Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Verteltechniek: 'Van binnenuit': vertrouwelijkheid en collectiviteit

   
   

3.2.2. Verteltechniek

'Van binnenuit': vertrouwelijkheid en collectiviteit

            In een artikel over Dichtertje schrijft Kees Fens het volgende: "Van de drie grote novellen van Nescio, 'De uitvreter', 'Titaantjes' en 'Dichtertje' staan de eerste twee in aanpak en inhoud het dichtst bij elkaar: de ik-figuur is een verslaggever die schrijft van binnenuit een groep lotgenoten; hij is een van hen en treedt niet geprononceerd naar buiten. De wijze waarop hij zijn figuren introduceert, is die van een vriend over vrienden (...)." [1] Een dergelijke vertelwijze, waarbij de lezer min of meer als een ingewijde lijkt te worden beschouwd, is karakteristiek voor een groot deel van Nescio's literatuur. De verhalen die cirkelen rond de vriendenkring uit Titaantjes beginnen stuk voor stuk op zo'n vertrouwelijke manier. De personages worden niet eerst voorgesteld aan de lezer, maar meteen geïntroduceerd alsof het om bekenden gaat. Hun namen vallen en passant. Zo luidt het eerste stuk zin waarin de schilder Bavink wordt genoemd, in De uitvreter, als volgt: "Den uitvreter, (...) die een barst stookte in de tweedehandsch kachel van Bavink." (p.9). Wat voor iemand die Bavink is, krijgen we pas te weten naarmate het verhaal vordert. Dat Nescio heel bewust voor dit procédé kiest, blijkt uit het feit dat hij bij de bewerking van zijn eerste versie van Titaantjes de twee eerste hoofdstukken weglaat, waarin de totstandkoming van de vriendenkring beschreven wordt. Liever laat hij zijn verhalen beginnen 'in medias res', en haalt de lezer onmiddellijk op een vanzelfsprekende manier het verhaal en de vriendenkring binnen.

            Door op een dergelijke manier de voorgeschiedenis te verzwijgen, worden het samenhorigheidsgevoel en de intieme sfeer binnen het groepje extra benadrukt. Een personage als Japi, die niet tot deze vaste groep vrienden behoort, stelt de verteller wél uitvoeriger aan de lezer voor. Dat gebeurt aan het begin van het verhaal De uitvreter via een reeks 'in side'-anekdotes. In de formulering daarvan springt de familiaire aanspreekvorm 'je' in het oog: "Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen, als je 's avonds laat thuiskwam. Den uitvreter, die je sigaren oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte (...) etc." (p.9). Deze vertrouwelijke 'je'-vorm ontmoeten we op nog heel wat andere plaatsen in De uitvreter, en ook in andere verhalen:

            "(...) altijd vond je hem ergens aan de waterkant." (De uitvreter, p.9)

            "(...) je begrijpt dat een heer die zich oefende in 't versterven hem degelijk interesseerde." (De uitvreter, p.15-16)

"Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen (...)." (Titaantjes, p.50)

"Als je ze niet kende zou je denken dat hij en Kees Ploeger de grootste tegenstelling vormden (...)" (Heimwee, p.303)

Niet alleen maakt zo'n 'je' het voor de lezer, die zich aangesproken voelt, gemakkelijker om zich te identificeren, maar ook krijgen bepaalde uitspraken er een meer universele waarde door. Het persoonlijke lot van Nescio's figuren wordt erdoor overstegen:

"Bereiken kon je toch niets" (De uitvreter, p.39)

Op den duur kon je toch niet tegen ze op, d'r waren er zooveel en ze hadden altijd gelijk." (Mene Tekel, p.124)

            Daar in meerdere verhalen het contrast tussen een goede 'wij' (de jonge idealisten) en een foute 'zij' (de nette heren) thematisch een belangrijke rol speelt, is ook de eerste persoon meervoud heel frequent bij Nescio. In de eerste zeven hoofdstukken van Titaantjes, waar de aandacht vooral uitgaat naar de gemeenschappelijke lotgevallen van de vriendenkring, worden hele passages beschreven vanuit een collectief gezichtspunt. Bijvoorbeeld:

"O, wij namen wraak, wij leerden talen waarvan zij de namen nooit gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen, wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit kwamen, en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden, die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij er aan, hoe Zondagavond de zon was ondergegaan achter Abcoû. (etc.)" (p.48)

Ook in ondermeer Mene Tekel en Buiten-IJ wordt er veel gezamenlijk gevoeld, gedacht en beleefd:

"Wij waren zeer droevig om alle dingen die voorbijgegaan waren (...)" (Mene Tekel, p.121)

"En we zaten weer stil en dachten er aan dat wij geen reden van bestaan hadden." (Mene Tekel, p.125)

"Dat vonden wij aardig, wij hadden neiging den man de hand te drukken (...)."(Buiten-IJ, p.127)

"En we waren geheel verteederd, de wereld zouden we later wel veroveren (...)." (Buiten-IJ, p.128)

   

[1] K. Fens, Opstand tegen twee goden.  In : K. Fens, De gevestigde chaos.  Amsterdam, Van Oorschot, 1966.  Ook in : Over Nescio, p.127.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina