Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Verteltechniek: 'Van buitenaf': het retrospectieve standpunt

   
   

'Van buitenaf': het retrospectieve standpunt

             Achter deze 'wij' staat echter onmiskenbaar de ik-verteller, die zich op een later tijdstip bevindt, en vanuit deze positie het vertelde geregeld becommentarieert. De verteller vertelt dus eigenlijk niet uitsluitend "van binnenuit een groep lotgenoten" [1], maar tegelijkertijd ook van buitenaf: de tijd heeft immers een afstand gecreëerd, waardoor de belevenissen van destijds in een ander licht zijn komen te staan. Heel veel van Nescio's verhalen nemen de vorm aan van herinneringen, waarbij een vaak wat oudere ik-verteller terugblikt op zijn jeugdjaren. In de 'titaantjes-verhalen' (waarin we te maken hebben met de personages Bavink, Bekker, Hoyer etc.) is dat telkens Koekebakker. Aan het begin van Titaantjes merkt deze op dat hij inmiddels, net als zijn vrienden "veel wijzer, stakkerig wijs" (p.43) geworden is, en afstand genomen heeft van "de dagen onzer dwaasheid" (p.43). Koekebakker is weliswaar zowel ik-verteller als ik-belever (dus focalisator), maar die twee zijn niet aan elkaar gelijk, aangezien ze dezelfde persoon op uiteenliggende levensmomenten vertegenwoordigen. De verteller Koekebakker, kantoorbediende van gemiddelde leeftijd, laat merken dat hij kritisch staat tegenover de visie van de belever Koekebakker, die jonger en idealistischer is. De hele eerste alinea van Titaantjes, waarin al in grote lijnen wordt verklapt hoe het uiteindelijk is afgelopen met de jonge idealisten waarover het verhaal zal handelen, werkt sterk relativerend. In de loop van het verhaal ontmoeten we meer dergelijk anticiperend commentaar met een ontnuchterend, soms ironiserend effect:

"Nu zit-i in een gesticht." (p.45)

"Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me 'mijnheer Koekebakker' (...)" (p.46)

"Nu weet hij beter." (p.53)

"Er is dan ook niets van gekomen van die hei." (p.53)

            Omdat het merendeel van Nescio's verhalen is geschreven vanuit het retrospectieve standpunt van een ik-verteller die ook belever is, treffen we zelden een alwetende vertelinstantie aan. Meestal wordt er slechts verslag uitgebracht van wat zelf werd ondervonden, of, zoals in de eerste twee hoofdstukken van De uitvreter (waar de kennismaking tussen Japi en Bavink beschreven wordt) van wat men zelf heeft horen vertellen. Rob Bindels noemt de ik-figuur uit De uitvreter een"intermediair": hij geeft het verhaal aan ons door, vertelt niet alleen, maar neemt ook "als getuige en vriend onder vrienden" deel aan het vertelde[2]. Aan zijn kennis zijn duidelijk grenzen gesteld:

"Z'n naam was Japi.  Z'n achternaam heb ik nooit geweten." (p.9)

"Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven." (p.40)

            De vertelsituatie in Titaantjes ziet Bindels enigszins anders: weliswaar is de ik-verteller ook hier ik-belever, maar deze keer zou hij in plaats van een intermediair "een alwetende instantie" zijn, "die de afloop kent en daar te pas blijk van geeft in passages die in de tegenwoordige tijd uit de verleden tijd van het verhaal oplichten." [3]  Hier heb ik het moeilijk mee. Het klopt dat de verteller vaker van zich laat horen dan in De uitvreter en regelmatig door anticiperende opmerkingen de spanning opheft, maar de vaststelling dat hij de afloop kent lijkt mij nog niet voldoende om van een alwetende instantie te spreken. Evenmin als in De uitvreter weet de verteller hier méér dan wat hij zelf heeft gezien en gehoord. Zo krijgen we bijvoorbeeld over de belevenissen van Koekebakkers vrienden tijdens de periode dat deze laatste in het buitenland verblijft, enkel te lezen wat Koekebakker later van hen zelf verneemt. Ook lezen we wel eens een opmerking als : "Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald." (p.46). Hoewel er wel enig verschil bestaat tussen de rol van Koekebakker in De uitvreter en die in Titaantjes (in het eerste verhaal is hij veel meer toeschouwer dan actief betrokkene) blijft ook in Titaantjes het blikveld beperkt: de verteller kan geen objectief totaalbeeld aanbieden.

            In Nescio's vroege verhaal Heimwee (geschreven in 1903), waarin ook reeds gebruik gemaakt wordt van een retrospectief vertelstandpunt, lijkt hij dit tòch te proberen: "Ik oordeel niet. Ik heb alleen beschreven, wat geschied is." (p.329). Hoewel Nescio het verhaal duidelijk in de vorm van een herinnering neerschrijft ("Ik zie ze nog, die flinke kerels, die nu allen gestorven zijn om der gerechtigheid wil." p.303), treedt de ik-verteller hier nog niet op als één van de belevers. Zijn rol blijft  erg onduidelijk: bepaalde uitspraken veronderstellen eenduidig zijn aanwezigheid bij het vertelde, die niettemin over het hoofd lijkt te worden gezien. Merkwaardig zijn passages als :

"Nog weet ik niet wat 't 'm dee, de zomeravond met 't open raam of omdat ze nu allen bij mekaar waren, (...) maar 't leek of toen, die avond de andere tijd zou beginnen." (p.305)

"Nog heugt me dien avond, toen de jonge Termaat sprak. (...)

Stil zaten ze dien avond, naast elkaar, de heele tafel bezet, alleen de jonge Termaat stond en sprak." (p.310)

Bovendien is de verteller om onverklaarbare redenen getuige van enkele erg intieme scènes, zoals de "nacht van liefde" (p.322) tussen Leo en Irma, en blijkt hij ook nog toegang te hebben tot de gedachtegang en zelfs de dromen van de personages, als in het laatste hoofdstuk. Nescio lijkt hier kortom nog erg te aarzelen tussen twee afzonderlijke vertelsituaties: het retrospectieve standpunt van een ik-verteller/belever enerzijds, het standpunt van een alwetende, buiten het verhaal staande verteller anderzijds. Het eerste type zal het in de toekomst winnen; het wordt Nescio's karakteristieke manier van vertellen.

   

[1] In : Maatstaf, jrg.13 (1965-'66), nr.2, mei.  Ook in : Over Nescio, p.103.

[2] R. Bindels, o.c., p.51.

[3] Idem, p.85.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina