Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Stijl: Herhaling en leidmotief

   
   

Herhaling en leidmotief

"De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen." (p.57)

           In bovenstaand citaat lezen we vier maal het woord 'zee', terwijl ook 'klagen', 'spoelen' en 'verdrietig' telkens worden hernomen. Daardoor ontstaat een ritme, een zekere muzikaliteit, die, in combinatie met de vergelijking gedachtenzee, het potische karakter van de tekst uitmaakt.

           We stuiten hier op een belangrijk aspect van Nescio's proza: de herhaling. Willen we op dit aspect nader ingaan, dan moeten we echter oog hebben voor de verschillende srten van herhaling die in Nescio's literatuur voorkomen, die al dan niet als stijlmiddel mogen worden opgevat. Bij een indeling kunnen we ons enerzijds baseren op de afstand waarover de herhaling zich uitstrekt, anderzijds op de omvang van de herhaalde elementen.

           In het fragment hierboven hebben we te maken met de 'kleinste' vorm van herhaling, namelijk het hernemen van afzonderlijke woorden of woordcombinaties binnen een alinea of aaneenschakeling van zinnen. Een stijlfiguur die, gewild of ongewild, een lyrisch effect creert. Enkele andere voorbeelden:

"(...) en door de nacht schoof de zon die je niet zag door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen." (De uitvreter,p.14)

"(...) en plotseling roept een lang vergeten vogel, de koekoek roept, van heel ver, en van heel ver antwoordt een andere, het klinkt van zoo ver, gedachten kunnen nauwelijks van verder komen." (Insula Dei, p.184)

Meestal dient een dergelijke herhaling ter accentuering van een hoofdindruk. Niet enkel in natuurbeschrijvingen, maar in Insula Dei bijvoorbeeld ook bij de evocatie van de sfeer in Amsterdam tijdens de oorlogswinter:

"Een onherbergzame en havelooze wereld. Kou en armoede. Armoede in de vele gegroefde, magere gezichten, armoede in de gesloten luiken voor vele winkels, armoede in de bevroren winkelruiten, armoe in tramrails waar geen tram over rijdt al is daar de sneeuw zoo wat geruimd, armoede in het rijtje menschen bij den hoek voor den winkel van Jamin bij een sneeuwbergje twee meter hoog, armoede in de stalletjes met bevroeren visch, waar niemand koopt, armoede in wat je opvangt van de gesprekken." (p.181)

"Verlept is 't woord. Het blijft dooien, de sneeuw is verlept tot een gore brei, de buurt is verlept, het huis is verlept" (p.199)

           In Pleziertrein, waar Nescio de herinnering aan een uitstapje optekent, hebben we te maken met een herhaling die zich reeds over een grotere oppervlakte uitspreidt, maar die zich nog steeds beperkt tot losse woorden. Het "koeren van de houtduif" (p.145), dat de kern uitmaakt van Nescio's herinnering, wordt er een keer of vier verwoord, in uiteenliggende alinea's.

            In Nescio's proza stuiten we echter ook geregeld op de terugkeer van hele zinnen, letterlijk herhaald of met kleine (soms betekenisvolle) variaties, binnen een hoofdstuk of een heel verhaal. In het laatste hoofdstuk van De uitvreter bijvoorbeeld, waar Japi verslag uitbrengt van de onderbreking in zijn uitvretersbestaan, de periode van het harde werken, lezen we vier maal "Te sappel had i (hatti) zich gemaakt." (p.38), en nog eens als besluit: "(...) te sappel maken zou i zich niet meer." (p.40). In Insula Dei beginnen de eerste drie alinea's van het derde hoofdstuk telkens met de mededeling: "Het dooit gelukkig." (p.189), en begint Flip in de vierde alinea te spreken met de woorden: "Gelukkig dat 't dooit." (p.189).  In het vierde hoofdstuk wordt deze opgeluchte vaststelling nog een laatste maal hernomen: "Maar nu dooit 't, Goddank." (p.195). 

            Al in Heimwee, zo'n veertig jaar vr Insula Dei geschreven (in 1903), maakt Nescio gebruik van dit stijlprocd. In het laatste hoofdstuk daarvan, waar de figuur Jan Verschure verdwaasd en ontgoocheld door de stad loopt, duikt telkens dezelfde gedachte op:

            "God begon hun nu te verlaten." (p.325)

            "Maar God had begonnen hun allen te verlaten." (p.325)

            "Waarom verliet God hun die altijd 't goede gewild hadden." (p.325)

Ook later nog in zijn halfslaap: "God -, verlaten, - Adinda, -, wat is die vent dronken, hij spuugt - bah."(p.326), waarna hij droomt "dat God hun allen niet verlaten had." (p.326). Wanneer hij de dag daarop weer op stap is, en er opnieuw hoop doorbreekt, lezen we:

            "God had hun zeker niet verlaten." (p.328)

            "God had hun niet verlaten." (p.329)

In Heimwee wordt tevens het hle verhaal door een zin hernomen, die we het eerst vernemen uit de mond van 'de oue Termaat': "We moeten 't doen mannen, had i gezegd, 't komt er niet op aan waar we terecht komen." (p.308). In de loop van het verhaal wordt het een haast bezwerende formule, die soms staat voor hoop, maar ook opduikt waar het doorzettingsvermogen dreigt te verdwijnen. Hier komen we in de buurt van een leidmotief, voor zover daaronder wordt verstaan: een "formeel weerkerend motief in een literair werk waardoor personages of situaties herkenbaar worden" .[1]

            In zowel De uitvreter als Dichtertje hebben we nog nadrukkelijker met zo'n leidmotief te maken. Rob Bindels toont aan hoe in De uitvreter de natuurelementen zon en water, meestal samen genoemd en soms via een woordelijke herhaling, een rode draad zijn door het verhaal heen. Als symbolen van het onveranderlijke, eeuwige vormen zij een leidmotief met een soort signaalfunctie: Japi's verdrinkingsdood aan het eind van het verhaal wordt erdoor geanticipeerd.[2] 

            In Dichtertje is het dan weer de opvallende terugkeer van het woord 'vallen' die de lezer doorheen het verhaal leidt. We vernemen het woord de eerste keer uit de mond van de duivel, die de 'God van Nederland' typeert als "donateur (...) van de Vereeniging tot opheffing van gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen." (hoofdstuk I, p.78). Enkele regels lager wordt deze terminologie reeds overgenomen door het dichtertje, wanneer hij naar de benen van een jong meisje staat te kijken: "'Nu vallen,' dacht 't dichtertje." (p.78). Het volgende hoofdstuk grijpt hierop terug: "'t Dichtertje was nooit gevallen." (p.79). Voor het eerst krijgen we hier ook de verwoording van dichtertjes ideaal: "Een groot dichter zijn en dan te vallen." (p. 79), een zin die op uiteenliggende plaatsen in het verhaal (hoofdstuk III, p.83, hoofdstuk VII, p.99 en hoofdstuk IX, p.103) driemaal letterlijk wordt hernomen. In het negende hoofdstuk, waar het dichtertje zijn wraakplannen beraamt, lezen we nog eens: "En wat zou een dichteresje ook beter verlangen, dan z te vallen ?" (p.106). En in hoofdstuk XI vindt dan eindelijk de vervulling plaats: "Toen vielen ze peilloos diep door 't licht (...)." (p.114).

            Rob Bindels spreekt met betrekking tot dit 'vallen' van "een haast magisch trefwoord dat verwachtingen wekt, de spanning opvoert en bij uitstek structurerend en thema-constituerend werkt." [3] Inderdaad voert deze herhaling de lezer naar een betere herkenning van de thematiek, die in feite in dit enkele woord vervat zit: zoals de duivel 'gevallen' is door in opstand te komen tegen God, wil het dichtertje 'vallen' door te revolteren tegen de God van Nederland, de verstikkende fatsoensmoraal. Een dergelijke terugkeer van woorden en zinnen binnen en door hoofdstukken van een verhaal heen, waardoor uiteenliggende passages betekenisvol aan elkaar worden gerelateerd, draagt bovendien sterk bij tot de spanning, die bij Nescio immers veel minder schuilt in het handelingsverloop op zich. De varirende herhaling, door Ibsch en Fokkema herkend als een stijlprocd dat vele modernistische schrijvers met elkaar gemeen hebben, blijkt n van de belangrijkste aspecten van Nescio's stijl uit te maken.

            Bij de lectuur van Nescio's werk stuiten we verder ook op vormen van herhaling die de grenzen van het verhaal te buiten gaan. Wanneer Lieneke Frerichs de genese van De uitvreter nagaat, merkt ze op: "Het lijkt haast wel of er voor elk nieuw verhaal uit hetzelfde reservoir van beelden en ideen geput wordt (...)." [4] Dat laat zich niet alleen inhoudelijk merken (we ontmoeten bijvoorbeeld in meerdere verhalen een uitvreterstype, een gekwelde artiest, een zelfmoordenaar...) maar ook vormelijk. Hier moeten we echter wel voorzichtig zijn. Wanneer we te maken hebben met hele passages die elkaar in uiteenliggende verhalen letterlijk of vrijwel letterlijk overlappen, mogen we dit niet als een stijlmiddel opvatten, noch als een tekort aan inspiratie. Deze vorm van herhaling is een rechtstreeks gevolg van Nescio's werkwijze, die vaak de vorm aanneemt van een 'gepuzzel' met afzonderlijke passages die hij geslaagd acht, totdat een bevredigend eindresultaat wordt bereikt. We dienen er rekening mee te houden dat een groot deel van Nescio's oeuvre bestaat uit voorstudies, bewerkingen, vroege versies en onvoltooide opzetjes, die de schrijver niet bedoelde te publiceren.

            De terugkeer van bepaalde formuleringen en beelden (dus niet van volledige passages) op verschillende plaatsen in Nescio's literatuur, is soms ook een gevolg van deze manier van werken, maar lang niet altijd. Dat we hier vaak met wat anders te maken hebben, blijkt alleen al uit het feit dat de herhaalde elementen soms voorkomen in meerdere voltooide en duidelijk wl voor publicatie bestemde verhalen. Een gekend voorbeeld is het 'opkruipen van de duisternis', dat in Dichtertje, Titaantjes, Mene Tekel en Eerste ontroering (p.158) telkens opnieuw onder woorden wordt gebracht (vaak gekoppeld aan een ontkrachting van de uitdrukking 'het vallen van de avond'), soms meermaals binnen hetzelfde verhaal.

            Nescio zelf schijnt zich goed bewust te zijn van dit verschijnsel in zijn werk. In Titaantjes lijkt hij zich ervoor te verantwoorden: "Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, alweer, ik kan't niet helpen, 't is God zelf die steeds in herhalingen valt, maakte alweer een lange gouden streep op 't water en scheen op onze gelaten." (p.53). 'God vervalt in herhalingen': een uitdrukking die op haar beurt in meerdere verhalen opduikt. Vaak komt ze uit de mond van Bavink, wanneer die reageert op het verwijt dat hij zichzelf zou herhalen in zijn schilderijen. In Men vervalt in herhalingen II beweert hij: "'(...) God vervalt in herhaling, Koekebakkertje.  't Is altijd morgen, middag, nacht en lente, zomer, herfst en winter. (...) En ik kan 't 'm niet verbeteren.  Ik schilder altijd weer land, lucht, water en huizen en ben even vervelend." (p.214). Deze woorden van Bavink mogen we gerust opvatten als een soort zelflegitimatie van Nescio. Ook in diens proza keert vaak hetzelfde terug, omdat hij identieke waarnemingen steeds opnieuw registreert. Hetzelfde - en tegelijk steeds anders...

"Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had." (Titaantjes, p.57)

"(...) in 't zuiden klom een blauwige duisternis (...)." (Titaantjes, p.55)

"De duisternis begon nu over 't water te klimmen (...)." (Titaantjes, p.56)   

"Ze zag dat de avond niet viel, maar opkroop uit 't land (...)." (Dichtertje, p.94)

"de duisternis die machtig steeg" (Dichtertje, p.111)

"duisternis kroop alweer op uit de aarde" (Mene Tekel, p.121)

"(...) en zag dat de avond niet viel, want 't was boven lichter dan             beneden." (Eerste ontroering, p.158)

In Men vervalt in herhalingen II zegt Bavink, na de eentonigheid van de natuur te hebben beargumenteerd: "En heb je ooit twee maal 't zelfde gezien ? Nooit." (p.214).  Zo is het ook met Nescio's proza: het is eentonig, maar nooit voorspelbaar of saai; wat terugkeert, is telkens weer nieuw en uniek. Dat danken we aan het stilistisch vermogen van de schrijver, die er in slaagt de vele nuances van een originele waarneming in een eigenzinnige maar vanzelfsprekende taal op te vangen.

   

[1] H. Van Gorp (ed.), Lexicon van literaire termen, p.173.

[2] R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio, p.65-68.

[3] Idem, p.117.

[4] L. Frerichs, Nescio.  De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.224.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina