Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Natuur en landschap: Ervaring van het goddelijke

   
   

Ervaring van het goddelijke

"Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat betekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan de wereld naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: 'Goed zoo jongens, zoo mal als je bent , ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar.' En zoo gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?" (Titaantjes, p.72)

            Hierboven viel het al een paar keer op hoe Nescio het woord 'God' gebruikt wanneer hij over de natuur spreekt. Bij de behandeling van het Natuurdagboek werd al opgemerkt hoe weinig Nescio's godsgevoel uitstaande heeft met een christelijke of andere geloofsbelijdenis. Het goddelijke wordt aangevoeld in de beleving van de natuur, die immers staat voor eeuwigheid. Ook in zijn verhalen lijkt Nescio een soort van pantheÔsme aan te hangen.  Soms laat hij God zonder meer en als vanzelfsprekend samenvallen met de natuur, zodat hij dus min of meer zijn transcendentale dimensie verliest. Bijvoorbeeld in 12 Maart 1943 : "Dien avond gloeide God nog wat na." (p.573). Meestal is er echter sprake van een openbaring van God žn de natuur. Zo voelt de ik-figuur Dikschei uit Insula Dei tijdens een fietstocht de nabijheid van God in de stille avond: "Maar de Heer is in de groote stilte en in dit wonderlijke einde van een monumentalen dag." (p.198). In 12 Maart 1943 herinnert zich de auteur: "Gods opstanding. Ik kan 't niet anders zeggen. Hij was daar in alles, dat uur bij de IJssel." (p.572). Ook de vrienden uit Titaantjes hebben dergelijke aan het mystieke grenzende ervaringen. Op kantoor denken ze terug aan de tochten die ze tijdens hun vrije uren maken, "hoe wij woordeloos 't heelal doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld had" (p.48). De versmelting met het omringende landschap die zij op de meest begenadigde momenten ervaren, gaat gepaard met een gevoel zelf helemaal te worden vervuld van het goddelijke, zodat Koekebakker later verslag uitbrengt "hoe God zich in ons vieren openbaarde" ('Ik heb gezegd dat 't een ongezellig oord was', p.523).

            In Nescio's verhalen verschijnt God echter lang niet uitsluitend als de troostrijke, liefdevolle natuur, maar vaak ook als hard en onverschillig tegenover het lot van de mens. Meer dan eens lijken we een soort deÔstische visie te ontmoeten: een geloof in een God die zich niet meer met zijn schepping bemoeit en alles maar gewoon zijn gang laat gaan. God laat het eindeloze rad van de natuur maar draaien, wat er verder in de wereld gebeurt kan hem niet schelen :

"Van God was niets te hopen, die gaat zijn weg en geeft geen rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen." (Titaantjes, p.50)

"'Waarom kun je aan een mens vragen,' zei Koekebakker, die akelig wijs was dien avond. 'Jij vraagt altijd waarom, waar geen antwoord is. Denk je dat God zich met jouw domme vragen kan bezig houden?" (Titaantjes, eerste versie, p.490)

In overeenstemming met de hierboven beschreven opvatting van de natuur, heeft Nescio's God geen enkele dieperliggende bedoeling:

"Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des jungen Werthers op te voeren, als Hij daar lust in zou hebben."             (Dichtertje, p.105)

Een dergelijke onaandoenlijke God laat zich niet in met het gepieker en gezwoeg van de mensen, kijkt enkel glimlachend toe hoe zij met steeds meer middelen zijn schepping in hun greep trachten te krijgen. Vergeefs, want God blijft onoverwinnelijk:

"'t Is eigenlijk niet de moeite om je druk over te maken. God blijft groot. Ze meenen dat ze 'm op sterk water hebben. Ze meenen wonder wat tot stand te brengen. Als God er aan denkt moetti toch even lachen." ('Japi stond op 't zuiderhoofd', p.409)

            Toch is er op andere plaatsen in Nescio's literatuur uitdrukkelijk sprake van Gods 'bedoeling' of 'wil'. Zo wordt het kunstenaarschap vaak beschreven als een roeping van God. Vrij letterlijk in het geval van de schilder Bavink, die de stem van God beweert te horen in landschap, zon en zee. Ook Nescio zelf beschrijft in de Inleiding van Boven het dal zijn schrijverschap als de wil van God ("God spreekt in me" p.156), en benadrukt dat het niet gaat om een vrijwillige keuze: "Maar wie weet wat God doet, hij wou 't immers zelf." (p.157).

In Mene Tekel klagen Bavink, Bekker en Koekebakker erover dat zij geen reden van bestaan hebben: "Het moest zoo wezen, het was Gods wil." (p.124). Doelloosheid lijkt dus zowel inherent aan het wezen van God als zijn wil met betrekking tot de mensen. In Titaantjes komt Koekebakker dan ook tot het plotse inzicht : "Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.  Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen." (p.60).

            Verderop zullen we zien hoe de figuur Japi zich hier vrij letterlijk aan onderwerpt. Voor de meeste mensen echter is doelloosheid een te harde en onbegrijpelijke waarheid. Meermaals wordt dan ook Gods ondoorgrondelijkheid onderstreept. Want wat is dat voor een God, die eerst via zijn schepping de mooiste dingen lijkt te beloven, maar uiteindelijk helemaal geen dieperliggende bedoelingen heeft en alle menselijke stommiteiten zomaar laat gebeuren? In het verhaal Insula Dei klaagt Flip over de vernieling van zijn meest geliefde plekken in het landschap, en besluit: "God is vaak onbegrijpelijk. Zín onbegrijpelijkheid is nooit ver." (p.192). En in Kortenhoef beweert 'de Oester': "God is groot, maar wij moeten een beetje meewerken. En soms is God wat onbegrijpelijk." (p.223).  

            In 1947 laat Nescio het korte stukje 'Ordening' eindigen met de woorden: "Wij zijn in Gods hand. Maar soms knijpt God die hand toe." (p.596). De begenadigdheid van Nescio's figuren, aan wie God zich geopenbaard heeft, kent inderdaad haar keerzijde. Enerzijds is er de troost en levenskracht die uitgaat van het besef van de onoverwinnelijkheid van de goddelijke natuur, die aan hýn kant staat en niet aan die van de bedrijvige 'heren': "op den duur moesten ze 't toch verliezen want wij, we hadden God mee en de zon en de lucht, allemaal dingen die ze niet konden omkappen of cementeeren" ('Het begon eerder dan we gedacht hadden', p.351). Omdat de titaantjes gevoelens doorleven waar de meeste andere mensen geen benul van hebben, voelen zij zich "uitverkorenen Gods" (Titaantjes, p.43). Maar tegelijk is de aanraking met de onoverwinnelijke goddelijkheid ook reden tot verdriet. Vanuit hun voorstelling van God vinden zij immers geen vrede meer met het grijze burgerbestaan van alledag. De titaantjes willen zich daarom verheffen tot op Gods troon en het goddelijke overdragen in het gewone leven. Daarbij zijn zij onmiskenbaar tot mislukken gedoemd: de teruggeworpenheid in het aardse is onvermijdelijk. In het artikel 'Opstand tegen twee goden'[1] merkt K. Fens terecht op dat de frustraties van het dichtertje niet alleen de schuld zijn van de 'God van Nederland' en diens verstikkende moraal, maar ook van de 'God van hemel en aarde', want "door Hem is in die mens dat onvervulbare verlangen geschapen waaraan hij uiteindelijk kapot gaat."  Of zoals het in Dichtertje zelf staat: "Zij die God werkelijk lief heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde." (slotzin van Dichtertje, p.116).

   
[[1] In : K. Fens,  De gevestigde chaos.  Amsterdam, Van Oorschot, 1966.  Ook in Over Nescio, p.127-131.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina