Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Stijl: Personificatie van de natuur

   
   

Personificatie van de natuur

"De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom." (p.57)

            De manier waarop Nescio in bovenstaand citaat menselijke trekken toekent aan de natuur (het klagen van de zee) is een allesbehalve eenmalige stijlfiguur in zijn literatuur. Wanneer we erop gaan letten, merken we dat zijn verhalen wemelen van dergelijke personificaties, die Nescio's natuurbeschrijvingen bijzonder 'bezield' maken. De natuur is voor de auteur dan ook iets heel levends, expressiefs; zijn relatie ertoe heeft een haast zinnelijk karakter: "(...) en het land ligt daar als een mensch van wien men houdt." (Insula Dei, p.198).

            Veelvuldig worden menselijke emoties toegekend aan elementen uit het landschap. Door middel van adjectieven, maar het vaakst door middel van werkwoorden die menselijke gevoelsexpressies uitdrukken. In wezen gaat het daarbij om een projectie van de eigen gevoelens, opgeroepen dr de natuur, n die natuur zelf.

Weemoed omdat alles voorbijgaat:

"De lenteavond is weemoedig en klaagt, er is weer een dag voorbijgegaan van het leven der levende menschen (...)" (Verliefdheid, p.164)

"(...) daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden, 't licht dat blijven wilde." (Dichtertje, p.111)

Stille afwachting:

"De stammen wachten, ze wachten op antwoord van de kruinen." (Insula Dei, p.197)

"De boomen (...) stonden daar als altijd, (...), zooals ze daar zooveel nachten hadden gestaan, te wachten op de zon." (Kortenhoef,p.222)

Vreugdevolle herkenning:

"Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest." (Dichtertje, p.109)

Geluk:

"Met kleine lachjes glimmerde een beek er dwars door heen." (Van de duisternis om ons, p.332) 

Rob Bindels heeft gelijk Nescio te onderscheiden van het traditionele realisme omwille van het feit dat de "omringende wereld nooit op zichzelf staand bezien" wordt: tot in de natuurbeschrijvingen is de emotionele inmenging  van de verteller waarneembaar. (Bindels spreekt van "een nuchtere soort 'bezieling'".)[1]  

            Opvallend is verder dat Nescio herhaaldelijk een 'gezichtsvermogen' toekent aan elementen uit de natuur. De eigen waarneming is z intens dat ze als het ware overgenomen wordt door de waargenomen dingen:

"Voor 't eerst zag ik de treurwilg gelen, zijn takken hingen, ze trokken naar 't water. In doodstille gele aanbidding hingen ze er stom boven en zagen het gele licht in den vijver." (Ik had gewerkt, p.497)

We ontmoeten zinnen als:

"Maar boven staan de kruinen tegen 't laatste licht van een bleeken hemel en kijken ver uit." (Insula Dei, p.197)

"De lucht was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag." (Titaantjes, p.57)

In Insula Dei legt de schrijver zijn personage Flip de volgende woorden in de mond: "Een blind landschap is een landschap zonder water. Water is als een oog." (p.203). Soms fungeert het water in Nescio's verhalen echter als een spiegel, waarn de natuur zichzelf observeert:

"De lucht was zoo blauw en wolkenloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden." (Dichtertje, p.104)

            Maar Nescio's natuur kan nog meer dan alleen voelen en zien. De veranderingen en bewegingen die erin optreden, worden nu en dan als menselijke handelingen beschreven:

"In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de berg weldra verzwolgen,'t laatste geleide van den dag vlucht in t Noordwesten overhaast (...)." (Titaantjes, p.58)

"En toen we op de IJsselkade stonden, hapte de zon een driekwart cirkel uit de toppen van de boomen aan de overkant (...)." (12 Maart 1943, p.573)

"De wolk wandelt, hij wandelt naar rechts en komt ook dichter bij." (Insula Dei, p.198)

En enkele keer wordt zelfs het uiterlijk van de natuur vermenselijkt:

"(...) en de duinen stonden in de zon met hun bloote hoofd." (Titaantjes, p.52)

            Nescio's natuurbeschrijvingen blijken dus ondanks de eenvoud van de taal toch wel mr te bevatten dan louter "het meedelen van : ik heb dat en dat gezien en het was daar en daar", zoals K. Geenen beweert in zijn artikel Nescio, cynicus of mysticus ? .[2]  Weliswaar bezitten ze geen overbodige franjes, maar toch wordt de taal op een creatieve manier betrokken in de originele natuurobservatie van de auteur. 
   

[1] R. Bindels, Nescio, p.29.

[2] In : Maatstaf, jrg.13 (1965-'66), nr.2, mei.  Ook in : Over Nescio, p.103.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina