Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Ironie: Tussen nuchterheid en romantiek  

   
   

Tussen nuchterheid en romantiek

            Eigenlijk zijn bovenstaande conflicten in wezen terug te voeren op een dieperliggende tegenstelling tussen twee karaktertrekken: enerzijds een grote gevoeligheid, die zich uit in artistieke en sociaal-geŽngageerde bezigheden of verlangens (en die bovendien, zoals in een volgend hoofdstuk wordt uiteengezet, nauw verband houdt met een intense natuurbeleving), anderzijds een grote nuchterheid, een neiging de dingen vanop een afstand te bekijken, wat uitmondt in scepticisme. Beide neigingen zijn tegelijkertijd aanwezig in de persoonlijkheid van de schrijver, maar naargelang de omstandigheden treedt de ene dan wel de andere op de voorgrond, wat aan de basis ligt van de wisselvalligheid in stemming, zoals die zich ondermeer openbaart in de GOHV-voordrachten, in de opeenvolging van VenloŽr Grensbode en de zelf geschreven protestbrief tegen dit verhaal, in het contrast tussen de twee hoofdstukken van De Profundis, en in het Natuurdagboek (natuurobservatie versus observatie van de medemens).

            Dezelfde innerlijke tegenstelling treffen we ook aan in de persoonlijkheid van heel wat personages die de auteur tot leven heeft gewekt. Er werd reeds gewezen op het karakter van Koekebakker, de vertellersfiguur die ondanks zijn grote relativeringszin ook een bijzonder gevoelige kant bezit. Ook het dichtertje vertoont in feite een dergelijke structuur. In hem overheerst weliswaar de gevoelige, dichterlijke zijde, maar toch loopt ook hij lang niet doorlopend met zijn hoofd in de wolken. Er zijn momenten waarop de werkelijkheid maar al te scherp tot hem doordringt:

"Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God de poorten des hemels open gooide? Wat raar." (p.82, tijdens een alledaags gesprek tussen zijn moeder en Coba)

"Toen moest 't dichtertje toch weer even lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig, nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven." (p.104)

            Verder kan er worden verwezen naar een aantal figuren die in de bundel Boven het dal naar voren komen. Het korte stukje Eerste ontroering begint als volgt: "God erbarme zich over de cynici. Ik ben nu cynicus. Misschien was 't beter als ik maar helemaal gek geworden was of overreden door de tram, wat dikwijls bijna gebeurd is. Vroeger was ik dichter. En als cynicus zeg ik: 't was geen lolletje, voor mij niet en voor niemand." (p.158). Eerste ontroering is in feite een bewerkt fragment uit het tussen 1914 en 1917 geschreven onvoltooide verhaal Flip ('Ik heet Kees de Rond'). In deze prozastukjes merken we dat Nescio de twee zijden van zijn persoonlijkheid uit elkaar heeft gerukt en tegen allebei met een zekere ironie aankijkt. De verteller, nu cynicus, blikt terug op de tijd dat hij nog "bijna kon grienen zonder te weten waarom en hopen op iets dat nooit komt" (p.158 en 535) en merkt daarbij "hoe moeilijk 't voor een cynicus is zoo iets te schrijven. Er was niets bijzonders te zien, de zon was ondergegaan (...). Maar als ik mij in de herinnering verdiep dan lijkt 't of er in dien avond iets heel bijzonders te zien moet zijn geweest." (p.535).

            In het verhaal Verliefdheid uit 1919 zijn de twee karaktertrekken daarentegen gelijktžjdig aanwezig in de hoofdpersoon. Deze wordt als volgt getypeerd: "Ko van der Wielen was een gevoelig man, hij was zelfs een verliefd man, maar boven alles was hij scepticus." (p.160). Het hele verhaal bestaat in feite uit de beschrijving van zijn wisseling van stemming en werkelijkheidsbeleving. Ko van der Wielen is een jongeman van 28, kantoorbediende, die zijn vakantie doorbrengt in Zuid-Limburg, waar hij verliefd is geworden op een meisje dat er ook verblijft. Zowel die verliefdheid als de aanraking met de natuur brengen hem in de war en vormen een bedreiging voor zijn 'gezonde' nuchterheid. Wanneer hij door het landschap wandelt lezen we bijvoorbeeld: "De scepticus voelde hoe hij zelf de heele ruimte vulde, die hij bekeek. En dit alles zag er zoo helemaal niet sceptisch uit (...)." En als hij het meisje Tine in de verte ziet: "En ofschoon hij scepticus was en een bereisd man en wat al niet en een hoog woord had onder z'n vrienden, werd hij in eens beverig in z'n beenen (...)." (p.163). Toch staat hij op andere momenten zelfs sceptisch tegenover zijn verliefdheid. Zijn nuchtere kant dwingt hem dit gevoel in vraag te stellen: "Waarom dachti niet aan Tine? Hij was toch verliefd. Het was eigenlijk een raar ding, de liefde van een scepticus. (...) Was i misschien niet verliefd?" (p.162). En ook wanneer de natuur hem hevig ontroert en van een romantisch verlangen vervult, protesteert zijn sceptische kant: "Ko is weemoedig en kwaad tegelijk. Hij kent ze wel, die beloften van de lenteavond." (p.165). De ene avond voelt hij zich helemaal onrustig en week vanbinnen, de volgende ochtend is hij weer "een gewone, nette heer (...) Waar was de man, die die visioenen had gehad van onbedekte stukken vrouw in dien zoelen lenteavond?" (p.169). Zo gaat het door tot het verhaal blijft steken in een abrupt einde.

            Soms plaatst Nescio beide zijden, de romantische en de nuchtere, tegenover elkaar in de vorm van twee verschillende personages. Dat is ondermeer het geval in een fragment van Een lange dag, waar een uitstapje wordt beschreven van een ik-figuur en diens vriend Sam. Sam is erg ontroerd door de natuur en vertelt zijn vriend over zijn "rare gedachten" (p.143 : die avond bij de kastanjebomen had hij wel ŗlles willen zijn. "'Dat is veel,'" luidt het broodnuchtere antwoord van de 'ik', "'ik denk dat 't van die meiden kwam. Je sigaar is uit.'" (p.142). Sam gaat door: "Hij had willen overgaan in de dingen die-i zag. Hij begreep er zelf niets van. Ik vond 't nog al dom voor iemand die dr hon. causa in de letteren wilde worden (...)." (p.142-143). En als hij het heeft over een meisje dat een diepe indruk op hem naliet: "'Plaats een advertentie,' zei ik." (p.143)

            In Nescio's literatuur zijn diepe ontroering en grote nuchterheid voortdurend met elkaar vervlochten. Ironie vormt de schakel tussen beide, en houdt de verhouding tussen de twee uitersten, gevoel en verstand, in evenwicht. Als een gevolg van het vermogen een nuchtere kijk op de dingen te hebben, beschermt de ironische relativering Nescio tegen het gevaar van sentimentaliteit en pathetiek. Door ook ironie aan te wenden tegenover die nuchtere houding zťlf (heel duidelijk in het verhaal Verliefdheid), blijft de auteur tegelijkertijd trouw aan zijn gevoelige natuur en ontvankelijkheid voor diepe emoties.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina