Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Ironie: Tussen engagement en passiviteit

   
   

Tussen engagement en passiviteit

"En in mij voel ik de kracht om alles te willen en de wil om alles te kunnen. O die kracht die werkt en woelt in mij en uit wil slaan naar buiten." (Ik zocht een doel, p.653) 

            Een dergelijke jeugdige energie vervult rond 1900 de zeventien-, achttienjarige Grönloh, lid van de Amsterdamse 'debatingclub' GOHV, wat zoveel betekent als 'Gedachtenwisseling Ontwikkelt Het Verstand'. In deze vereniging, opgericht in 1899, komen scholieren van de Openbare Handelsschool om de beurt aan het woord over uiteenlopende onderwerpen als godsdienst, natuurwetenschappen en sociale kwesties.[1] Alleen maar praten bevredigt Grönloh echter niet, hij wil ook iets doén, iets dat van nut is voor de hem omringende wereld, waarin op dat moment heel wat wantoestanden heersen. De verderschrijdende industrialisering heeft rond de eeuwwisseling immers een sterk verpauperd fabrieksproletariaat doen ontstaan, dat onder erbarmelijke werkomstandigheden heeft te lijden (lange werktijden, lage lonen) en vaak schandalig slecht gehuisvest is. De verkrotting van arbeiderswijken gaat verder, terwijl onaantrekkelijke nieuwbouw het stadsbeeld verandert. Bovendien heeft de mechanisatie voor een enorme  werkloosheid gezorgd en heerst er heel wat drankmisbruik.  

            Als antwoord op de onrechtvaardigheden van de kapitalistische arbeidsindeling sticht Van Eeden in 1898 de kolonie 'Walden'. "Werkt voor de werkers ! en verovert den grond tot gemeenschappelijk bezit !"  luidt zijn oproep, die in de zomer van 1899 ook de jonge Grönloh bereikt. De lectuur van de brochures 'Waarvan leven wij' en 'Waarvoor werkt gij' betekenen een ommekeer in diens prille bestaan. Grönloh neemt afstand van het liberalisme van het ouderlijk huis en sluit zich aan bij de utopische visie van Van Eeden. Om te ontsnappen aan de uitbuiting die het kapitalistisch stelsel met zich meebrengt, moedigt deze de arbeiders aan om zelf kapitaal te vergaren en zich te verenigen in coöperaties. Daarmee kan grond worden gekocht die ze samen dienen te bebouwen, om zo in hun eigen onderhoud te voorzien. Wat overschiet kan worden verkocht en de opbrengst daarvan geďnvesteerd in nieuwe grond. Op die manier werken stilaan steeds meer mensen voor elkaar in plaats van voor de bezittende klasse.

            Tot in mei 1907 zal Grönloh zich voor de landkolonisatie blijven inzetten. Wanneer in 1901 de Vereeniging tot Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) wordt opgericht, waarbij alle landbouwkolonisaties en coöperaties zich kunnen aansluiten, maakt hij zich meteen tot lid.  Tevens meldt hij zich aan op Walden, maar Van Eeden zet hem op een wachtlijst en laat hem weinig hoop. Grönloh en zijn vrienden blijven niet bij de pakken zitten: met geleend geld kopen ze zelf een stuk grond, waarop ze hun eigen kolonie 'Tames' tot bloei proberen te brengen. Dat blijkt al gauw moeilijker dan verwacht, en hoewel Grönloh er al zijn weekends aan opoffert, ziet men zich in het najaar van 1903 verplicht de onderneming op te heffen. Toch blijft Grönloh ook nog nŕ het mislukken van 'Tames' trouw aan GGB. In september 1906 stelt hij zich beschikbaar als administrateur van De Pionier, het weekblad van de vereniging.[2] 

            Als hij zich in juli 1907 uiteindelijk zonder commentaar terugtrekt, merkt De Pionier verontwaardigd op: "Vele leden van het H.B. spreken hun afkeuring uit over 't plotselinge aftreden van Grönloh, dat h.i. van weinig ernst getuigt." Wanneer we nagaan wat Grönloh in de tussentijd zoal heeft geschreven, moeten we echter vaststellen dat dit aftreden helemaal niet zo plotseling komt. In de loop van de jaren zijn zijn enthoesiasme en geloof aanzienlijk verminderd en heeft het idealisme steeds meer plaats gemaakt voor scepticisme en ontmoediging.

            Grönlohs gevoelens tegenover GGB vertonen een ambiguďteit die sterk herinnert aan zijn eerdere houding tegenover GOHV. Het valt op hoe hij van beide verenigingen in zowat net dezelfde stemming afscheid heeft genomen:

"Ik ben nu zat, ňp, fini.  (...)

Ik deel U mede dat al Uwe kwesties me niets meer kunnen schelen. (...)

Ik heb wel eens gewenscht dat ik een geloof had.

Dŕt heb ik niet.

Het zij zoo.

Amen." ('Mijne Heeren', afscheidsrede aan GOHV, p.668-673)

"Ik vind 't welletjes.  Ik ben 't nu meer dan zat. (...)

Ik ben geen filosoof, ik weet 't niet beter dan ieder ander. Ik heb geen doode illusie en idealen te betreuren." ('Mijn betrekking als administrateur van de Pionier', onvoltooide 'ontslagbrief' aan De Pionier , p.390) 

            Grönlohs geloof in de idealen die hij in zijn jonge jaren propageert blijkt in feite al vanaf het allereerste begin helemaal niet zo rotsvast te zijn geweest. Hoewel er in hem een sterke wil aanwezig is om iets nuttigs tot stand te brengen, ontbreekt hem vaak het vertrouwen in de mogelijkheid daarvan. Dat heeft niet alleen te maken met de mislukkingen die hij in de loop van de jaren ziet gebeuren, maar evenzeer, zoniet méér, met zijn van meet af aan twijfelende natuur. Een zekere mevrouw E. Swart-Snuyff, in haar jeugd ook lid van GOHV, herinnert zich:

"We moesten nl. om beurten een spreekbeurt vervullen. (...) Toen de jonge man Grönloh aan de beurt was kondigde hij aan dat het hem onmogelijk was de gebruikelijke voordracht te houden, want dat hij niet geloofde aan de mogelijkheden waar de anderen zich zo enthousiast over konden uitlaten." [3]

Reeds in de idealistische jonge Grönloh schuilt de latere Nescio, eeuwige twijfelaar. Meteen al in de eerste GOHV-voordracht die bewaard is, komt deze karaktertrek tot uiting, wanneer hij het heeft over zijn moeite om tot heldere ideeën te komen:

"Wat ik zelf dacht was dikwijls vaag, meermalen tegenstrijdig aan een vroegere uitkomst; bijna nooit was ik zeker van de waarheid die ik meende ontdekt te hebben, want na zeer korten tijd begon ik daaraan weer te twijfelen." ('Mijne hoorders', p.636)

            De bewaarde lezingen die Grönloh voor de vereniging heeft geschreven, getuigen van een wisselvallige stemming, gaande van enthousiasme en overmoed tot ontmoediging en onzekerheid. Daarmee overeenkomstig zijn er ook grote verschillen in stijl (wat natuurlijk ook verband houdt met het feit dat hij in die tijd nog volop op zoek is naar een persoonlijke schriftuur), die varieert tussen een losse babbeltoon en een meer verheven, retorisch taalgebruik. 

            Vaak geeft Grönloh uitdrukking aan zijn hevige verontwaardiging over de heersende wantoestanden in de wereld, en aan zijn sterke verlangen naar engagement:

"Zie, er is een zware, zware strijd te strijden. En laat ons opgaan en de strijd niet schuwen. En wij zullen elkaar zijn tot steun en vertroosting en elkaar mededeelen wat wij wonnen, hoe wij nader kwamen aan het onbereikbare einde, onze hoop, onze teleurstelling en we zullen samen de weg vinden, voor de enkele verborgen." (Ik zocht een doel, p.651)

"Ik heb geen rust wanneer ik niet het mijne doe de mensen op te heffen uit wat ěk laagte noem.

Ik heb de kracht het mijne te doen.

Dus doe ik het." ('Wat ik wěl', p.659)

We horen dikwijls een echt titaantje aan het woord:

"O, als ik God was en de sterren mij waren als glinsterend zand van de hei." (Ik zocht een doel, p.654)

            Toch blijft de jonge Grönloh zich ook tijdens dergelijke momenten van overmoed steeds goed bewust van het moeizame van de 'strijd'. Als hij in 'Wat ik wěl' voor het eerst zijn kolonisatie-ideaal op papier zet, geeft hij onmiddellijk toe dat het doel "nog zoo ver, zoo ontzaggelijk ver" (p.661) is. In een stel Multatuli-achtige Ideeën (de invloed van Multatuli is in deze voordrachten van de jeugdige Grönloh alomtegenwoordig), illustreert hij dat met een parabel over een roeier, die aangespoord wordt steeds verder te roeien, ook al is er geen land in zicht, ziet hij dag in dag uit niets dan lucht en water, en heeft hij het gevoel niet vooruit te komen. Meer dan eens wordt in de lezingen beklemtoond dat de overwinning niet te zien is (zie bijvoorbeeld ook het citaat uit Ik zocht een doel hierboven, waar hij het heeft over "het onbereikbare einde" ). Vaak moedigt hij vervolgens zijn toehoorders (en ook zichzelf) aan om desondanks niet op te geven, en kracht te putten uit het besef dat men zich inzet voor het goede:

"Maar we doen toch iets en houden ons overigens zoo verre mogelijk van alle knoeierijen in deze Maatschappij." ('Wat ik wěl', p.661)

"Want streven om goed te zijn is goed zijn.

En streven naar waarheid is waarheid." ('Wat ik wěl', p.664)

In Ik zocht een doel formuleert hij iets gelijkaardigs in de paradoxaal klinkende zin: "Mijn vrede is in den strijd en mijn rust in de onrust." (p.649) Liever iéts doen, met hoeveel moeilijkheden het ook gepaard gaat en hoe weinig het ten slotte ook uithaalt, dan zich te onderwerpen aan de eigen machteloosheid en zich terug te plooien op zichzelf.

            Grönloh verkeert echter lang niet altijd in zo'n edelmoedige stemming. Soms wordt het gevoel van machteloosheid te groot en krijgt de ontmoediging de bovenhand. De voordracht 'Aan Publiek' bijvoorbeeld valt op door een bittere toon. Deze voordracht staat in het teken van de moord op koning Umberto I van Italië op 29 juli 1900 door de anarchist Angelo Bresci. Hoewel Grönloh deze daad niet goedkeurt, beweert hij begrip te voelen voor de moordenaar en betwist hij de bevoegdheid van het verontwaardigde publiek een geldig oordeel te vellen:

"En probeer ook eens de goeie strijd te strijden en als je dan voelt dat je ondergaat, dat je tobt voor niets -. Als jelui dat hebben meegemaakt, oordeelt dan!"  (p.655-656)

            Zijn afscheidsrede ten slotte is een ontlading van alle opgekropte frustratie. Hij is uitgeput geraakt van al het gepieker, dat hem zodanig overspannen heeft gemaakt, dat hij uiteindelijk van niéts meer zeker is, niéts meer beweert te weten. De maat is vol, het kan hem allemaal niet meer schelen, hij verlangt enkel nog naar rust en "naar een beetje warmte en zon" (p.668). Hij voelt zich niet meer in staat bevrediging te halen uit een strijd die tot geen enkel zichtbaar resultaat leidt, en voelt een sterke neiging zich maar overal bij neer te leggen. "Wat geeft 't me of ik de mooiste en heerlijkste dingen gewild heb? Alles is z'n domme gangetje gegaan, (...). Ik schiep, de tram reed, ik hoopte, de conducteur klepte z'n bordje om en ik las 'vol' want de straten waren smerig, ik gooide m'n schepping door elkaar en deed 't werk weer eens over, de tram reed." (p.671) Het lijkt wel of we hier Japi aan het woord horen, wanneer die uiteenzet waarom hij zich niet meer 'te sappel' wil maken. 

            Het is enigszins bevreemdend te bedenken dat dit alles uit de mond komt van een negentienjarige jongen, die nog nauwelijks wat uitgevoerd heeft in zijn leven. Dat is in feite precies wat hem zo stoort aan GOHV: er wordt alleen maar gepraat, terwijl de buitenwereld zijn gang gaat. Al in zijn eerste voordracht klaagt hij daarover: "Wat zijn we toch een praters, ellendige phrasenaanelkaarrijgers. Naar ik verneem sterven in Britsch Indië en Rusland menschen bij duizenden." ('Mijne hoorders', p.642). 

             Uit zijn afscheidsrede blijkt dat Grönloh zich goed bewust is van de wisselvalligheid van zijn humeur en de voorlopigheid van zijn ingevingen: "Ik ben nu zŕt, ňp, fini. Over korten tijd heb ik weer honger, weer lust om iets omvertedonderen. Tegen dien tijd beloof ik een schitterende speech (...). Zoň iets is makkelijk, een beetje 'bui', en een half kolommetje Handelsblad en de verontwaardiging spat er uit. Nu niet." (p.672). Die lust was al gauw terug, want aan het eind van hetzelfde jaar 1901 koopt hij met zijn vrienden de grond voor de kolonie 'Tames', en is hij betrokken bij de oprichting van GGB.

            De artikels die Grönloh vanaf 1907 voor De Pionier schrijft, getuigen van gelijkaardige ambivalente gevoelens: een bekommernis voor wat GGB zich tot doel stelt aan de ene kant, een sterke twijfel, die vaak omslaat in ironische spot, aan de andere kant. Het eerste wat er van hem in het tijdschrift verschijnt is een protestbrief, opgenomen in de rubriek 'Ingezonden', waarin hij zijn beklag doet over het lage peil van de meeste bijdragen. Als administrateur van het blad verlangt hij "leesbare stukjes": "Laten wij zeggen, dat wij kromsprakige en onbegrijpelijke betoogen zullen weigeren, die moeten dienen om te bewijzen dat 'Walden' geen winst behoeft te maken, geschreven door iemand die van zijn winst een zwart Zondagsche pak koopt en een freewheel op z'n fiets laat zetten." ('De Pionier' van 5 Januari, p.365). Ondanks de sarcasmen, zeg maar cynismen, aan het adres van de GGB-ers, blijkt uit deze woorden dat het kolonisatieideaal hem toch nog nauw aan het hart ligt. Een enthousiasme zoals we hier en daar in de GOHV-voordrachten aantreffen, moeten we in de Pionier-stukjes echter niet meer zoeken. Rekening houdend met hun chronologische volgorde, merken we dat het scepticisme steeds meer de bovenhand krijgt. Steeds vaker en steeds minder onschuldig drijft Grönloh de spot met het hele GGB-gebeuren, waarvan hij zich duidelijk aan het distantiëren is. We ontmoeten opmerkingen als:

"Een ding echter - ik schrijf niet over Gemeenschappelijk Grondbezit. Dat is een afgejakkerd beestje dat rust noodig heeft (...). We zouden daarmee kunnen wachten totdat we werkelijk grond bezaten." ('Een artikel voor de Pionier', p.368)

"En nu zit ik te probeeren of ik een degelijk en wel overwogen breed opgezet artikel kan schrijven over GGB. Over GGB! Alsof er nog iets over te schrijven viel. 'K Mag 't niet zeggen. Maar ik vind mezelf veel belangrijker dan GGB. ('De leden van GGB hebben schoon gelijk', p.387)

            In het onvoltooide ontwerp voor een 'ontslagbrief', gericht tot De Pionier ('Mijn betrekking als administrateur van de Pionier'), laat hij, net als in de afscheidrede aan GOHV, zijn gefrustreerde gevoelens helemaal de vrije loop. Grönloh neemt hier definitief afscheid van GGB, van wat hij "ons onbenullige krantje" (p.390) noemt, "onze kleurloze versleten praatjes" (p.390), "zooveel woorden om zooveel kleine particuliere bedoelinkjes te verbergen" (p.391). 

            Grönlohs periode van sociaal engagement is afgelopen. Het gevoel van machteloosheid werd te groot; het titaantje is aan het eind van zijn krachten. "Ik ben nog niet zoo'n stomme vent, ik zie de boel nog wel zoo'n beetje. Maar ik voel me te klein, de hemel is me te hoog en de wegen zijn me te lang. Ik blijf voortaan op aarde en thuis." (p.391).

            Veel van het literaire werk dat hij gedurende deze periode schrijft, staat in het teken van de geleidelijke afrekening met de wereld van GGB. Het opstellen van voordrachten en artikels lijkt trouwens een uitstekende stimulans te zijn geweest voor zijn ontluikende schrijverschap. We zien hoe Grönloh stilaan evolueert naar een eigen stijl. Het retorische, verheven taalgebruik waartoe hij in zijn jeugd wel eens neigt, moet daarbij wijken voor de lossere 'praatstijl' die we zo goed van Nescio kennen.

            Een verhaal dat helemaal is doordrenkt van de sfeer van het milieu van wereldhervormers waarin Grönloh rond de eeuwwisseling verkeert, draagt de titel Heimwee. Het wordt neergeschreven in 1903 en moet worden gesitueerd tegen de achtergrond van de spoorwegstakingen van dat jaar.Volgens Lieneke Frerichs zou de geestdrift die er in socialistische kringen heerst na de onverwachts gewonnen eerste staking, de inspiratie hebben geleverd voor het verhaal, terwijl de hevige teleurstelling na het mislukken van de tweede staking aan de basis zou liggen van het onvoltooid blijven ervan.[4]

            Inderdaad is er in het verhaal een overgang te merken van sterk idealisme naar grote onzekerheid. De eerste hoofdstukken getuigen vooral van de hoop en de wilskracht die er leeft onder de personages: "We moeten 't doen mannen, had i gezegd, 't komt er niet op aan waar we terecht komen. En dat hadden de anderen ook geweten en daar zouden ze zich aan houden." (p.305). Onder de jonge vrienden die in het verhaal naar voren komen, heerst een gevoel van verwachting, een vast geloof in de komst van betere tijden: "ze dachten aan de tijd die komen mňest, die zeker komen zou." (p.307). Een hoogtepunt in het verhaal wordt gevormd door de redevoering van 'de jonge Termaat' in het derde hoofdstuk, waarin de maatschappelijke idealen naar voren komen die de auteur zelf zo lang hebben beziggehouden. Aan het eind van een lange tirade waarin ondermeer de christelijke geloofsbelijdenis onder vuur wordt genomen, volgt een korte uiteenzetting van het kolonisatie-ideaal:

"Dat 't goed was voor hun daarvoor zooveel mogelik onafhankelik te zijn van de oue maatschappij, dat daarom hij en eenige andere menschen grond hadden gekocht en een huis hadden gebouwd en de grond in bewerking hadden genomen, vier uur buiten de stad. Dat die onderneming uitzicht bood, dat daar meer menschen later met en voor elkaar konden werken en hun leven inrichten zooals ze nu verlangden te kunnen doen.  (...) Hij hoopte en verwachtte dat 't één van de vele duizende wiggen zou worden die in de oue maatschappij zouden gedreven worden en een van de vele duizende moleculen die de nieuwe samenleving zouden opbouwen." (p.314)

            De gloeiende speech van de jonge Termaat contrasteert met het laatste hoofdstuk, waarin deze idealen in twijfel worden getrokken door de ontmoediging en dood van het personage Jan Verschure. Deze loopt verdwaasd door de feest vierende stad, in de stromende regen, en heeft het gevoel dat "God had begonnen hun allen te verlaten." (p.325). "Dit was 't einde. Van alles wat i gewild had was nix terecht gekomen. (...)Hij dacht aan de oue Termaat die dood was gevroren.Hij was de eerste."(p.325) Hij overweegt naar Kropotkinhoeve te gaan (het equivalent van Tames in dit verhaal), waar "ten minste te eten en te werken" (p.325) is, maar heeft geen hoop meer in het slagen van deze onderneming: "De onafwendbare catastrofe zag i duidelijk voor zich." (p.325). De neiging het allemaal op te geven is de volgende ochtend nog sterker: "'t Kon 'm nix, nix meer schelen. Nu was 't werkelik uit. Hij wist 't. God kon't 'm niet kwalik nemen dat i meer gewild had dan waarvoor i bestemd was geweest." (p.328). 

            Maar dan komt opeens de zon op, "zomerzonlicht op de hei" (p.328) en hoort hij hoe zij vriend Bekker in de verte muziek speelt. En plots is er weer hoop: "Dit was niet 't eind. Dit was 't begin. Was dit niet de morgen? (...)God had hun zeker niet verlaten." (p.328). Vervuld van dit geruststellende gevoel sterft hij. De strekking van het verhaal is erg dubbelzinnig. Is er nu wel of geen hoop? Nescio voegt er in een slotfragment aan toe: "Misschien hebben zij dingen gewild, die niet van deze wereld zijn. Ik weet 't niet. Ik oordeel niet. Ik heb alleen beschreven." (p.329).

            Precies deze ambivalente gevoelens van optimisme en ontmoediging, van geloof en niet-geloof, maken het verhaal zo interessant. Heimwee ligt op de grens tussen idealisme en scepticisme. Het valt op hoe ernstig Nescio gedurende dit hele verhaal blijft: de idealen van zijn jeugd worden hier wel in twijfel, maar nergens in het ironische getrokken. Dat gebeurt enkele jaren later wél en zelfs heel expliciet in het (onvoltooid gebleven) prozafragment 'De corporatie', daterend uit 1906.

            In 'De corporatie' verplaatst Grönloh zich naar een fictieve toekomst om de grote, utopische verwachtingen van bepaalde GGB-leden te parodiëren. "Te dien tijde nu begon de macht dezer corporatie onrustbarend te groeien en geweldige afmetingen aan te nemen." (p.353) luidt de eerste zin van een fragment dat volgens de verteller afkomstig is uit het "Overzicht der geschiedenis van WestEuropa in de 20ste en 21ste eeuw, uitgegeven bij Jansen in het jaar 2197" (p.361). In een schijnbaar objectief registrerende stijl worden daarin de succesvolle resultaten van de Vereeniging tot Gemeenschappelijk Grondbezit beschreven. Deze zijn echter zň buitensporig imposant dat de tekst nog moeilijk ernstig kan worden genomen. De auteur (zogenaamd "de geschiedschrijver Peters", p.361) zet uiteen hoe ieder persoonlijk eigendom stilaan werd opgeslokt door deze "onmetelijke organisatie, bezig de geheele mensheid te omvademen" (p.356), welke geweldige groei en specialisatie van tuinbouw, landbouw en industrie deze op korte tijd wist tot stand te brengen, en hoe dit alles in goede banen werd geleid "door de knapste en scherpzinnigste mannen van hun tijd" (p.356). "Zoo was de hand van de raad van dezen bond in alles, het was een groote, geheimzinnige hand die ver reikte, die overal heen reikte, die je overal zag en overal vermoedde, die steeds en alles dreigde naar den groten bond te halen." (p.355). Deze geniale leden van de raad, die al hun bekwaamheid in dienst stellen van het welzijn der gemeenschap en vrij zijn van iedere particuliere bedoeling, regeren vanuit een gigantisch, wit paleis op een heuvel ("het ging recht naar boven, de goddelijke koepels zagen wijd en zijd over alle landen" p.358), dat zich bevindt in "de groote lichtstad, het centrum van de wereld" (p.358). Daar werd "het lot der wereld (...) steeds beslist, straks stellen ze het mijne onherroepelijk vast, God trekt zijn handen van de boel af" (p.358).

            Na dit fictieve citaat besluit de verteller even na te gaan "wat de jongste onderzoekingen omtrent dezen fabelachtigen bond aan 't licht hebben gebracht en wij zullen ons verwonderen te zien hoe zelfs de scherpzinnigste onderzoeker op een dwaalspoor kan geraken en, doorwerkend op een verkeerd begin, tot de meest zonderlinge resultaten kan komen." (p.361). De verteller stelt namelijk vast dat de vereniging al in 1908 zijn einde zag en zich op niet veel meer heeft kunnen beroemen dan op het bezit van enkele Friese landerijen die ze niet de baas kon, zodat "het voor de vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit misschien beter ware geweest als ze heelemaal nooit grond bezeten had. Zij had dan misschien iets langer bestaan." (p.362). De spottende kritiek op de megalomane idealen van GGB, die er in het eerste deel al vingerdik op lag door de ironische overdrijving, wordt nog verhevigd door de contrastwerking in dit tweede deel, waar de vereniging als extreem onbenullig voorgesteld wordt. Het 'verhaal' hoort dan ook duidelijk thuis in Grönlohs voortgeschreden afrekeningsproces met de wereld van de landkolonisatie, waarvan hij het fiasco al voorspelt.

            De overgang van idealisme naar scepticisme (of misschien beter: het dominant worden van het scepticisme, dat immers van meet af aan in zekere mate aanwezig is) die we in de jaren tussen 1900 en 1907 kunnen meevolgen, heeft zich voltrokken in het latere literaire werk, en laat voortdurend zijn sporen achter in de vorm van ironische opmerkingen. Dat is ondermeer het geval in Titaantjes en de daarmee samenhangende verhalen. Hier ontmoeten we net als in Heimwee een groep jonge idealisten, maar in plaats van "flinke kerels"  (p.303) krijgen zij de typering "aardige jongens" (p.43). Terwijl de personages van Heimwee zich werkelijk engageren totdat ze sterven "om der gerechtigheid wil" (p.303), ontbreekt het de titaantjes aan ieder doorzettingsvermogen. Bekker gaat niet naar de hei om zijn eigen land te bewerken, zoals hij zo lang heeft lopen beweren, omdat hij al op voorhand begint te twijfelen of dit een oplossing is. "Ik heb geen verantwoordelijkheidsgevoel" (p.55) klaagt Bavink, die de wereld al schilderend wil hervormen, maar zijn schilderij tenslotte in stukken snijdt. Bekker, Kees en Koekebakker overwegen in de kolonie van Van Eeden te treden, maar laten zich afschrikken nog voor ze iets hebben geprobeerd. Het idealisme zit enkel in hun hoofd; moeten ze werkelijk iets ondernemen, dan houdt de twijfel hen tegen. Zo schommelen ze alsmaar heen en weer tussen engagement en passiviteit. Hun plannen zijn bovendien vaag en onrealistisch. "Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geworden. Iets zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we, dat we 'eruit' moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets dan praten, rooken, drinken en boeken lezen." (p.43).

            Mensen met een welomschreven 'levensbeschouwing' zijn voortaan definitief het mikpunt van Nescio's spot, en worden ontmaskerd als praatjesmakers. Zo wordt in Titaantjes de houding van Hoyer, het enige personage dat met zekerheid weet waar hij naar toe wil, voortdurend geďroniseerd. Bijvoorbeeld:

"Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i van me wilde, hij wist 't immers, waarom moest-i nu ook nog weten hoe ik er over dacht." (p.55)

Of aan het eind van het verhaal, als Hoyer lid van de SDAP is geworden: "Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. (...)

Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, 'nou wordt 't interessant', dan gaat-i niet verder. Op een middag in 'Polen' sprak-i heel veel over 'proletarisch sentiment' en 'burgerlijke ideologieën'. Ik luisterde naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm gezegd: ''t Is toch mooi als je alles zoo zeker weten kunt.' Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't woord komen." (p.67)  

Koekebakker besluit: "Als ik maar een beetje twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid worden van de SDAP. (...) 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen." (p.67). Een dergelijke bespotting van de zelfverzekerde socialist komt in meerdere verhalen terug, zoals in 'Beminde Landschapschilder', waar Koekebakker het heeft over "een 'klassebewust' brievenbesteller', een aardig jong ventje die vast gelooft dat ze dat zaakje wel zullen opknappen. Gelukkige kerel. Het is een daalder waard om 'm te zien als i 't heeft over de 'cultuurtaak der arbeidersklasse'." (p.435). Met de dromende maar weinig uitvoerende titaantjes symphatiseert Nescio nog wel, maar hij is voortaan niet meer in staat het type van de 'wereldhervormer' au-sérieux te nemen, ook al blijft hij maar al te duidelijk inzien dat er heel wat te hervormen valt.

   
[1] over Nescio en GOHV : Verzameld werk. Deel 2.  Commentaar (L. Frerichs), p.871-875.
[2] over Nescio en GGB : R. Bindels, Nescio, p.8-12 en 16-21, en L. Frerichs, Nescio.  De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, o.c., p.118-123.
[3] Brief van 21 juni 1952.  In : Verzameld werk.  Deel 2.  Commentaar, p.874.
[4] Verzameld werk. Deel 2.  Commentaar, p.773.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina