Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Natuur en landschap: Thema van de tijd: vergankelijkheid en eeuwigheid

   
   

Thema van de tijd: vergankelijkheid en eeuwigheid

" Het water stroomde maar, de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor twee duizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God weet hoe lang al. Meer dan 7OO.000 maal was de zon sedert al opgegaan, meer dan 700.000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevrooren hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000 jaar was nog niets; duizenden jaren langer had de aarde al bestaan, duizenden jaren kon i nog bestaan. Duizenden jaren kon het water nog stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd, er kwam geen eind aan den tijd. En al die tijd zou hij dood zijn." (De uitvreter, p.34-35)

            De uitvreter Japi is n van de vele personages van Nescio die in hun contemplatie van de natuur getroffen worden door de nooit eindigende wisseling van winter en zomer, dag en nacht, geboorte en dood. In zijn natuurbeschrijvingen gebruikt Nescio dikwijls woorden als 'weer', 'opnieuw' en 'voor de zoveelste maal'. 

            Bijna altijd vormt de herhaling in de natuur een aanleiding om stil te staan bij het voorbijgaan van de tijd. Vaak gebeurt dat met weemoed: "Wij waren zeer droevig om alle dingen die voorbijgegaan waren en om ons leven dat eindigen moest, als al deze dingen zouden doorgaan." (Mene tekel, p.121). De zich steeds maar hernieuwende natuur leidt immers tot een maar al te scherp besef van de eigen sterfelijkheid: men is zelf slechts een kleine schakel in dit altijd draaiende rad. Terwijl alles voortgaat, sterft en opnieuw geboren wordt, gaat de eigen jeugd onherroepelijk voorbij. "Zo zongen ook de merels in 't vroege voorjaar en zo stonden de berken telkens weer met kleine lichtgroene blaadjes op de hei en de boomen op de grachten en groote wit-en-roode bloesems van de appelboomen. En zoo stierf men langzaam, onmerkbaar verging het leven in hem." (Najaar, p.178). 

            Naast het pijnlijke inzicht in de eigen vergankelijkheid is er ook weemoed om het feit dat lles in de natuur gedoemd is om te sterven en dat zelfs het mooiste en dierbaarste ogenblik onmogelijk kan worden vastgehouden of teruggeroepen: "De zoete en pijnlijke en onbegrepen weemoed, dat 't voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou." (Pleziertrein, p.146). Want ondanks de herhaling bewaart ieder moment zijn uniciteit en onverwisselbaarheid. Dat wordt expliciet uitgewerkt in het stukje Men vervalt in herhalingen 2 uit de bundel Boven het dal. Koekebakker krijgt daarin bezoek van de schilder Bavink, die om een merkwaardige reden bijzonder goed gehumeurd is: de krant heeft geschreven dat hij in herhalingen valt. Net als God, juicht Bavink, waarna hij zijn vriend aanraadt die middag eens op een bepaalde plek naar de bomen en de zon te gaan kijken: "Weet jij dan of 't van 't jaar is, of tien jaar geleden, of 1950?" (p.214). Tch bewaart de natuur haar verrassingen: "En heb je ooit twee maal 't zelfde gezien? Nooit." (p.214). Vanuit dit besef schrijft Nescio in 12 Maart 1943: "En hoe hopeloos begon toen alles van voren af aan. Maar zoo als dat toen was, komt dat nooit terug." (p.573).

            Toch wordt de zich steeds herhalende natuur dikwijls als eentonig ervaren en creert ze meer dan eens een gevoel van zinloosheid. Welke grootse verwachtingen men ook koestert, de lenteavond kan haar beloften niet waar maken en alles blijft gewoon zijn gang gaan. "Op elke lente volgde na een poosje weer de winter, op het avondrood volgde een gewone dag. Jaar in, jaar uit golfde de Noordzee dom voort. Alles ging eindeloos voort en als er eens aan iets een einde kwam dan was het nog droeviger." (Najaar, p.178). Vaak gebruikt Nescio in verband met de natuur woorden als 'dom' en 'stupide'. Zij heeft geen enkel doel, kan niets anders dan wat ze altijd heeft gedaan, trekt zich nergens wat van aan:

"Met razende snelheid doorvloog de aarde de zelfde baan om de zon, die ze zooveel maal had rondgerend en die haar steeds weer nergens bracht. Het was het oude, hopelooze geval. Maar de aarde denkt niet en kan niet anders." (Men vervalt in herhalingen 1, p.211)

"De domme zon gaat dom in 't Westen onder, dom en log draait 't lompe rad van den tijd, 't is weer zes uur, vanmorgen was 't zes uur, gisteravond was 't zes uur, morgen zal 't zes uur zijn (...)." (Mei 1907, p.388)

            De herhaling in de natuur is echter niet alln aanleiding tot weemoed of ontmoediging, maar heeft ook haar positieve, hoopgevende zijde. Zij kan troostend zijn, doordat ze een geruststellende zekerheid biedt. In het eerste hoofdstuk van Buiten-IJ worden de personages eerst heel somber van de donkere novemberavond, maar "toen dachten wij aan 't voorjaar, dat zou komen na dien winter en voelden ons weer onsterfelijk en heelemaal niet droevig meer." (p.129). Het woord 'onsterfelijk' staat hier regelrecht in contrast tot het hierboven beschreven besef van vergankelijkheid. Ook het stukje Pleziertrein eindigt op het eerste zicht merkwaardig: meteen nadat Nescio zijn spijt heeft uitgedrukt over de dag die onherroepelijk voorbij is, schrijft hij "Dat is alles. En een vreemd gevoel van onvergankelijkheid." (p.146). 

            We hebben gezien hoe de auteur in zijn Natuurdagboek herhaaldelijk uitdrukking geeft aan een gevoel van tijdloosheid. Eigenlijk houden dergelijke ervaringen net zo goed verband met de herhaling in de natuur, die immers niet enkel verwijst naar het voorbijgaan van ieder ogenblik en het sterven van iedere bloem, boom of mens, maar tegelijkertijd ook naar een dieper liggende duurzaamheid en oneindigheid. Alles sterft n de natuur, maar de natuur zelf sterft niet. Mogelijk doelt Grnloh drop wanneer hij in zijn dagboek spreekt van "vliedende bestendigheid" (18 september 1953, p.319). Achter de tijdelijke veranderingen gaat de eeuwigheid schuil, die zich manifesteert in een cyclische beweging zonder einde. In Nescio's verhalen worden bepaalde natuurelementen, zoals zon en water, symbolen van eeuwigheid. Dat is heel duidelijk het geval in De uitvreter, waar het steeds herhaalde schijnen van de zon in de Waal aanleiding geeft tot enkele reflecties over de nooit eindigende tijd. In aanraking met deze elementen kan men zich bovendien soms zlf tijdelijk onsterfelijk wanen. Net als in het Natuurdagboek is er in Nescio's verhalen meermaals sprake van 'eeuwigheidservaringen':

"'t Was of die morgen nooit zou eindigen, alsof alles tot stilstand was gekomen." (Noodlot, p.292)

"De zon staat stil, het zal geen nacht worden. De tijd staat stil, de onbarmhartige eeuwigheid heeft erbarmen. God heeft de vergankelijkheid van mij weggenomen en van deze bloeiende wereld." (Insula Dei            p.198)

            De eeuwige cyclus van de natuur is tevens een troost voor de pijnlijke confrontatie met de vernieling van het landschap, het voortdurende slopen en bouwen waartegen de auteur ook in het Natuurdagboek zozeer te keer gaat. De verwoesting van de natuur als gevolg van de "steeds hoogere eisschen" van "het moderne leven" (p.347) wordt ondermeer op de korrel genomen in 'Het begon eerder dan we gedacht hadden', een vroeg verhaal over de bohmien Japi. De ik-figuur loopt hier al wandelend te denken "dat het toch een heel werk was om alles leelijk te maken" (p.346). Het verwoede dichtbouwen van het landschap en de verderschrijdende techniek worden voorgesteld als een "oorlog tegen den ouden, achterlijken en gebrekkigen God van aarde, zon en sterren" (p.347), die weliswaar al heel wat schade heeft aangericht, maar toch als vergeefs moet worden beschouwd. Als een symbool van de eeuwigheid en onoverwinnelijkheid van de natuur duikt hier opnieuw de zon op, "die godverdomde zon, die je toch niet missen kon", en die, wat er ook gebeurt, altijd blijft verderschuiven "op z'n stupide baan, (...) voor de zoveelste maal van het Oosten naar het Westen" (p.347). In 'Japi stond op 't zuiderhoofd' is het Japi die de "belachelijke strijd" van de mensen overdenkt, en tot de slotsom komt dat God groot blijft en dat men er tot dusver nog niet in is geslaagd "met de aarde door de ruimte (te) zeilen en de zon aan een ketting er achteraan te slepen" (p.409). De zon blijft draaien, "stupide en ergerlijk loopt de aarde daar jaar in jaar uit om heen" (p.409), zodat de eeuwigheid, in de vorm van de zich herhalende natuur, triomfeert.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina