Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Nescio, zijn tijd vooruit: "Het schijnt dat God niet vraagt naar ieken en ismen": situering

   
   

1.2."Het schijnt dat God niet vraagt naar ieken en ismen": situering

            In 1961 schrijft Louis Paul Boon: "Nooit werd iets mooier in onze hele Noord- en Zuidnederlandse literatuur geschreven, en nooit heeft het zolang geduurd om  de mooiheid van dergelijk soort werk naar waarde te doen schatten." [1] Eén van de redenen voor dit langdurige tekort aan aandacht is wellicht de moeite die de Nederlandse kritiek en literatuurgeschiedenis steeds heeft ervaren om het werk ergens te plaatsen. Nescio was zich zelf van deze moeilijkheid bewust, zo blijkt uit enkele aantekeningen die hij rond 1911 maakt bij een onvoltooid verhaal: "Ze zullen wel weer zeggen dat 't nix is: geen verhaaltje, geen roman, geen lyriek, geen epiek, geen romantiek, geen realisme." Om duidelijk te maken dat hij dit soort kwesties aan zijn laars lapt, voegt hij er aan toe: "Het schijnt dat God niet vraagt naar ieken en ismen en zijn gang gaat, maakt en breekt naar welgevallen." (p.812)

            Nescio debuteert in 1911. Op dat ogenblik is in Nederland de Tachtiger-beweging over haar hoogtepunt heen en dient de generatie van 1905 of 1910 zich aan. Deze jongeren zijn in hoofdzaak te situeren rondom het tijdschrift De beweging, opgericht door Albert Verwey, die, na de sterk op het zintuiglijke gerichte literatuur van de Tachtigers, de klemtoon wil verleggen naar de innerlijke, geestelijke wereld. Gestimuleerd door het symbolisme willen deze schrijvers afstand nemen van de realistische beschrijvingskunst en meer de verbeelding aan bod laten komen. Om die reden worden zij al eens 'neoromantisch' genoemd. Tegelijk bloeit de Beweging van Tachtig nog wat na, ondermeer in Van Deyssels Frank Rozelaar en P.C. Boutens' Vergeten Liedjes. Het naturalisme van het eind van de negentiende eeuw wordt voortgezet in het werk van ondermeer Maurits (P. A. Daum), Johan de Meester, Frans Coenen en Herman Robbers. Enkele prominente auteurs te midden waarvan Nescio schrijft zijn J. H. Leopold, A. Roland Holst, Aart van der Leeuw, Johan de Meester, Top Naeff en Nico van Suchtelen.

            Verschillende pogingen zijn ondernomen om het werk ergens onder te brengen.  Eén van de eersten die zich bezint over Nescio's literair-historische positie is Menno Ter Braak, die de bundel in 1933 "een Tachtigers-boek, maar van binnen uit gezien en daarom boven Tachtig uit gekomen" [2] noemt. Naar zijn mening is Nescio stilistisch gezien in te delen "bij al die ijverige naturalisten, die 'hatti' schreven in plaats van 'had hij' en zelfs 'verachttenem' voor 'verachtte hem' ", maar gaat het uitsluitend om oppervlakkige, puur uiterlijke overeenkomsten. Wat de auteur essentieel van het naturalisme zou onderscheiden is het feit dat "Zijn personages zijn gezien van het standpunt van iemand, die zelf oordeelt(...)", dat hij zich niet laat "voortdrijven op den stroom der ongetelde impressies", maar ook een wereldbeschouwing meegeeft, gerepresenteerd door de personages, die "niet alleen 'typen'"  zijn. In 1950 deelt Ter Braak Nescio, samen met Elsschot, Willem Paap en 'Maurits' (P. A. Daum) in bij de schrijvers van wat hij "de 'lijn Multatuli', anders gezegd de lijn van het 'gezond verstand'" [3] noemt. Wat deze schrijvers met elkaar zou verbinden is, naast de verwaarlozing waaronder zij allen lijden, hun scherpe observatie, hun nuchterheid, hun kritische houding tegenover ideologieën en literaire scholen. Ter Braak schat hen hoger dan toegejuichte auteurs als Van Deyssel, Van Eeden, Querido of Felix Timmermans. 

            Ook Kees Fens noemt, in 1964, Nescio in één adem met Elsschot en Willem Paap.  Samen met Dèr Mouw situeert hij hen in "de strijd om het gewone woord". Literair-historisch gezien plaatst hij Nescio bij de realisten, met als nuancering: "Men moet echter, als men hem in dat laatje stopt, één voorbehoud maken: zijn realisme is een van de allerzuinigste soort, een realisme uit armoede; alleen het uiterlijk wordt beschreven, omdat de taal voor de taal van het hart te arm is." [4] Rob Bindels heeft er moeite mee Nescio qua stijl in te delen bij het traditionele realisme. Ondanks het feit dat er af en toe een minutieuze beschrijving van de werkelijkheid wordt gegeven, onderscheidt hij zich hier wezenlijk van door wat Bindels "een nuchter soort 'bezieling'" [5] noemt: de verteller houdt zich niet op afstand van de wereld die hij beschrijft, maar belééft tegelijk hetgeen hij vertelt. Een stijlverwantschap met de Tachtigers is naar zijn mening slechts toevallig; wanneer Nescio 'hatti', 'verachttenem', 'mogelik' en zo meer schrijft, heeft dat waarschijnlijk meer te maken met het feit dat hij, in navolging van de sterk door hem bewonderde Multatuli, in zijn woordkeuze zo veel mogelijk de spreektaal tracht te benaderen.

            Meermaals wordt Nescio in verband gebracht met Forum, als een soort voorloper van de literatuuropvattingen van dit tijdschrift dat hem in de jaren dertig 'herontdekt'. Met dit belangrijke literaire blad uit het interbellum komt er een nieuw soort literaire kritiek naar voren, die wel raad weet met het soort proza dat Nescio schrijft. De groep van Forum, vooral bestaande uit afvallige protestanten als Ter Braak en Greshoff, vertrekt van een sceptische wereldbeschouwing en beoordeelt de auteur op grond van zijn individualiteit, waarbij men de inhoud laat prevaleren boven de vorm. W. Mooyman beweert in 1963: "Nescio hoort bij Forum, het blad dat in zijn eerste nummer partij koos tegen'de vergoding van den vorm ten koste van den creatieven mensch' en dat de opvatting verdedigde 'dat de persoonlijkheid het eerste en laatste criterium is bij de beoordeling van den kunstenaar'." [6] Ook C. Bittremieux[7] en H. Plomp[8] zien een duidelijke band.

            A. Van Til[9] echter merkt op dat er buiten Ter Braak nauwelijks aandacht aan Nescio wordt geschonken door Forum-auteurs. Naar zijn gevoel is Nescio eerder iemand die bij 'de generatie van '05 of '10' hoort, wat duidelijk wordt uit de affiniteit met mensen als Bloem, Roland Holst, Van Nijlen en Dèr Mouw. Knuvelder[10] ziet wel een inhoudelijke overeenkomst met deze generatie en met de neoromantiek, maar merkt dan weer een opvallend verschil op in Nescio's 'praatstijl'.

            Kortom: de meningen zijn verdeeld, een eenduidige plaatsing van de schrijver in de literatuurgeschiedenis lijkt niet te lukken, en in literatuuroverzichten treffen we hem dan ook meestal aan onder titels in de aard van 'Andere Prozaschrijvers'. Er zijn wel wat verbanden aan te wijzen tussen Nescio en bepaalde generatiegenoten - vooral die met Elsschot werden al vroeg opgemerkt; opvallend is verder de hoofdzakelijk thematische verwantschap met dichters als Bloem en Van Nijlen - maar deze zijn meestal toch slechts van vrij oppervlakkige aard.

            De langzaam toenemende erkenning van Nescio is een aanwijzing voor het feit dat de auteur zijn tijd vooruit was. Dat wordt al in 1933 bij de herdruk letterlijk opgemerkt door W. L. M. E. Van Leeuwen[11] en een anonymus, waarschijnlijk V. E. Van Vriesland[12]. Nog in recensies van tientallen jaren later wordt herhaaldelijk met verbazing opgemerkt dat het werk helemaal niet verouderd is, maar er eerder beter op werd. Volgens J. Greshoff in 1948 "won (het) aan geur en zin en ik kreeg heel sterk het gevoel, dat wij de geest, welke er uit spreekt, nu meer behoeven dan ooit te voren." [13] Nog in 1961 maakt G. Stuiveling[14] een gelijkaardige opmerking. De schrijver zelf schijnt zich daar overigens goed van bewust te zijn geweest, en zou op tijd en stond zelfverzekerd hebben gezegd: "Mijn tijd komt nog wel." [15]  Zijn vrouw herinnert zich : "Pappie zei altijd: Nu erkennen ze me nog niet.  We moeten geduld hebben. Je zult zien, dat ik gelijk krijg. Later... Later..." [16] Dit zijn tegelijk enkele van de citaten, die duidelijk maken dat Nescio, ondanks de grote bescheidenheid die hij op andere momenten aan de dag legt, lang niet twijfelt aan de kwaliteit van zijn eigen werk. Wanneer N. Gregoor hem in 1959 vertelt dat een jong auteur als Bert Schierbeek hem onze grootste prozaschrijver noemde, beaamt hij dit zonder blikken of blozen: "Ze kunnen het niet nadoen"  zou hij eraan toegevoegd hebben, "Ze hebben het vaak genoeg geprobeerd." [17]

   

[1] L.P. Boon, 'Eindelijk weer Nescio'. In : Vooruit, orgaan van de Belgische socialistische partij, 8 juni 1961.  Geciteerd in : R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio, p.154. 

[2] M. Ter Braak, o.c.  Over Nescio, p.46.

[3] M. Ter Braak, 'De non-conformist (Alexander Cohen)', p.357.

[4] K. Fens, 'Ogenblik en eeuwigheid'.  In : K. Fens, De eigenzinnigheid van de literatuur.  Amsterdam, Van Oorschot, 1964, p.89 en 94.  Ook in : Over Nescio, p.94.

[5] R. Bindels, Nescio, p.29.

[6] W. Mooyman, 'Werd Nescio miskend ?' In : Hollands Maandblad; tijdschrift voor literatuur en politiek, jrg.4 (1963), nr.190, mei.  Ook in : Over Nescio, p.195.

[7] C. Bittremieux, 'Nescio'.  In : Dietsche Warande en Belfort, jrg.106 (1961), nr.8, augustus.  Ook in : Over Nescio, p.79.

[8] H. Plomp, 'Nescio's weg naar het Koninkrijk Gods'.  In : De Vlaamsche Gids, maandschrift, jrg.55 (1971), nr.2, februari.  Ook in : Over Nescio, p.149.

[9] T. Wierema, 'Nescio, een zucht van de wind door de kruinen van ons proza'.  In : Vrij Nederland, 24-7-1971.  Ook in : Over Nescio, p.213.

[10] G. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Deel IV.

[11] W. L. M. E. Van Leeuwen, 'Een zeer bijzondere herdruk'.  In : Tubantia, Twentsch Dagblad, 16-12-1933.  Ook in : Over Nescio, p.50.

[12] Anoniem (wrsch. V. E. Van Vriesland), 'Vertalingen en herdrukken'.  In : De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28-11-1933.  Ook in : Over Nescio, p.48.

[13] J. Greshoff, 'Hoe moet men schrijven om klassiek te worden ?'  In : De Nieuwe Courant, 6 maart 1948.  Ook in : Over Nescio, p.61.

[14] G. Stuiveling spreekt in 'Zingeving aan de zinloosheid' van "de curiositeit van dat proza dat ondanks z'n betrekkelijk hoge leeftijd nergens enige sporen van veroudering vertoont."  In : Haags Dagblad, 1-7-1961.  Ook in : Over Nescio, p.74.

[15] Kronkel (S. Carmiggelt), 'Titaan'.  In : Het Parool, 14 oktober 1971.  Ook in : 'Van u heb ik ook een heleboel gelezen...', p.45. 

[16] C. Jaspars, 'Brief over Nescio'.  In : Hollands Maandblad, tijdschrift voor literatuur en politiek, jrg.5 (1964), nr.198, januari.  Ook in : Over Nescio, p.273.

[17] N. Gregoor, 'Een zwak voor Nescio'.  In : Maatstaf, jrg.7 (1957), nr.7, december.  Ook in : Over Nescio, p.252.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina