Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Stijl: Natuur als beeldmateriaal  

   
   

Natuur als beeldmateriaal

"Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen." (p.57)

              De vereenzelviging van natuur en mens verloopt niet enkel in één richting. Naast de vele personificaties in de natuurbeschrijvingen, treffen we ook talrijke gevallen van het omgekeerde aan: de beschrijving van mensen en gevoelens met behulp van beelden die geput zijn uit het landschap. De natuur blijkt een geliefkoosd tweede lid van Nescio's vergelijkingen te zijn.

Ter typering van de zwijgzame 'Oester':

"Ik keek, maar de man zat al weer onbeweeglijk, even expressieloos, of expressievol, als de blauwe lucht bij harde vorst." (Kortenhoef, p.219)

Het verstommen van de praatgrage Hoyer:

"(...) toen werd ook Hoyer stil, zoo stil als 't water, dat wittig blauw was, als de lucht er boven." (Buiten-IJ, p.126)

Dora's onbegrip met betrekking tot haar ontluikende seksualiteit:

"(...) ze begreep 't niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van." (Dichtertje, p.92)

Het plotse inzicht in haar liefde:

"En ineens werd 't onder haar schedel als de zon zelf." (Dichtertje, p.107)

Een onverwachtse golf van heimwee:

"Sterk voelde ik 't oude heimwee van vroeger. 't Kwam op zooals een golf in de branding aan ons strand opkomt en omkrult en zich uibreidt en in breedte vervloeit en er achter komt een nieuwe op." ('Ik had gewerkt', p.500)

            Zo kunnen we nog een tijdje doorgaan. Daarbij valt op hoe erotisch getinte gevoelens haast automatisch worden gekoppeld aan natuurbeelden. Zoals gezegd bezit Nescio's verhouding tot de natuur dan ook een zekere zinnelijkheid, die verband houdt met de (aan het mystieke grenzende) drang naar eenwording met het omringende landschap. Bovendien kan de vrouw bij Nescio op dezelfde manier als de natuur de ervaring van iets eeuwigs, goddelijks met zich meebrengen. In 't Getal van het Beest lezen we:

"Ik zag dat ze geen corset droeg, toen kreeg ik 't zelfde gevoel dat ik had gehad toen ik op een hoog duin stond en de zon de zee aanraakte, de lucht was zonder wolken." (p.529)

Als gevolg van deze gevoelsovereenkomst ligt het voor de schrijver voor de hand de aantrekkelijkheid van het andere geslacht te verwoorden met behulp van natuurbeelden. Al in 1905 schrijft hij dat Isadora Duncan, de danseres die soms naakt optrad, voor hem "gelijk (staat) met een vaart, een veld en een berkeboompje" (p.337). Beseffend dat dit wel een erg ongewone vergelijking is, voegt hij eraan toe: "Ik weet zeker, dat ons zeer nuchtere publiek om dit laatste lachen zal, vooral wanneer ze in de waterbouwkunde, den landbouw of de houtteelt zijn (...)." (p.337). Dit zeer nuchtere publiek ten spijt, maakt hij jaren later in zijn verhalen gretig gebruik van dergelijke 'natuurvergelijkingen', zij het meestal op een meer lyrische wijze. In Dichtertje bijvoorbeeld wordt de holte tussen Dora's schouderbladen vergeleken met "een rivier, die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet ziet." (p.92). Op haar beurt noemt Dora haar schoonbroer "Zoo'n man als een zee!", waarna ze "een visioen (kreeg) van wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en witte jurken en roode parasols. En van duinen met uitgeholde flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout." (p.101).

           Het invoegen van dergelijke 'natuurvisioenen' blijkt een geliefkoosd stijlmiddel te zijn bij de weergave van gemoedstoestanden. Zo krijgen we in het verhaal Noodlot de volgende originele evocatie van een ontluikende verliefdheid:

"Toen keek hij terug maar heel even en ze keek naar den grond. Toen was 't alsof i langzaam gestegen was en zich had omgekeerd en een mooi, wijd land had gezien, uitgespreid, in de diepte. En alsof i daar wel zou willen blijven en dat land altijd zien, altijd, totdat i elke boom, elk bouwveldje, elke toren, elk afslingerend pad kende en nooit, nooit meer zou willen leven zonder dat heilige land te zien." (p.295)

In Dichtertje ontmoeten we dit procédé enkele malen. Terwijl de natuur in dit verhaal op het niveau van de thematiek een beperkte rol speelt, blijkt ze als 'stijlfiguur' toch wel nadrukkelijk aanwezig te zijn, vooral bij het schilderen van gemoedstoestanden en stemmingen. Soms gaat het daarbij om reële waarnemingen van de personages (waaruit we hun gemoedsgesteldheid kunnen aflezen), soms om flitsen van herinneringen of innerlijke visies. Dora's visioen van de zee, dat voortkomt uit haar liefde voor Ee, werd reeds aangehaald. In het tiende hoofdstuk, waar door Ee wordt aangeraden met zijn vriend Penning te trouwen, flitsen er opnieuw natuurbeelden door haar hoofd, die illustraties (zo men wil: metaforen) van haar gevoelens zijn. Net als in haar eerste visioen overheerst hierin het beeld van water en golven: "Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor zich, die naar zee stuwde." (p.111). Waar de eerste keer echter vooral een vreugdevolle stemming werd opgeroepen (de zon, de kleuren, het witte zand...), overheerst ditmaal een gevoel van vergeefsheid ("Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee, maar het water en het licht waren zonder einde." p.111), eenzaamheid ("Nietig was 't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering, z'n schor geroep ging verloren in de ruimte", p.111), verlatenheid ("En ze zag een langen weg vol stof en verlatenheid", p.111), met daar tussenin een beeld dat de grootsheid van haar liefde evoceert: "En weer wat anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe lucht" (p.111). Het beeld van de zee, die het hoopvolle begin van haar liefde aankondigde (met de golf die haar omslaat in het water), is hier op een betekenisvolle manier afwezig: "Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar de zee, die ze niet zag." (p.111).

           Zoals ook merkbaar in het citaat uit Titaantjes dat als uitgangspunt werd gekozen, blijkt water een belangrijke rol te spelen in Nescio's beeldmateriaal. Het stromende en golvende water kan naargelang de context verschillende betekenissen oproepen. We zagen reeds hoe de onophoudelijk stromende rivier in De uitvreter een soort symbool wordt van de nooit eindigende tijd en van de eeuwige natuur. Daarnaast vormt de beweging van het water een geliefkoosd beeld ter evocatie van bewegingen in de bewustzijnswereld van Nescio's personages. 

           In Titaantjes vergelijkt Koekebakker zijn gedachten met de tegen het land aanspoelende zee, om een gevoel van geestelijke onmacht te verwoorden: "Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen." (p.57). Verderop (in de passage over "God leeft in mijn hoofd.") spreekt Koekebakker over "de rivieren mijner gedachten" waarvan hij het water voortdurend ziet "stroomen naar 't onbekende" (p.60). Net als in Dichtertje, waar sprake is van "de rivier zijner dichterlijkheid" (p.104), worden hier connotaties opgeroepen van een eindeloze gedachtegang of onbelemmerde fantasie (het eindeloze gedicht van het dichtertje). Verder wordt het opwellen van een bepaald gevoel wel eens vergeleken met het opkomen van een golf in de zee. Expliciet in 'Ik had gewerkt', waar "'t oude heimwee" naar boven komt "zooals een golf in de branding aan ons strand opkomt" (p.500), meer impliciet in Dichtertje, waar het visioen "van een golf die haar omsloeg in 't water" (p.101) kan verwijzen naar de manier waarop Dora overmand wordt door haar liefde.

           In Nescio's proza blijken natuur- en persoonsbeschrijving niet los van elkaar te staan. Hoezeer ze in elkaars dienst staan, wordt nog eens extra duidelijk in een uitdrukking als "ze voelden hun lijven als zingende zonnen" (Dichtertje, p.114), waar personificatie van de natuur én 'vernatuurlijking' van de mens samen optreden.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina