Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Stijl

   
   

3.2. Vorm

3.2.1. Stijl

            In 1964 beweert G. K. Van het Reve: "Nescio schreef, nadat er tientallen jaren tonnen hoogdravende onzin over de Nederlandse lezer waren gestort, als een gewoon mens." [1] Door die grote natuurlijkheid verschilt Nescio's werk stilistisch sterk van de meeste literatuur van zijn tijdgenoten, die zich onder invloed van de Tachtigersbeweging vaak nog laten verleiden tot een gekunstelde, versierde stijl. W. Mooyman[2] toont ons het contrast door een stukje uit Titaantjes naast enkele passages van andere auteurs uit de jaren '10 te plaatsen: in tegenstelling tot deze laatsten vindt men bij Nescio nergens overbodige versierselen, maar wordt klaar en duidelijk gezegd wat er te zeggen valt. 

            Zoals reeds vermeld werd in het eerste hoofdstuk, gaan er al bij het eerste verschijnen van Nescio's verhalen enkele bewonderende stemmen op over het onconventioneel eenvoudige taalgebruik, dat bijvoorbeeld van een "natuurlijke ongedwongenheid" [3] wordt genoemd. A. Maas-Van der Moer schrijft: "Het is juist het niet-aangeleerde, het on-technische, het zoo maar wegpraten zoals hij is, wat dit werk maakt tot iets gaafs, iets aangrijpends." [4] We mogen ons echter door die natuurlijke klank van Nescio's proza niet laten verleiden tot een al te naïeve voorstelling van zijn werkwijze als een volkomen spontaan schrijven. Nescio wil, tijdens de zeldzame keren dat hij zich expliciet uitlaat over zijn eigen schrijverschap, ook zelf graag de indruk wekken of wat hij schrijft 'vanzelf' is ontstaan, zonder enige vorm van constructie. Wanneer Lieneke Frerichs in haar historisch-kritische uitgave het ontstaansproces van De uitvreter nagaat[5], krijgen we echter een bevestiging van wat reeds in 1948 door Greshoff werd vermoed: Nescio's "lakonieke natuurlijkheid" is "minder natuurlijk dan men meent". Naar Greshoffs mening behoort Nescio tot de weinige schrijvers die de bijzondere gave bezitten om, hoe welbestudeerd hun werkwijze ook moge zijn, de indruk te kunnen wekken dat het voltooide werk "zonder pijn of moeite" ter wereld is gekomen.[6] G. Stuiveling doet in '61 een gelijkaardige uitspraak, wanneer hij zich bezint over het feit dat Nescio's werk nergens sporen van veroudering vertoont. Als reden daarvoor ziet hij de gewoonte van de schrijver zich zo dicht mogelijk bij de gewone taal te houden, in plaats van aansluiting te zoeken bij een literaire stijl, die sowieso nooit van lange duur is. Dat is minder makkelijk dan gedacht, want "het vergt een grote kunst de kunst te vermijden." [7] Die tweede 'kunst' dienen we dan in de eerste plaats te verstaan als 'artistieke conventies', of ook wel 'gekunsteldheid'. Nescio's literatuur wint er alleen maar door aan levendigheid. Weinig auteurs weten in zo eenvoudige woorden zoveel leven te vangen. Als voorbeeld de volgende passage uit Titaantjes:

"En dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je 't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien.  Een paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ''t Is hier goeie. Zoo moest 't maar blijven.'"(p.45)

            In 1933 wordt opgemerkt dat Nescio's "nuchtere, sobere, rake proza" "altijd spreekt en nooit galmt of declameert." [8] Ik zou hieraan willen toevoegen dat zijn proza niet altijd als gepraat overkomt (in de secundaire literatuur treffen we meer dan eens termen als 'praatstijl' of 'babbeltoon' aan), maar soms bijna lijkt te zingen. Voor zover ik weet is N. A. Donkersloot (?) de eerste die, in 1934, wijst op het "wonderlijk samengaan (...) van een vif en nuchter realisme en een uiterst persoonlijke lyrische dichterlijkheid." [9]. Deze combinatie van een nuchtere, vaak grappige toon enerzijds en een uitgesproken lyrische anderzijds, die ook al opviel in het Natuurdagboek, is opnieuw een facet van de hierboven reeds vermelde vereniging van verstand en gevoel in Nescio's literatuur. Het is tevens een gevolg van de dubbele manier van kijken, zoals die zijn neerslag kreeg in het Natuurdagboek: de mensenwereld wordt met de vaak ironische blik van een buitenstaander waargenomen, de wereld van de natuur met een blik vol ontroering en aanbidding. Ook in de verhalen worden diepe ontroering en grote gevoeligheid afgewisseld met een nuchter en kritisch afstand nemen, wat zich niet alleen inhoudelijk laat merken, maar ook zijn weerslag vindt in de stijl. 

            Ook waar Nescio's proza een overheersend lyrisch karakter krijgt, wordt de eenvoud van de taal niet prijsgegeven. L. Frerichs meent dat Nescio "in essentie een lyricus (is) die geen poëzie maar proza schrijft" [10]. Zelf wijst de auteur in die richting in de inleiding van Boven het dal, waar hij zijn eigen schrijverschap problematiseert:

"Maar men kan zoo niet blijven schrijven. Men kan kleine gedichtjes maken, met niet veel woorden heeft men dan een klein boekje vol en men wordt besproken en misschien ook wel gelezen door de menschen (...). Maar als men 't zoo maar eenvoudig weg in proza schrijft, dat is niet te lezen, onsamenhangend en telkens 't zelfde en veel te weinig." (p.156)

Het equivalent van Nescio's literatuur in poëzievorm zou dus uit "kleine gedichtjes" bestaan. Inderdaad is Nescio een man van weinig woorden. Hij acht de mogelijkheden van de taal dan ook niet zo hoog. In Dichtertje treffen we de volgende zinnen aan: "De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit." (p.109). We zagen reeds in andere contexten hoe de confrontatie met de volmaaktheid van de natuur inzicht geeft in de beperkingen van de mens. Ook Nescio's sceptische houding tegenover de menselijke taal is hier een gevolg van.

            In plaats van op zoek te gaan naar nieuwe, ingenieuze taalprocédés om de onuitputtelijke schakeringen van de werkelijkheid tòch nog uit te drukken, kiest Nescio voor het tegenovergestelde: hij bouwt de literaire taal af tot haar essentie. Kees Fens spreekt van "minimumproza", waarvan de eentonigheid "zeer functioneel" is. Als verklaring voor het ontbreken van de "indrukwekkende volzin en de grote woorden" in Nescio's stijl, ziet hij het feit dat "het leven (...) niet als indrukwekkend en groot (wordt) ervaren".[11] Inderdaad kan men de eenvoud van Nescio's taal in relatie zien tot het besef van de eigen kleinheid, de nietigheid van het persoonlijke leven, dat in zijn verhalen immers zo vaak wordt benadrukt door de menselijke bezigheden tegenover de oneindige, eeuwige natuur te plaatsen. In zijn taalgebruik is Nescio zeker geen titaantje. Hij ziet maar al te goed in dat de wereld die hij al schrijvende schept, steeds ondergeschikt blijft aan de goddelijke natuurschepping. Daarom neemt hij in zijn woordkeuze en zinsbouw een nederige houding aan tegenover de ontzagwekkende natuur.

            Er kan echter nog een andere reden worden gevonden. Aan het begin van het in 1947 neergeschreven stukje Alma Mater schrijft Nescio: "Het Goddelijke is... bijna niets." (p.594).  Enkele dagen later voegt hij daar de volgende Explicatie aan toe:

"Men heeft mij lastig gevallen over die woorden: het Goddelijke is... bijna niets. Die men begreep dat niet.

Ik heb daar tegen dien men gezegd: 'Er is nog nergens wat' (dat was maar bij wijze van spreken) maar er zijn kleine knopjes aan de seringstruiken. Gaat U daar eens aandachtig naar staan kijken, misschien begrijpt U 't dan.'" (p.597)

Nescio's liefdevolle bewondering voor de natuur heeft niet zozeer betrekking op het grote, overweldigende. In het Natuurdagboek viel op in welke mate de auteur oog heeft voor het detail: een rupsje dat over de weg kruipt, een pluisje dat wordt meegedreven door de wind..., het zijn die dingen die hem misschien nog wel het meest ontroeren. Al spelen ook de 'oerkrachten' zon, water en hemel een belangrijke rol in zijn verhalen, Nescio wil zijn lezers er graag op wijzen dat het goddelijke tot in het allerkleinste schuilt. Zo leggen de "kleine knopjes aan de seringstruiken" op uiterst bescheiden wijze getuigenis af van de onoverwinnelijke eeuwigheid van de natuur. Nescio heeft dan ook geen grote woorden nodig om de natuur te beschrijven. Slechts door te kiezen voor een eenvoudige, vanzelfsprekende taal, kan de vanzelfsprekende volmaaktheid van het waargenomene worden benaderd.

            Nu bevat Nescio's literatuur natuurlijk veel meer dan enkel natuurbeschrijvingen. We zullen echter zien dat de natuur een centrale rol speelt in het beeldgebruik van de schrijver, òòk waar het om mensen en gevoelens gaat. De vaststelling van een grote natuurlijkheid qua taalgebruik impliceert geenszins dat Nescio geen gebruik zou maken van enkele originele, persoonlijke stijlmiddelen.

            Op de belangrijke rol van de ironie in Nescio's oeuvre werd hierboven al uitvoerig ingegaan. Hoewel in hoofdzaak behandeld als een inhoudelijk aspect, zal daarbij de spitsvondigheid van Nescio's formuleringen zeker wel zijn opgevallen. Vaak stuiten we in zijn verhalen op grappige, verrassende vergelijkingen:

            "'t Mannetje sprak alsof-i uit de krant voorlas." (Mene Tekel, p.122)

"Achter z'n ridicule brilleglazen schitterden z'n oogen als de wijzerplaat van Lange Jan in 't morgenzonnetje." (De Oester, p.450)

Nescio's taal is eenvoudig zonder ooit in saaiheid te vervallen. Zijn beschrijvingen weten zelfs heel alledaagse dingen in een interressant licht te plaatsen:

"En midden op de keien stond, zonder eenigen duidelijken reden een groote, zinnelooze hardsteenen pomp met een grooten, zinneloozen ijzeren slinger, als een onvoltooid vraagteken, met een grooten zinneloozen ijzeren knop en zoo zag die slinger er uit alsof niemand hem zou kunnen optillen, gesteld dat ooit iemand op de gedachte zou komen om uit die pomp te pompen. En zoo stond daar die pomp, verlaten en stompzinnig." (Verliefdheid, p.171)

"Een meid is een zuster, niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller, die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt." (Dichtertje, p.103)

Naast dergelijke nuchtere formuleringen, die tegelijk van een frisse originaliteit getuigen, ontmoeten we zinnen die opvallen door hun sterk lyrische karakter. Een mooi voorbeeld daarvan is de volgende passage uit Titaantjes:

"De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen." (p.57)

In dit korte fragment vinden we meerdere stijlprocédés terug, die typisch zijn voor het proza van Nescio. Op deze afzonderlijke procédés wens ik nu wat dieper in te gaan.

   

[1] H. De By, Signalement Nescio.  Vara-televisieprogramma, uitgezonden op 24-7-1964.  Ook in Over Nescio, p.282.

[2] W. Mooyman, 'Werd Nescio miskend ?' In : Hollandsch Maandblad; tijdschrift voor literatuur en politiek, jrg.4 (1963), nr.190, mei.  Ook in : Over Nescio, p.194.

[3] Anoniem (wsch. J. De Meester), 'Nescio.  Haarlem, J. H. de Bois'.  In : Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29-8-1918.  Ook in : Over Nescio, p.20.

[4] A. Maas-Van der Moer, 'Nescio : Dichtertje, de Uitvreter, Titaantjes'.  In : Vrije Arbeid, maandblad voor kunst, wetenschap en handel, jrg.5 (1919), nr.7, mei.  Ook in : Over Nescio, p.33.

[5] meer over die werkwijze in hoofdstuk 4, p. 137-139.

[6] J. Greshoff, 'Hoe moet men schrijven om klassiek te worden ?' In : De Nieuwe Courant, 6-3-1948.  Ook in : Over Nescio, p.61.

[7] G. Stuiveling, 'Zingeving aan de zinloosheid'.  In : Haags Dagblad, 1-7-1961.  Ook in : Over Nescio, p.74.

[8] Anoniem (wsch. V. E. Van Vriesland), 'Vertalingen en herdrukken'.  In : De Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28-11-1933.  Ook in Over Nescio, p.48.

[9] Anoniem (wsch. N. A. Donkersloot), 'Nescio'.  In : Critisch Bulletin, maandblad voor letterkundige critiek, jrg.5 (1934), januari.  Ook in : Over Nescio, p.52.

[10] L. Frerichs, Nescio.  De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.224.

[11] K. Fens, 'Ogenblik en eeuwigheid'.  In : K. Fens, De eigenzinnigheid van de literatuur.  Amsterdam, Van Oorschot, 1964.  Ook in : Over Nescio, p.92-93.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina