Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Ironie: Tussen kunstenaar en burgerman

   
   

Tussen kunstenaar en burgerman

            Nergens heeft Nescio de gespletenheid die zijn leven kenmerkt, en die de kern van zijn thematiek uitmaakt, zo meesterlijk verwoord als in de korte allegorie Het dal der plichten waarmee hij de bundel Boven het dal laat beginnen:

"Ik zit op de berg en kijk in het dal der plichten. Dat is dor, er is geen water, het dal is zonder bloemen en boomen. Er loopen veel menschen door elkaar. De meesten zijn wanstaltig en verwelkt en kijken voortdurend naar den grond. Enkelen kijken nu en dan op en dan schreeuwen zij. Na enigen tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zij beter?

Ik rek mij uit en kijk op langs mijn armen naar de blauwe lucht. Ik sta in het dal op een pleintje van zwarte sintels, bij een kleine stapel afbraakplanken en een onbruikbare waschketel. En ik kijk en zie me zelf zitten, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht." (p.151)

            Veel te veel tijd heeft Grönloh moeten doorbrengen in dit droevige dal van het eentonige burgerbestaan, een wereld waarin iedereen opgejaagd is en over allerlei onbenulligheden loopt te piekeren. Meer dan een ander lijdt hij hieronder, omdat hij er niet in slaagt bevrediging te putten uit kwesties als het carričre-maken, maar zijn verlangens zich situeren op een hoger niveau. Het lijkt geen toeval dat Grönloh in 1937 wegens nervositeit en chronische hoofdpijn moet aftreden als directeur van de Holland-Bombay Trading Company.        

            Zakenman aan de buitenkant, heeft Grönloh vanbinnen nooit afstand kunnen nemen van zijn kunstenaarsziel. Wel heeft hij altijd enorm zijn best gedaan om beide aspecten van zijn leven strict gescheiden te houden, en hij is daar  ook grotendeels in geslaagd. In zijn eerste brief aan Agnes Maas-Van der Moer schrijft hij: "'k Ben, schrikt U niet, procuratiehouder, ja waarachtig, in een exportzaak op Britsch Indië en Afrika. Laat dat tussen ons blijven. U weet nu 't ergste." [1] Tientallen jaren heeft niemand geweten wat voor persoon er schuilging achter het pseudoniem 'Nescio'. Aan de andere kant houdt Grönloh op kantoor zorgvuldig verborgen dat hij literatuur publiceert, uit angst niet meer au-sérieux te worden genomen bij zijn werk.

            Beide levens lijken onverzoenbaar, en toch houden ze elkaar ook in evenwicht.  Dankzij zijn schrijverschap weet Grönloh zich te verheffen boven het bekrompen bestaan in het dal: het helpt hem niet te gronde te gaan. Verlangend naar het eeuwige leven rekt hij zich uit en kijkt langs zijn armen op naar de eeuwige oneindigheid van de blauwe lucht.  Nescio heeft vertrouwen in de duurzaamheid van zijn literatuur ("(...) dan zie ik heel duidelijk, dat die heeren al lang in hun dure familiegraf zullen liggen (...), als m'n onvoltooide cathedraal nog schittert in de zon, enkel vreugde." De Profundis, p. 550 ), maar het leven als schrijver is moeizaam en vaak ontmoedigend, de vruchten van zijn pen te schaars om van te leven, zodat een regelmatig verblijf in het dal niet valt te ontlopen. In de eerste versie van Titaantjes staat als een verklaring voor de krankzinnigheid van de schilder Bavink: "Hij had geen kantoortje om naar te vluchten." (p.494). Het burgerleven, in Nescio's literatuur voortdurend beschreven als kwelling, blijkt dus net zo goed een middel te zijn om er niet onderdoor te gaan! Het is een manier om tijdelijk afstand te nemen van de grote kunstenaarsidealen, die in wezen niet samengaan met het normale leven van alledag.

            Eén van de eerste geschriften waarin Nescio uiting geeft aan zijn afkeer van het burgerbestaan dateert uit de tijd waarin hij (rond 1900) als jongeman zijn entree maakt in de zakenwereld. In het satirische stukje De X Geboden laat hij 'Carričre' aan het woord, "god door de eeuwen, die de wereld heb verpest en verkankerd door mijne almacht." (p.292).  Met vlijmscherpe ironie doorziet de schrijver hier de hypocrisie en geldzucht die ten grondslag liggen aan de idealen van de maatschappij waarin hij leeft. 'Carričre' is een god die aanzet tot "huichelen en knoeien" (p.291). "Want waardigheid is niets en geld is alles en een arme is een schooier en een rijke een heer en de wereld vraagt slechts naar centen." (p.290)  In dit vroege schrijfsel van Nescio vinden we meerdere aspecten uit zijn latere werk reeds in de kiem terug: het misprijzen voor de gewichtige 'heren' ("de zaligheid ligt in de pandjesjas" p.290), voor de valse moraal en het belang dat gehecht wordt aan uiterlijke schijn ("Alzoo zult ge de massa in bedwang houden door fatsoen, door geloof, door politiekerij, door boekjes, scholen, dominees en kranten." p.291), voor de hypocrisie die schuilgaat onder zogenaamde goede daden ("(...)'t voorzitterschap van 'Liefdadigheid' geeft aanzien." p.291). Het werkje lijkt gedeeltelijk te zijn voortgekomen uit een ontevredenheid van de auteur over zichzelf, die eigenlijk zelf stilaan begint toe te geven aan een dergelijk leven en zijn "kapotte jasjes" en "steenen pijpjes " (p.290) heeft ingeruild voor de pandjesjas.  Het laatste gebod lijkt haast eenduidig betrekking te hebben op zijn eigen houding die hij aanneemt op kantoor: "Maar dit zeg ik U, laat nooit zien wat ge wilt noch wie gij zijt maar werk in stilte." (p.291).

            Een gelijkaardige ironische vergoddelijking van de principes der burgermaatschappij gebeurt zo'n zeventien jaar later in Dichtertje, waar de moraal van fatsoen en uiterlijke schijn optreedt in de figuur van de 'God van Nederland'. Dat diens rol in het verhaal niet onderschat mag worden, blijkt reeds uit het feit dat hij meteen al optreedt in de openingszin : "Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardige hoofd en tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer over z'n vest." (p.75). Hoewel  hij verder nog maar een paar maal in levenden lijve opduikt, is het hele verhaal doordrongen van zijn benauwende aanwezigheid.

            In zijn uiterlijk herkennen we een karikatuur van de gezapige, oudere burgerman: "Op de beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed, z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos, z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen." (p.77). In deze spottende beschrijvingen maakt God een uitermate aardse indruk, die weinig ontzag inboezemt: "Nu heeft hij een zakdoek op z'n boordje gelegd, voor 't zweeten. Z'n wandelstok zetti een heel eind van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee." (p.91). De God van Nederland gedrŕŕgt zich ook naar de rol van gezeten burger: hij zit bijvoorbeeld "alleen in een coupé eerste klas" (p.79) en is druk in de weer met rapporten en dossiers.

            In de beschrijving van hoe de God van Nederland tegen het dichtertje aankijkt, legt Nescio de kleinburgerlijke, bekrompen manier om over literatuur te denken bloot, waar hij zelf meer dan eens mee geconfronteerd zal zijn geworden. Ten eerste wordt de stereotypering van de kunstenaar op de korrel genomen: "'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn.  Een dichter met nergens haar, dat was heel vreemd." (p.75). Verder de conservatieve en fatsoensrakkerige smaak: "Sedert dertig jaar hield de God van Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs." (p.75). Het is niet moeilijk hier een allusie te herkennen op de Beweging van Tachtig, die zo'n drie decennia voordat Nescio zijn verhaal schreef de Nederlandse literaire traditie aan het wankelen bracht. Het is dan ook niet toevallig dat God besluit "er morgen eens met Potgieter over (te) spreken" (p.75). Hij grijpt terug naar de literaire norm vňňr de vernieuwing, vertegenwoordigd door Potgieter, die in zijn tijdschrift De Gids burgerlijke idealen predikt als godsdienstige ijver, vaderlandsliefde en plichtsbetrachting. 

            Naast Potgieter sympathiseert de God van Nederland ook met 'de keizer', waarmee hoogst waarschijnlijk de megalomane Wilhelm II van Duitsland bedoeld wordt: " Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had 't nog onlangs weer gezegd: 'Der Tüchtigkeit ist die Welt."  (p.76). Op die manier illustreert hij ook de redeneerwijze van de massa, die, in plaats van zelf kritisch na te denken, krampachtig vasthoudt aan de mening van een aantal autoriteiten.   

            Een expliciete karakterisering van de God van Nederland wordt in het eerste hoofdstuk gegeven door de duivel, die ook in het verhaal rondloopt: "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je baas z'n boekhouder en van de gérant van de "Nieuwe Karseboom". De God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't huis van je baas kwam (...), ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante, die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen: "Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je later in 't werkhuis moet. De God die niet hebben kan, dat je 's Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in 't boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je te veel naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben dan werken of vervelen. (...)" (p.78-79). Vermoedelijk is het grotendeels omwille van deze passage dat Nescio zijn verhaal niet gepubliceerd krijgt in Groot Nederland: de redacteurs Frans Coenen en Louis Couperus zijn geschokt door deze brutale bespotting van algemeen aanvaarde waarden.  Terecht wordt in 1919 gewaarschuwd dat Nescio's verhalen "lachen met wat voor velen heilig is" [2]. Via ironisering laat de schrijver zien welke bekrompen inhoud religie en moraal gekregen hebben: alleen al de toevoeging 'van Nederland' wijst op de beperktheid van de God die men aanbidt.

            Nescio's ironische kritiek wordt nog scherper, doordat hij deze God van Nederland tegenover "den echten God van hemel en aarde" (p.88) plaatst. Ook deze laatste wordt tot op zekere hoogte gepersonifieërd (in het zesde hoofdstuk bijvoorbeeld kijkt hij "even op van z'n eeuwige contemplatie der eeuwige landen en zeeën" p.92) en bewondert glimlachend de prille schoonheid van Dora) maar dat gebeurt veel minder oneerbiedig, eerder vriendschappelijk. Veelbetekenend is ook dat deze ware God zich hoog boven de aarde bevindt, terwijl de God van Nederland meestal over de begane grond loopt te wandelen en zich heel aards gedraagt. 

            Zoals gezegd duikt ook de duivel op in het verhaal. Hém kunnen we interpreteren als het verlangen te ontsnappen aan de beperkingen opgelegd door de God van Nederland, wat ondermeer duidelijk wordt in de scčne waar hij zit te lonken naar Coba, het fatsoenlijke vrouwtje van het dichtertje. Het probleem van het dichterje ligt daarin, dat niet enkel de God van Nederland hem in zijn macht heeft, maar ook de duivel ("De duivel hattem leelijk te pakken." p.76), wat hem vanbinnen verscheurt en zorgt dat hij "zich kwaad (maakte) op God en de duivel tegelijk en zei datti idioot werd en datti nog eens met open mond kwijlen zou, een leeren slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist." (p.76-77). Een bevrijding uit de greep van de God van Nederland blijkt enkel mogelijk door zich ondergeschikt te maken aan de duivel.  Op die manier wordt Dichtertje een "Faust-drama in miniatuur" [3]: de hoofdpersoon verkoopt zijn ziel aan de duivel, om zich te bevrijden van de begrenzingen van het alledaagse leven.  

            Meteen nadat het dichtertje  aan het eind samen met Dora "peilloos diep door 't licht" (p.114) is gevallen, wordt de duivel opnieuw ten tonele gevoerd, die zijn overwinning registreert: "De Duivel zat in 'de Kroon', in 't midden, bij een pilaar. Hij legde z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.

'Kwart over achten. Consummatum est.'

Iemand tikte op z’n schouder. De God van hemel en aarde stond achter hem: 'Consummatum est, ga mee en zie.'" (p.115). In deze provocerende scčne lijkt het wel of duivel en God van hemel en aarde aan dezelfde kant staan! Nergens heeft Nescio dan ook zo'n vlijmscherpe kritiek geuit op de samenleving als in deze ironische Faust-variant.[4]

            Maar ook in zijn andere verhalen kan Nescio het niet laten zijn misprijzen te laten merken over "'t welwillende beschaafde Hollandsche publiek" (De uitvreter, p.13). Via terloopse, ironische opmerkingen van de verteller, als:

"'Apropos,' zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met burgermanstermen)." (De uitvreter, p.34)

"Tegenwoordig groetti-me heel beleefd en noemt me 'mijnheer Koekebakker, omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien." (Titaantjes, p.46)

"'Ik hoop dat je 't dan beter treft.' Ik wist dat-i dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui, waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren." (Titaantjes, p.66)

            Meestal blijft het daar echter niet bij, want Nescio kan bijzonder op dreef raken over dit onderwerp. Een voortdurend motief doorheen zijn oeuvre is dat van de 'heren'. In Titaantjes maken zij de kern uit van het andere, vijandige kamp, waartegen het groepje vrienden zich afzet. In dit verhaal speelt de tegenstelling tussen de goede 'wij' en de foute 'zij' een erg belangrijke rol. Al in de eerste alinea wordt deze dualiteit aangeduid: "We zouden wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. Alle andere menschen waren 'ze'. 'Ze' die niets snapten en niets zagen." (p.43). Wie er in de eerste plaats bedoeld worden met die verachtelijke 'andere mensen' wordt uitgewerkt in de hoofdstukken drie en negen, die bijna in hun geheel gewijd zijn aan het conflict tussen 'wij' en 'zij'. Daarbij ontmoeten we een passage die sterk herinnert aan de allegorie Boven het dal: "Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren, die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld hebben gebracht." (p.48).

            Nescio ergert zich vooral over de nerveuze bedrijvigheid van deze mensen, hun fixatie op allerlei onbenullige en onbegrijpelijke aangelegenheden. De 'heren' zijn zij die in het 'dal der plichten' door elkaar lopen en "voortdurend naar den grond kijken" (p.151). Hun blik is uitsluitend gericht op hun eigen gewichtige bezigheden, omdat die hen het gevoel geven "dat ze vrijwel geslaagd waren in 't leven." (Titaantjes, p.60). Zij zijn geen eeuwige twijfelaars als de 'titaantjes', maar zien eruit "alsof ze 't nog altijd enorm goed wisten" en "met alles in 't reine " (p.60) zijn: "Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest, en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een meid. Het kwam allemaal nog precies uit." (p.61). Net als de hierboven beschreven God van Nederland denken zij in duidelijk afgebakende categorieën en gaan iedere vorm van nuancering uit de weg, daar dit het einde zou kunnen betekenen van hun geruststellende gevoel van superioriteit. Hun voornaamste bevrediging putten ze immers uit het neerkijken op mensen die het minder ver hebben gebracht: "En ze waren knap, veel knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was, een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is." (Titaantjes, p.49). Op hoe weinig dit superioriteitsgevoel uiteindelijk gestoeld is, wordt ondermeer aangeduid in het negende hoofdstuk van Titaantjes, waar Koekebakker zich de vraag stelt of ze, wanneer ze "naakt zouden aankomen voor de rechtbank des heeren" " hun stomme aplomb zouden bewaren, (...) zonder hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten, die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?" (p.62)

            Ook nog tijdens het leven lijkt het overigens niet altijd even gemakkelijk een dergelijke 'heer' te zijn. Want de prijs die zij moeten betalen voor hun hooghartigheid is een voortdurende bezorgdheid om allerlei kleinigheden die hun imago aan het wankelen zouden kunnen brengen. Nescio stelt hen daarom dikwijls voor als 'tobbers':

"Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet doen hierom en dit moesten ze laten daarom." (De uitvreter, p.39)

"En terwijl de meeste lui die ik gekend heb (...) wat geworden zijn in de maatschappij (...) en eeuwig ergens over in de penarie zijn begonnen te zitten en altijd haast begonnen te krijgen om ergens te komen en nooit ergens belandden, (...)" (Een goeie jongen, p.397)

            De 'titaantjes' en andere personages van Nescio kennen dan ook meestal geen erbarmen in hun beoordeling van dit soort mensen, noch in hun plannen zich te wreken: "We schreven een massa lui op, die er aan zouden moeten gelooven op den dag van de revolutie. Die met hun huizen en goed en hun heelen aanhang zouden verdelgd worden." (Venloër Grensbode, p.376).Toch kennen zij daarnaast ook vlagen van plotse verdraagzaamheid.  Tijdens momenten van genoeglijke tevredenheid: "In den laten namiddag zaten we aan den driesprong in Overveen achter onze borreltjes, terug in de beschaving en werden goedig. (...) En we vonden, dat we die lui ook maar moesten laten leven. Neen, we zouden ze niet uitroeien, als 't zoo ver was." (Een lange dag, p.140). Of tijdens momenten van inzicht in de eigen kleinheid: "Bavink (..) zei (...) dat we eigenlijk niet veel beter waren dan al die andere lui, en ik geloof dat-i daar heel na aan de waarheid was." (Titaantjes, p.45). Ze worden immers zelf langzaam maar zeker aangetast door de burgerlijkheid: "En hoe i een dophoed had gekocht, een schrijver en een wereldhervormer is toch ook maar een kantoorbedientje dat niet buiten z'n salaris kan." (Insula Dei, p.185).

            Dit nederige besef "niet buiten z'n salaris"  te kunnen leidt tot een relativering van de eigen verheven idealen, zodat in Nescio's verhalen ook de kunstenaar niet gespaard blijft van ironische kritiek. Wellicht het duidelijkste voorbeeld daarvan treffen we aan in het vroege geschrift  'Geachte Redactie', daterend uit 1907. In dit ontwerp van een brief gericht aan de redactie van De Pionier, protesteert Grönloh onder zijn eigen naam tegen het voor hetzelfde tijdschrift bedoelde verhaal Venloër Grensbode, dat een soort voorstudie is van De uitvreter, ondertekend met 'Koekebakker'. Daar Venloër Grensbode werd geweigerd door De Pionier, mogen we aannemen dat de brief nooit is verstuurd.

            In 'Geachte Redactie' doet Grönloh zich voor als een broodnuchter iemand die de ware aard van de zogenaamd gekwelde artiest helemaal doorziet. Hij richt zich tot "mijnheer Koekebakker" met de vraag "wat i eigenlijk met dat malle artikeltje van 'm wil." (p.381). Hij betreurt het feit dat De Pionier niets beters te leveren heeft dan "een dergelijk onbenullig verzinsel van een bekrompen gevoelsmenschje met heel kleine aspiraties, vermoedelijk een kantoorschrijver die niet verder ziet dan de toppen van de populieren van een Amsterdamsche binnensbloksche tuin en de schoorsteenpotten en 't zinken platje van de huizen aan den overkant" (p.381). De verheven kunstenaar wordt van zijn voetstuk gehaald en ontmaskerd als "een mijnheer met zwakke zenuwen, een benauwd salaris en benauwd gemoed, die weken zit te soezen over dien eenen Zondag toen i in Nijmegen de zon heeft zien ondergaan." (p.381). De briefschrijver geeft toe zelf ook wel eens een artikeltje te hebben geschreven en naar aanleiding van het bescheiden succes daarvan te hebben rondgelopen "met een fluweelen jasje (...) en een slappen hoed met een enormen rand"  en "met een keep en een garen fladderdas" (p.382-383). "Bleef ik niet sedert af en toe plotseling in extase staan, mijn hoofd schuin en mijn oogen half dicht, staan te kijken naar niets?" (p.383). Na deze karikaturale voorstelling van het kunstenaarschap probeert de schrijver er Koekebakker van te overtuigen dat hij zijn hoofd beter bij de handel houdt, en raadt hem aan verder genoegen te putten uit "'t respect van Uw slager, Uw melkboer, Uw sigarenman" (p.384), want "U is toch ook Zondag een heele heer, net als ik als Uw baas niet in de buurt is? (...) Het leven is zoo kwaad niet. Ik geloof dat niet erg van die zelfmoordneigingen. Ik voorspel dat U nog lang zult leven, nog heel wat handelsbrieven zult schrijven en een heel nuttig lid van de samenleving zult worden." (p.384). Een voorspelling die overigens, wat Grönloh betreft, waarheid is geworden.

            In 'Geachte Redactie' verbindt Nescio/Grönloh de twee zijden van zijn karakter en van zijn leven met twee fictieve figuren: de romantische kunstenaar, Koekebakker, en de nuchtere zakenman, J. H. F. Grönloh. Daarbij heeft hij zich meer dan waarschijnlijk laten inspireren door de zozeer door hem bewonderde Multatuli, die in zijn Max Havelaar hetzelfde procédé hanteert met de tweedeling Havelaar-Droogstoppel. Ook in de inleiding van François Haverschmidt bij de bundel Snikken en Grimlachjes van de fictieve Piet Paaltjens vinden we een dergelijk proces van ironisering terug, dat het gevolg is van een gelijkaardige gespletenheid in de persoon van de schrijver.

            Maar ook in de verhalen zélf wordt het type van de kunstenaar regelmatig met een gedistantieerde, ironische blik waargenomen. Dat is ondermeer het geval in het vroege, onvoltooide verhaal Een goeie jongen, geschreven in 1907. Daarin maken we kennis met de jongeman Henk Steiner, wiens levensgang op significante wijze sterk herinnert aan die van de auteur. Niet alleen is hij even oud als Grönloh op dat ogenblik (25), maar bovendien zijn ze allebei van verre Duitse afkomst en verslijten ze na hun eindexamen beiden vijf kantoors. Al in de eerste alinea worden Henk Steiners artistieke neigingen op een spottende manier naar voren gebracht: "Honderd jaar of langer geleden waren de Steiners uit Duitschland naar Amsterdam gekomen. Vandaar had i toen i heel jong was (...) een neiging om 's nachts in een roeibootje op de Amstel de Lorelei te zingen." (p.395). De jonge Henk begint al gauw zelf te schrijven, waarover de verteller opmerkt: "In z'n schrijverij was i geweldig voor 't aangezicht des Heeren, privatim was i een bescheiden en bedeesd jongetje.  Hij ging met niemand om, anders was i allicht op de gedachte gekomen om zich voor de generatie van 00 te houden." (p.395).

            Ook in een verhaal als Dichtertje wordt niet zonder meer met de kunstenaar gesympathiseerd. De ironische ondertoon blijkt al uit het verkleinwoord: dichtertje. Wanneer dit verkleinwoord de eerste keer valt, komt het uit de mond van de God van Nederland ("Kijk, daar gaat 't dichtertje." p.76) en zijn we als lezer geneigd het in de eerste plaats op te vatten als teken van diens zelfgenoegzaamheid en machtsgevoel. Wanneer echter de verteller het diminutivum overneemt, beseffen we dat er meer aan de hand is. Naast eventuele connotaties van vertedering of medeleven (volgens Kees Fens zou het verkleinwoord bij overname door de auteur zijn kleinerend karakter verliezen[5]), wordt het kunstenaarschap er tot op zekere hoogte door gerelativeerd en geďroniseerd. Hoewel er in dit verhaal geen Koekebakker aan het woord is, hebben we ook hier te maken met een nuchtere verteller, die de zaken vanop afstand bekijkt.

            De mening van de karikaturale God van Nederland nemen we als lezer vanzelf nooit echt au-sérieux. Anders is het wanneer de verteller met deze God of met het kleinburgerlijke publiek lijkt in te stemmen:

"De God van Nederland heeft wel gelijk, je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of niet netjes?" (p.105)             

"'t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd."             (p.116)  

Door zich aan de kant te plaatsen van het burgerwereldje en diens God ironiseert hij enerzijds de bekrompen, clichématige ideeën over het kunstenaarschap, maar anderzijds krijgt ook dit kunstenaarschap zélf een veeg uit de pan. Ook is het duidelijk dat de verteller een beetje de spot drijft met de uitzonderingspositie die in het algemeen, en ook door het dichtertje zelf, aan de kunstenaar wordt toegekend:

"Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets." (p.88)

"Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is voor een dichterje iets dat hij heeft ? Datti zoo maar heeft, dag in, dag uit." (p.82)

"Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste vrouw kan dat meedichten." (p.85)

            In het onvoltooide stuk ''t Is net zoo gegaan als ik dacht', waarschijnlijk bedoeld als vervolg op De profundis, relativeert Nescio zijn eerdere verheven woorden over zijn schrijverschap als het bouwen aan een schitterende kathedraal. De verburgerlijking lijkt het hier te hebben gehaald: "Ik heb een blauw serge pak gekocht en een pothoed en ik zwijg over m'n cathedralen (...) zooals ik zou zwijgen over m'n onwelriekende adem, als ik die had (...)." (p553). Hij is druk bezig carričre te maken als zakenman en vraagt zich ernstig af of hij, "een exporteurtje dat verhaaltjes schrijft" (p.552-553), wel zo veel beter is dan al die andere mensen waarover hij zo minachtend kan doen. De grimmige toon verraadt echter de ontgoocheling. In de inleiding van Een goeie jongen (1907) merkt Nescio op: "Ja, er is meer te doen op de wereld dan verhaaltjes schrijven en de lui eens even te zeggen waar 't op staat. De export verslindt ons met huid en haar. Maar ik wil niet, ik wil niet." (p.393). Dertien jaar later schrijft hij in ''t Is net zoo gegaan als ik dacht': "En ik heb verleden week in Londen geconfereerd met een bankier en gelunchd op de Constitutionele Club, net of ik 't zelf niet was." (p.552). Die laatste woorden verraden dat hij vanbinnen nog steeds geen afstand heeft kunnen nemen van zijn kunstenaarsaspiraties. Dat Nescio in de grond partij kiest voor de kunstenaar in zich, geeft hij expliciet toe in een brief aan Agnes Maas-Van der Moer: "Als de duivel me zei dat ik een dingetje van 20 bladzijden zou schrijven dat ver boven mezelf uitging maar dat m'n kantoor failliet zou gaan, 'k zou er niet aan denken te vragen of we 't dingetje maar niet ongeschreven zouden laten." [6] (een uitspraak die ons nog eens wijst op de affiniteit van Nescio tot het met de duivel samenspannende dichtertje). Deze voorkeur wordt ook bevestigd door het feit dat de ironische uitlatingen in het Natuurdagboek vrijwel uitsluitend gericht zijn op het kleinburgerlijke gedrag van zijn medemensen, terwijl de kunstenaar er duidelijk zijn sympathie krijgt.

   
[1] Brief van 25 maart 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.406.
[2] zie noot 9.
[3] H. J. Stratemeyer, 'Nescio'.  In : De Avondpost (zondagsblad), 28-4-1918.  Ook in : Over Nescio, p.16.
[4] J. De Meester merkt in zijn recensie 'Nescio. Dichtertje, De Uitvreter, Titaantjes. Haarlem, J. H. De Bois' op dat Nescio "nog oneerbiediger dan Goethe van een Mefisto, van een Amsterdamschen heer met hoorntjes en een 'God van Nederland' spreekt".  In : De Gids, jrg. 82 (1918), deel I, boek 2, juni.  Ook in : Over Nescio, p.18.
[5] K. Fens, Opstand tegen twee goden.  In : K. Fens, De gevestigde chaos.  Amsterdam, Van Oorschot, 1966.  Ook in : Over Nescio, p.129.
[6] Brief van 29 april 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.412.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina