als een verpersoonlijking van diens levensvisie. Japi staat daarom wat apart in de verzameling Nescio-figuren en kan niet écht een titaantje worden genoemd.

               Niet enkel Japi heeft karaktertrekken van zijn schepper meegekregen, Nescio's aanwezigheid kan worden gevoeld in vrijwel alle personages. Natuurlijk moeten we op onze hoede blijven voor een al te simplistische identificatie van verteller of personage met auteur, en mogen we niet vergeten dat deze laatste door de keuze van een pseudoniem bewust een veilige afstand heeft willen bewaren tussen zijn privé-leven en de vruchten van zijn pen.  Wie echter enigszins vertrouwd is met de biografie van Grönloh, kan moeilijk over het hoofd zien dat al wat deze heeft geschreven onmiskenbaar in nauw verband staat tot het eigen leven. Ook Grönloh was een bezeten natuurminnaar, verkeerde op jeugdige leeftijd in een milieu van wereldhervormers, bracht tegen zijn zin veel tijd door op kantoor en verachtte het laag-bij-de-grondse burgerwereldje. Tot in de details toe vinden we hier sporen van in zijn literatuur.  Zelfs zozeer, dat zijn vrouw er zich geďntimideerd door voelde! Wanneer in 1963 naar haar mening over Dichtertje gevraagd wordt, antwoordt ze: "Meneer, dat heb ik nooit willen uitlezen. Die Dora dat is MIJN zusje. Ik zeg tegen pappie: 'Nou , dat vind ik nou niet leuk van je pappie, je hebt ons hele huis er ook in beschreven! Nee ik vind het niet leuk.'" [2]

            Meestal beschouwt men het vertellerspersonage Koekebakker als het evidente alter ego van de schrijver. Niet voor niets ondertekent hij in 1907 met deze naam zijn verhaal Venloër Grensbode (een pseudoniem dat hem afgeraden werd en weldra vervangen door 'Nescio'). Significant is bijvoorbeeld ook de afwezigheid van de naam 'Koekebakker' in de volgende opmerking uit de inleiding van Boven het dal: "'Buiten-IJ' dateert van 1914, toen mijn hoofd nog vol was van Bekker, Bavink, Hoyer en Kees. 'Titaantjes' was toen al een half jaar voltooid, maar zij wilden mij niet verlaten." (p.153). Het personage Koekebakker, vanwege zijn relativerende geest en nuchtere kijk op de dingen bijzonder geschikt als verteller, vertegenwoordigt inderdaad een belangrijk deel van Nescio's persoonlijkheid, maar naar mijn gevoel toch niet het geheel. Zo vinden we van de hele problematiek van het moeizame kunstenaarschap, die toch wel een niet te onderschatten rol speelt in het leven van Nescio, bij Koekebakker niets terug. Hiervoor moeten we eerder naar bijvoorbeeld het dichtertje gaan kijken.

            Hoewel ik hierboven H. A. Gomperts gelijk gaf wat betreft het gebrek aan uitdieping van Nescio's personages, ben ik het niet met hem eens wanneer hij hun rol beperkt tot een bijdrage aan de sfeerschepping. Nescio's verhalen gaan dieper dan dat; ik zie zijn personages eerder als dragers van een complexe thematiek en sluit mij liever aan bij Lieneke Frerichs' overtuiging, dat de schrijver hen gebruikt om "te onderzoeken waar een bepaalde levenshouding, tot in het extreme uitgewerkt, toe leiden zal" [3]. Op die manier zouden zij "bepaalde mogelijkheden verbeelden die de schrijver voor zijn persoonlijk leven niet kiezen kan, of niet kiezen wil."

            Schrijvend is Nescio in wezen op zoek naar een oplossing voor de conflicten en spanningen die zijn eigen leven kenmerken, en die grosso modo neerkomen op de frustrerende tegenstelling tussen wat hij heeft verlangd en wat hij heeft bereikt. Dat hij zijn verlangens niet in daden heeft kunnen omzetten is een gevolg van de diepgaande twijfel die zijn karakter typeert (en die de schuilnaam Nescio, 'ik weet niet', in zich verbergt), een twijfel die hem steeds heeft verhinderd radicale keuzes te maken en geleid heeft tot een weinig spectaculair, vrij eentonig bestaan, waarin hij vermoedelijk veel tegen zijn zin heeft gehandeld.

            Dat Nescio zijn stof put uit zijn eigen ervaringswereld geeft hij zelf toe in De profundis, waar hij zijn schrijverschap vergelijkt met het bouwen aan een kathedraal:

"Uit mijn oneindige droefenis en mijn matelooze verteederingen, uit m'n lijfelijke zelf bouw ik m'n cathedraal Wat U verheugt, heeft mij vermagerd en verteerd, op den berg heb ik U gevoerd en U kijkt over de vallei der liefelijkheden. Daar op gindschen top aan de overzijde rijst mijn cathedraal, die ik nooit zal voltooien. Maar den afgrond van waanzin achter mij heeft U niet gezien, ongemerkt heb ik U daar langsgeleid en och, dat was immers ook juist wat ik wilde.

Uit niet te kunnen wat ik wil, uit niet te willen wat ik kon, uit te verlangen naar wat ik niet heb en naar wat ik niet ben. En uit niet te begeeren wat ik heb en niet te willen wezen waar ik ben, uit weemoed om 't verleden, dat voorbijging en eerst daarna werd begrepen en wachten op wat komen zal en nooit komt -. Uit mijn gruwzame melancholie en mijn ijzige eenzaamheid, uit al deze dingen die mij hadden kunnen verderven, zooals ze velen verdorven hebben, uit al deze dingen bouw ik mijn cathedraal. En mijn cathedraal staat daar als enkel vreugde, zij blinkt in de zon met haar beide torens, onvoltooid om steeds hooger te rijzen." (p.548)

            Dat hij hier in een later geschreven vervolg ontnuchterend aan toevoegt "Ik hoop dat U van het vorige hoofdstuk geen woord geloofd heeft.O zoo, nee maar, dan ben ik weer gerust." (p.550) hoeft het waarheidsgehalte van de voorgaande onthullingen niet op losse schroeven te zetten, maar wijst ons eens te meer op de complexiteit van Nescio's persoonlijkheid, die tegenstrijdige karaktertrekken in zich verenigt. Precies die innerlijke verscheurdheid ligt aan de basis van de problematiek die in zijn verhalen naar voren komt.  Daarvoor gebruikt hij zijn personages die, zoals we hebben gezien, heen en weer geslingerd worden tussen kunstenaars- en burgerleven, tussen engagement en passiviteit, tussen nuchter scepticisme en een romantisch levensgevoel. Op deze spanningen en innerlijke tegenstellingen wordt verder ingegaan in het volgende hoofdstuk, waar wordt aangetoond hoe zij ten grondslag liggen aan de ironie die zo opvallend aanwezig is in Nescio's literatuur.

   
[1] H. A. Gomperts, 'Nescio'.  In : H. A. Gomperts, De geheime tuin. Amsterdam, Van Oorschot, 1963.  Ook in : Over Nescio, p.77.
[2] C. Jaspars, 'Brief over Nescio'.  In : Hollands Maandblad, jrg.5 (1964), nr.198, januari.  Ook in : Over Nescio, p.272.
[3] L. Frerichs, o.c., p.225.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina