Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Verteltechniek: De alwetende verteller van 'Dichtertje'

   
   

De alwetende verteller van 'Dichtertje'

            Dichtertje is zowat het enige verhaal van Nescio waarin we onmiskenbaar met een alwetende vertelinstantie te maken hebben. "Zo hoog en verheven als de novelle inzet met de God van Nederland die hoofdschuddend op zijn onderdanen neerkijkt, zo superieur komt ons ook de verteller voor die vanuit een vogelperspectief zijn nietige personages waarneemt alsof hij de grote marionettenspeler zelf ware." [1] Dat dit verhaal in bepaalde opzichten traditioneler overkomt dan Nescio's andere verhalen, werd al vroeg opgemerkt. Greshoff vindt het verhaal er minder geslaagd om: "Hier beginnen we 'letterkunde' te ruiken." [2] Als in de traditionele verhaalkunst hanteert de schrijver hier een almachtige verteller die buiten en boven zijn personages staat, en op ieder moment kan binnendringen in hun gedachten. Toch kunnen we Dichtertje beslist niet conventioneel realistisch noemen, wat alleen al blijkt uit de manier waarop het verhaal opent: vanuit de hoogte kijkt een 'God van Nederland' neer op de wereld en krijgt na een poosje de hoofdpersoon in de gaten: "Kijk, daar gaat 't dichtertje."(p.76). Even later wordt deze allesoverschouwende blik overgenomen door de ik-verteller, die zijn 'dichtertje', evenals de andere belangrijke figuren Coba en Dora, in afzonderlijke scènes aan de lezers voorstelt, vooraleer de eigenlijke handeling op gang komt. Hoewel de verteller hier géén belever is die deelneemt aan het vertelde, hebben we  zeker niet met een objectieve registratie te maken. Net zo min als de vertelfiguur Koekebakker kan hij eraan weerstaan op tijd en stond zijn nuchtere mening te laten doorschemeren. Soms zijn het slechts enkele zijdelingse woorden die op enige subjectieve inmenging wijzen:

"Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden, toen hij de wereld begon te zien." (p.79)

"Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal 's middags in 't Museumkwartier gedwaald (...)." (p.85)

"En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet doen, (...)." (p.91)

Van dit soort voorbeelden zijn er nog heel wat meer te geven, waarbij men soms kan twijfelen of niet eerder bepaalde gedachten van het dichtertje (of een ander personage) worden opgetekend. Op andere plaatsen spreekt de verteller uitdrukkelijk uit eigen naam. We ontmoeten kleine 'interrupties', waarbij de lezer meer dan eens rechtstreeks aangesproken wordt: 

"Eens heb ik een vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: 'Zoo'n vent, wat verbeeldt zich die wel ? (...)' Vertrouw die vrouw niet te veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte hoofdkussen." (p.86)

"Een dichtertje dat den waanzin nabij is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn lezeressen... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken." (p.88)

"Snijd eens één keer brood en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van." (p.88)

Net als in Titaantjes zijn er ook herhaaldelijk opmerkingen vanuit het 'nu':

"Daar kwamen nog drie maanden bij datti buiten was, een klein betrekkinkje had in een stadje, waar ze nu nog praten van dien mallen kerel." (p.81)

"Ze was nauwelijks meer dan een kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu loopen de volwassen vrouwen zoo." (p.89)

"Toendertijd gooiden ze in de Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal neergeslagen had, nu mag 't." (p.89)

            De verteller komt naar voren als iemand die over alles zijn zegje te doen heeft en geen blad voor de mond neemt. Met ironisch commentaar verduidelijkt hij de strekking van zijn verhaal. Dat zijn opmerkingen voor Nescio's tijdgenoten meer dan eens provocerend zullen zijn overgekomen, wordt niet alleen duidelijk uit de moeilijkheden die hij ervaart om Dichtertje gepubliceerd te krijgen. Ook in het verhaal zelf krijgen we er een aanwijzing voor. Aan het begin van hoofdstuk VI stuiten we op een langere onderbreking waarin de verteller - die zich hier voordoet als de auteur in hoogst eigen persoon - zijn beklag doet over de reacties van zijn vrouw op het vertelde: "Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door mijn vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal niet begrijpt." (p.91). Een passage die niet alleen licht werpt op het autobiografische karakter van het verhaal ("Gek, in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat 't komt doordat ik 't geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog." p.91), maar ook een illustratie geeft van de kleinburgerlijke, fatsoensrakkerige verontwaardiging die het bij bepaalde toenmalige lezers moet hebben opgeroepen: "Die dame in de tram had een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook." (p.91). Vlak na deze alinea voert de verteller opnieuw de God van Nederland ten tonele, waarna hij zich in een soort gebed tot de ware "God van hemel en aarde, van land en zee" (p.91) richt, met het verzoek "deze benauwenis" van hem weg te nemen te nemen. In deze wonderlijke passage staat de God van Nederland niet langer tegenover het dichtertje, maar is hij een vijand geworden van de ik-verteller zélf, een belemmering bij het schrijven van zijn verhaal. Pas wanneer de God van Nederland - wiens macht tot uitdrukking kwam in het commentaar van de kopiërende echtgenote - uit de weg is geruimd, kan de ik-verteller onbekommerd verder gaan met zijn relaas: "Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe klagelijk loeit." (p.92). Dan volgt een alinea die veel zegt over de vertelsituatie die in Dichtertje wordt beoogd: "En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu, een meisje, zoolang de genade duurt." (p.92). Door tegelijkertijd bòven zijn verhaal te staan én zich met zijn personages te vereenzelvigen, bevestigt de ik-verteller zijn almacht.

            In de weinige verhalen die Nescio in de hij-vorm schrijft zònder zichtbare ik-verteller, krijgen we zo'n dubbel perspectief overigens meestal niet. Hoewel de derde persoon gebruikt wordt om òver iemand te vertellen, beperkt Nescio zich daar meestal tot het gezichtsveld en de belevingswereld van een personage. Het effect dat op die manier bereikt wordt, verschilt nauwelijks van dat van een vertelling in de ik-vorm. Een verhaal als Verliefdheid zou dan ook gemakkelijk in de eerste persoon kunnen worden omgezet. In Najaar lijkt de schrijver dit zelf in te zien: aan het eind van het verhaal vindt een probleemloze overschakeling naar de ik-vorm plaats.

   

[1] Idem, p.125

[2] J. Greshoff, 'Hoe moet men schrijven om klassiek te worden ?'.  In : De Nieuwe Courant, 6-3-1948.  Ook in : Over Nescio, p.62.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina