Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Natuur en landschap: Thema van de verwachting en het verlangen

   
   

Thema van de verwachting en het verlangen

"Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet." (Dichtertje, p.110)

            De rol van de natuur in Nescio's verhalen valt moeilijk te overschatten. De droom die zowat ieder van zijn personages beheerst, en die aanleiding geeft tot verschillende thema's als dat van het kunstenaarschap en het sociaal engagement, staat in nauw verband met een specifieke observatie en beleving van de natuur, die, zoals blijkt uit het Natuurdagboek, eigen is aan het persoonlijke leven van de auteur. 

            In de literatuur van Nescio is er veelvuldig sprake van een onbestemd verlangen. Karakteristiek voor zijn figuren is de ervaring van een romantisch tekort, waarvan de oorzaak onduidelijk blijft. "Hij was de man, die iets miste en hij wist niet wat, de man die iets verlangde en hij wist niet wat, de man die iets zeggen wilde en hij wist niet wat." (Najaar, p.175). Het is voor een groot deel om dié reden dat men Nescio meer dan eens heeft geassocieërd met de stroming van de 'neoromantiek', die in de jaren '10 in de Nederlandse literatuur waar te nemen valt. Het thema van het onvervulde verlangen was ook in de poëzie van die tijd zo nadrukkelijk aanwezig, dat het geregeld als gemeenschappelijke noemer voor deze generatie schrijvers wordt vermeld. Die karakterisering berust voor een belangrijk deel op uitspraken van de dichter J. C. Bloem, die in 1915 de beschouwing Over het verlangen schrijft, waarin hij een beschrijving geeft van "de goddelijke onvervuldheid, die wel verre van ons het leven tot een last te maken, ons juist den anders onduldbare last des levens laat dragen en niet alleen, maar zelfs bovenal laat beminnen", een gevoel dat hij kenmerkend noemt voor "den dichterlijken mensch (in den ruimsten zin van het woord)" ter onderscheiding van "den ondichterlijken" [1]. Dit doet denken aan een uitspraak uit Dichtertje: "Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken." (p.82). Het verlangen is trouwens ook een onderwerp dat wordt behandeld in de briefwisseling tussen Agnes Maas-Van der Moer en Grönloh, waarbij deze laatste schrijft dat hij te trots is om de bevrediging daarvan werkelijk te wensen, want "Wat zou ons anders onderscheiden?" [2]

            Het verlangen dat Nescio's personages vervult en vaak kwelt, wordt doorgaans beschreven in relatie tot de goddelijke natuurbeleving. Het stijgt op uit de natuur, op momenten dat deze verwijst naar iets dat van een hogere orde is, en leidt onvermijdelijk tot het besef van de onvolmaaktheid van het eigen, aardse bestaan:

"Ik had nog geen merel gehoord dat jaar (...). Maar toen waren ze dan ook alom. In de schemering. En ze zongen uitzinnig. En smartelijk. Alles vloeide. En alles leek heel, heel lang geleden en je wilde iets, alweer, maar wat? En je wilde ergens heen, overal heen." (12 Maart 1943, p.572)

De onbestemdheid van dit gevoel wordt vaak beschreven als een 'overal heen willen' of 'ŕlles willen zijn'. Net als in het Natuurdagboek is er in de verhalen sprake van een wil tot vereniging, versmelting met het omringende landschap, als in een liefdesverhouding. Zoiets kan misschien op kortstondige, 'mystieke' ogenblikken wel benaderd worden, maar blijft fundamenteel onhaalbaar:

"Wat deedi hier, wat kon je doen met een landschap? Er door loopen als een gek in de nacht, je rug tegen de boomen schurken, de heuvel daar achter 't huis, over de Geul, omarmen?" (Verliefdheid, p.166)

Daarom blijft men achter met een benauwd gemoed, een gevoel van opgeslotenheid in de eigen kleinheid. In De uitvreter klaagt Japi: "Ik geloof dat mijn ziel te groot is." (p.29).[3]  Al in één van de GOHV-voordrachten van zijn jeugd beschrijft Grönloh iets gelijkaardigs: "En een man stond in de nacht en de lucht was hoog en zeer helder met vele sterren. En hij zag met nameloos verlangen, want de aarde was hem te eng en zijn lichaam te nauw (...)." (Ik zocht een doel, p.654).

            Het uit de natuur afkomstige verlangen is dus bron van frustratie en onvrede met het leven van alledag. Toch is het niet alleen dat. In Dichtertje wordt over het verlangen immers gezegd dat het "geluk is en verdriet" (p.110). Dat het ook geluk inhoudt, heeft te maken met de diepe ontroering en het gevoel van verwachting waarmee het meestal gepaard gaat. De ik-figuur uit Eerste ontroering beschrijft, zich verdiepend in een herinnering uit de tijd dat hij nog geen cynicus was: "Toen voelde ik dat alles goed was en dat er nog iets komen zou, later. 'k Voelde tegelijk een groote tevredenheid en een groot verlangen.", waarna hij verzucht: "'k Wilde dat ik nog eens bijna kon grienen zonder te weten waarom en hopen op iets, dat nooit komt." (p.158). Nescio's jongere personages kunnen nog geloof hechten aan deze bedrieglijke verwachting van de komst van betere tijden. Onder invloed van de zomernacht, de weilanden, het loeien van een koe in de verte, denken de wereldhervormers uit Heimwee "aan de tijd die komen mňest, die zeker komen zou." (p.307). Ook de Titaantjes kennen zulke gevoelens: "Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. (...) Een nieuwe tijd zou aanbreken." (p.57). Wat die 'nieuwe tijd' precies inhoudt, is niet duidelijk. "We wachten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten." (Titaantjes, p.45) De verwachting op zich volstaat echter dikwijls om "een dwaze vreugde" (Najaar, p.175) op te roepen.

            Het is dit uit de natuur opstijgende, met hoop vermengde verlangen dat aan de basis ligt van het idealisme van Nescio's figuren. Hun vlagen van sociaal engagement zou men kunnen zien als een poging het verlangen een concrete inhoud en een kans op vervulling te geven door de fixatie op een welbepaald doel. De confrontatie met de goddelijke natuur maakt hen immers extra gevoelig voor de onvolmaaktheid van de menselijke wereld. K. Geenen noemt in zijn artikel 'Nescio, cynicus of mysticus ?'[4] het idealisme bij Nescio: "dat men het van God komende wil vermenselijken, er een vorm voor scheppen niet alleen, maar er ook in gedachten een betekenis aan geven, een uitleg, een waarde, die voor mensen geldt." In de onmogelijkheid daarvan (de goddelijke natuur is even volmaakt als betekenisloos) ligt de tragiek van Nescio's figuren. 

            In De uitvreter doorleeft Japi zo'n sociaal-geëngageerde vlaag. Dat verbaast ons op het eerste zicht van "Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond en gezond was en zich genoegerig bewoog tusschen Gods hemel en Gods aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven" (p.16). In de loop van het verhaal merken we echter dat Japi stilaan geen vrede meer vindt in zijn 'versterven' aan de waterkant. Via de herhaling van de natuur getroffen door de oneindigheid van de tijd, die zal voortgaan als hij al lang gestorven is, krijgt hij de plotse drang nog gauw iets tot stand te brengen in zijn leven, bekeert zich tot het socialisme en wordt, tegen iedere verwachting in, een "woeste werker" (p.37).

            Toch is het ook weer die zelfde natuur die hem voorgoed afstand doet nemen van zijn engagement. De eindeloze, zinloze herhaling biedt immers inzicht in de vergeefsheid van ieder menselijk streven: "De wereld was blijven draaien, draaide precies zoals altijd, zou wel blijven draaien zonder hem." (p.38). Wanneer Japi aan het eind van het verhaal "zijn oude ręverie over 't water" (p.39) herneemt, wordt daarin deze keer een sterke nadruk gelegd op het contrast tussen de eeuwige en onverschillige natuur enerzijds, en het 'getob' van de mensen, die sterven vňňr ze wat hebben bereikt, anderzijds. Japi ziet in dat hij maar beter weer het voorbeeld kan volgen van de natuur, die geen doel heeft en eenvoudigweg ěs. Nadat de vergeefsheid van het engagement aan het licht is gekomen, slaat het eeuwigheidsverlangen om in een passieve, contemplatieve houding. Want zoals Anikň Darňczi het uitdrukt: "Doen is iets wat ons aan het ogenblik bindt, niets doen iets waardoor de eeuwigheid ons aanraakt." [5] Hij keert dus terug naar zijn oude levensfilosofie, uit de tijd dat hij zorgeloos leefde van dag tot dag. Hij beseft nu echter maar al te goed dat zo'n leven niet kan blijven duren: "Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet." (p.39). Omdat zijn verlangen naar 'onaandoenlijkeid' en naar vereenzelviging met de natuur te groot is en in het leven van alledag onvervulbaar, blijkt zelfmoord de enige oplossing. Door de brug af te stappen en zich te laten meevoeren door het stromende water, geeft hij zich eindelijk volledig en definitief over aan de doelloze eeuwigheid van de geliefde natuur.

            Men krijgt sterk het gevoel dat Japi's 'natuurfilosofie' niet zomaar een verzinsel is, maar een stille wens van de auteur zelf, die immers niets liever wilde dan zijn dagen door te brengen "in stil verkeer met onzen Lieven Heer en zijn velden en boomen en waters zonder bemiddeling van priesters en hogepriesters." (Belijdenis, p.605). In de vorm van het verhaal De uitvreter gaat hij na waartoe dit ideaal, letterlijk in de praktijk omgezet, kan leiden. Een levenshouding die volledig gebaseerd is op het immense verlangen naar harmonie met de natuur, blijkt onleefbaar. Japi is winnaar en verliezer tegelijk: hij bereikt zijn ideaal, maar moet dit met de dood bekopen.[6]             

            Een leefbare oplossing werd dus niet gevonden en Nescio blijft achter met zijn verlangen. Een vrij uitvoerige beschrijving daarvan krijgen we aangeboden in het erg auto-biografisch getinte verhaal Najaar (met de veelbetekenende overgang van de hij-figuur naar de ik-figuur aan het eind van het laatste hoofdstuk, waarbij we sterk de indruk krijgen de schrijver zélf aan het woord te horen). Janus, net als Grönloh kantoorbediende en vader, tegelijk vervuld van schrijversaspiraties, voelt soms nog "een dwaze vreugde, alsof er nu iets gebeuren zou" (p.170), maar weet dat dit gevoel bedrieglijk is: "Het was jongensachtig, alleen toen hij een jongen was had hij er aan geloofd." (p.176). Het ideaal van Janus en het besef van het problematische karakter daarvan herinneren ons sterk aan het lot van Japi:

"Ook had hij vrij willen zijn, geen baantje, geen zaken, geen gezin, geen vrinden, altijd vrij, van aangezicht tot aangezicht met God. Maar die van God vervuld is gaat aan zijn gruwelijke oneindigheid ten gronde. En dit is het ergste van alles. Dat wij sterven aan het verlangen en niet anders kunnen. Tartarin in Tarascon: 'Rien, toujours rien.'" (p.179)

            Hoe in het verlangen voor het eerst het verdriet gaat overheersen ten gevolge van het inzicht in de bedrieglijkheid van de verwachting, krijgen we te lezen in het achtste hoofdstuk van Titaantjes, waar de gedachten centraal staan van Koekebakker, na zes jaar afwezigheid terug in Holland:

"En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het verlangen, zonder te weten waarnaar. Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan, en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn verlangens onbevredigd." (p.59)

Tegelijk wordt in deze passage echter ook een soort oplossing aangeboden, een compromis om toch te kunnen verder leven...
   
[1] J. C. Bloem, Verzamelde beschouwingen.  's-Gravenhage, A. A. M. Stols, 1950, p.11.

[2] Brief van 25-5-1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.417.

[3] Om het mystieke karakter van dit gevoel in de verf te zetten plaatst Anikň Darňczi in 'Nescio, de mystieke dichter' (p.287-288) deze uitspraak van Japi naast enkele regels van Pseudo-Hadewijch in de 21ste Mengeldicht : "Alle dinghe / Sijn mi te inghe / Ic ben so wijt".

[4] In : Maatstaf, 1965-1966, jrg.13, nr.2, mei.  Ook in : Over Nescio, p.105.

[5] Anikň Darňczi, 'Nescio, de mystieke dichter', p.286.

[6] Op de vraag of hij zelf de uitvreter had willen zijn, antwoordt Grönloh in 1956 : "Dat kun je niet volhouden, je kunt er niet van leven.  Ik heb zelf mijn hele leven gewerkt, ik heb mijn tijd op een kantoor verdaan."  In : W. G. van Maanen, Meneer Grönloh.  Amsterdam, Van der Wielen, 1995.  Geciteerd in : M. Verhoeff, Is u Amsterdammer ? Ja, Goddank, p. 38.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina