Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten : Inhoud: Natuur en landschap: Natuur als toevluchtsoord en middel tot verinnerlijking

   
   

Natuur als toevluchtsoord en middel tot verinnerlijking

            De melancholie en ontmoediging ten gevolge van bovenstaand inzicht in de onbereikbaarheid van de vage idealen ("Wie kan z'n leven doorbrengen met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet i ?" p.59) moet in het belangrijke achtste hoofdstuk van Titaantjes wijken voor de ontroerende gedachte aan de komst van de lente, nog steeds ieder jaar een troost en geluk. En opeens komt Koekebakker tot een zekere berusting, gekoppeld aan een soort innerlijk visioen:

"God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen staan er vol schoone bloemen, die niet sterven, en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindeloze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht naar de zee.

En aan de rivieren mijner gedachte zit ik stilletjes en genoeglijk en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie 't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende. 

En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor den wind ruisschen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid, dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben dankbaar dat dit mij gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan en voel mij God, de oneindigheid zelf." (p.60-61)

            Waar komt dit beeld vandaan? Voor de titaantjes en andere figuren van Nescio (en voor Nescio zelf) betekent de vlucht in de natuur van meet af aan een mogelijkheid om zichzelf tijdelijk te bevrijden van de dagelijkse beslommeringen van het burgerbestaan. Als een toevluchtsoord om tot zichzelf te komen én de alledaagsheid te overstijgen, is het Hollandse landschap voor hen van levensbelang. Omdat de aanraking met de goddelijke volmaaktheid, aan de ene kant een troost, tegelijk verlangens wekt die niet realiseerbaar zijn, is deze overlevingsstrategie echter niet onproblematisch. Het geliefde landschap blijkt bovendien weerloos tegenover de ingrepen van respectloze mensen. Precies zoals we in het Natuurdagboek zien gebeuren, bouwen Nescio's personages zich door een selectie van mooie stukken landschap een eigen wereld op, ver van kantoorleven en burgerplichten, om op tijd en stond in weg te vluchten. Maar die dierbare plekken blijken niet bestendig:

"Men schept zich een eigen wereld, men verwerpt, men keurt goed, men ontdekt, men voegt toe, eindelijk ziet men dat het goed is. En dan begint de afbraak, eerst langzaam, men bemerkt 't nauwelijks en weet nog niet wat er gebeurt. Wat men moeizaam heeft veroverd, wat men lief heeft, verdwijnt of verandert onherkenbaar: wegen en waters, bruggen, huizen, dorpen en steden, menschen ook. Ze vragen je nix, ze doen maar." (Het Einde, p.567)

            Koekebakker komt in Titaantjes tot het inzicht dat de kloof tussen ideaal en werkelijkheid niet te overbruggen valt. Hoe kan men verder leven met dit pijnlijke besef? Koekebakker komt tot de oplossing "God leeft in mijn hoofd", met andere woorden: verinnerlijking van het ideaal, dat in de buitenwereld niet kan worden bereikt.

            Achttien jaar later komt Nescio hier opnieuw en veel uitvoeriger op terug in het verhaal Insula Dei, daterend uit 1942. Hierin wordt beschreven hoe de ik-figuur Dikschei tijdens een "grauwe, ijzige, dooie dag" (p.181) van februari '42 toevallig zijn oude jeugdvriend Flip tegen het lijf loopt, na deze tientallen jaren niet meer te hebben gezien. Onder invloed van die ontmoeting voelen ze beiden het verleden herleven, en zoeken elkaar opnieuw op om te praten. Aanvankelijk maakt Flip een allesbehalve vrolijke indruk: armoedig, hongerig, verdrietig om zijn gestorven vrouw, teleurgesteld om het boek dat hij heeft geschreven maar dat door niemand wordt gelezen... Desondanks beweert hij niet droevig te zijn. Flip maakt zijn vriend duidelijk waaruit zijn methode bestaat om ondanks alle teleurstellingen van het harde leven toch nog vreugde en geluk te ervaren. Hij noemt zichzelf "een groot eiland" met "van alles op" (p.187): hij heeft zich vanbinnen een eigen wereld geschapen, gebaseerd op zijn meest dierbare stukken natuur en stad:

"'Geen sneeuw en ijs. Maar heele rivieren van bewegend water. De Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde beneden Antwerpen. Ik kan niet alles opnoemen. En steden: Middelburg, zooals 't vroeger was, en Maastricht en Hattem en Lier en St. Omer, ik kan niet alles opnoemen. Heel Nederland en België en die hoek van Frankrijk. De brokken die niet deugen heb ik er uit gezaagd." (p.188)

De link met Koekebakkers bespiegelingen over "God leeft in mijn hoofd" is reeds duidelijk, maar wordt nog eens extra in de verf gezet door een rechtstreekse allusie in hoofdstuk drie, waar Flip, na zijn beklag te hebben gedaan over de verloedering van het landschap en over de onbegrijpelijkheid van God, enigszins triomfantelijk beweert: "'Maar ik weet nu wel beter: God is hier.' Hij wijst op z'n voorhoofd (...).". Waarop Nescio Dikschei laat denken: "'God is hier.' Waar heb ik dat meer gehoord?"(p.192).

            Net als de 'onmetelijke velden' van Koekebakker, is het 'eiland Gods' van Flip opgebouwd uit datgene wat in de werkelijkheid het dichtst de volmaaktheid benadert, via de verbeelding aangevuld tot een wereld waarin niets ontbreekt. Een wereld waarin bestendigheid probleemloos samengaat met voortdurende nieuwheid ("'t eindelooze gebied is eindeloos 't zelfde en geen oogenblik gelijk", Titaantjes, p.59), waarin het onbekende niet bedreigend is ("'t onbekende deert mij niet", Titaantjes, p.60), waarin God wordt ontdaan van zijn kwellende onbegrijpelijkheid ("En daarin is God niet onbegrijpelijk.", Insula Dei, p.193). Een wereld ten slotte waarin men van Gods macht kan proeven, zonder als een titaantje de nek te worden gebroken: Koekebakker voelt er zich "God, de oneindigheid zelf" (Titaantjes, p.6O), Flip beweert er "Gods stadhouder" (Insula Dei, p.193) te zijn.

            Toch wordt deze overlevingsstrategie door Dikschei niet probleemloos aanvaard. Het vierde hoofdstuk is helemaal gewijd aan zijn pogingen om er eens grondig over na te denken. Aanvankelijk staat hij veeleer weigerachtig tegenover 'Insula Dei': is het geen teken van lafheid of levensmoeheid? "Insula Dei. Ik moet daar eens even over denken. Een toevluchtsoord voor oue mannen?" (p.193). Naar aanleiding van de plotse regen buiten, dwalen zijn gedachten al snel af naar een herinnering aan "de boomen van Frankendaal, blauwe en rooie druppels glinsteren aan de takken" (p.194) en zo naar de vergankelijkheid van alle dierbare dingen, om ten slotte terug te keren tot 'Insula Dei' als mogelijkheid het verleden vast te houden. Is het echter niet te gemakkelijk zich zomaar uit de werkelijkheid terug te trekken? "Insula Dei. Ik dwing m'n gedachten er naar terug. Ja. En nee. Ik denk aan deze bewogen tijden. Men wil iets doen." (p.194). Het beetje idealisme en wil tot engagement dat nog in de al wat oudere Dikschei schuilt, is echter weinig overtuigend: "Doen. Wat heb ik er grondeloos genoeg van gehad. O, zij kunnen niet anders. Doen ze niet, dan zijn ze niet. Ik wil zijn, voor mij is doen: niet zijn." (p.195). We worden herinnerd aan Koekebakkers vaststelling in Titaantjes dat God geen ander doel heeft dan de doelloosheid, met andere woorden: het eenvoudigweg 'zijn', dat regelrecht tegenover het doelgerichte streven van de bedrijvige burgerheren staat. Na deze reflectie over 'doen' en 'niet doen' glijden Dikschei's gedachten opnieuw weg naar het verleden: de lente van het vorige jaar, de natuur in bloei. En nu komt ook Dikschei's diepste ideaal aan het licht:

"Een weidsch gezicht, weidsch genoeg voor mij, mijn hart zwelt en het landschap zwelt mee, de lucht is zoo hoog en 't is of ik daar zoo zou kunnen leven, zonder vriend, zonder bakker, zonder melkboer, zonder slager, zonder kruidenier, zonder vuilnisvat, zonder kleeren, zonder sigaren desnoods en zonder pijpje en dat zegt heel wat." (p.196)

We denken terug aan de wensdroom van Janus in Najaar, en aan De uitvreter, waar de onleefbaarheid van een dergelijk ideaal (Japi's verlangen naar 'onaandoenlijkheid') werd aangetoond. Dikschei maakt zich trouwens geen illusies; bovenstaand droombeeld wordt onmiddellijk op een nuchtere manier ontluisterd: "(...) den bakker en die anderen raak ik wel nooit kwijt. (...) En zonder kleeren, daar kan ik heelemaal niet tegen, helaas, en de politie jaagt op naaktlopers, als die eens een enkele maal voorkomen." (p.196).

            Dikschei komt er niet uit, en geeft het denken over 'Insula Dei' op. Maar op de terugweg van zijn avondwandeling, waarbij hij een visioen heeft van Wordsworth's 'daffodils' en van een zomerse fietstocht, heeft hij het gevoel dat "Gods eiland (...) rondom (is)" (p.199). En ook wanneer hij zijn vriend Flip in het volgende hoofdstuk opzoekt in zijn armoedige woning ("Dit is niet eens het dal der plichten. Dit is een put. Van onderen op kijk ik tegen Gods achterhoofd." p.201), en ze samen foto's bekijken van Flips ouders en overleden vrouw, voelt Dikschei de nabijheid van 'Insula Dei': "Dat voorhoofd, die oogen : Insula Dei. Zie daar." (p.201). Als Flip echter, neerslachtig geworden door de herinneringen, beweert dat hij in zijn leven alles verzuimd heeft "om een waan" (p.205), wordt Dikschei opnieuw overmand door twijfel: "Ik denk aan me zelf. Zou alles toch een vergissing geweest zijn?" (p.205). De neerslachtigheid wordt echter doorbroken door Dikschei's mededeling "Over een maand bloeien de crocussen" (p.205 : ook de werkelijkheid heeft nog wat in petto, de komst van de lente, ieder jaar weer een troost en vreugde, is géén waan.

            Of de vlucht in de innerlijkheid uiteindelijk al dan niet aanvaard wordt door Dikschei, is niet duidelijk. Het verhaal eindigt in twijfel. Via de gedachtegang van Dikschei, net als Flip een afsplitsing van Nescio's persoonlijkheid, wordt aangetoond dat het misschien wel de enige leefbare, maar daarom nog niet de ideale oplossing is. C. Bittremieux spreekt van een "noodzakelijk kompromis" dat erin bestaat "dat men 'in het dal der plichten' zijn man tracht te staan alsof er niets aan de hand was, terwijl men voor de figuur die 'boven het dal' vertoeft een innerlijk reservaat aanlegt waarheen hij altijd de wijk kan nemen." [1] Het is dus een houding die het midden houdt tussen capituleren en rebelleren. Geen resignatie, zoals bij figuren als Hoyer en Bekker, maar ook geen opstandigheid die leidt tot de eigen ondergang, zoals bij Japi, Bavink of het dichtertje. Een houding zoals Nescio /Grönloh die zelf aanneemt - maar daarom nog niet zonder meer goedkeurt. De vraag of er, door zich op een dergelijke manier over te geven aan een 'waan', niet wordt voorbijgegaan aan wat écht belangrijk is in het leven, blijft onbeantwoord.

            Het is niet verwonderlijk dat Nescio nà Insula Dei niets meer heeft geschreven van deze omvang. Overige prozastukjes beperken zich meestal tot wat losse bespiegelingen. Met Insula Dei heeft de schrijver eigenlijk het belangrijkste gezegd. We vinden in dit verhaal een kristallisatie van alle voorheen of nadien behandelde thema's. De zoektocht naar een levenshouding die een antwoord is op het conflict tussen ideaal en werkelijkheid, vindt hier haar eindpunt. Geheel overeenkomstig aan Nescio's afkeer van 'levenswijsheid' of definitieve verklaringen, gaat het daarbij om een open einde. 

"Wil ik dan verzadigd zijn? Ja. En nee. Er is geen antwoord.

En in eens heb ik daar vrede mee. Er is geen antwoord. Ook al goed. Over een maand bloeien de crocussen weer." (Insula Dei, p.196)

   
[1] C. Bittremieux, 'Nescio'.  In : Dietsche Warande en Belfort, jrg.106 (1961), nr.8, augustus.  Ook in : Over Nescio, p.86.
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina