Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Verteltechniek: Perspectiefwisseling, vrije indirecte rede en innerlijke monoloog

   
   

Perspectiefwisseling, vrije indirecte rede en innerlijke monoloog

            Zoals hij dat zelf suggereert kruipt de verteller van Dichtertje inderdaad zeer vaak in de huid van zijn figuren, om vanuit hùn perspectief de wereld te bekijken. De verteller mag dan weinig afstandelijk of objectief zijn, een voorgekauwde visie op zijn personages krijgen we zeker niet. Omdat Nescio's verhalen wars zijn van iedere psychologisering, blijft de lezer vrij om zelf conclusies te trekken omtrent hun karakter. Daartoe krijgt hij voldoende materiaal aangereikt, want in plaats van een expliciete beschrijving te krijgen van hun psychologische structuur, wordt hij regelmatig uitgenodigd zelf de bewustzijnswereld van de personages binnen te dringen.

            Wellicht Nescio's meest geliefkoosde middel hiertoe is het gebruik van de vrije indirecte rede. Deze tussenvorm tussen de directe en indirecte rede, een wijze van tekstrapportage in de onvoltooid verleden tijd waarbij de inleidende zin (bv. hij zei) wordt weggelaten maar de woordvolgorde van de directe rede gehandhaafd, laat toe bij monde van de verteller gedachten en gevoelens van de personages op een heel overtuigende manier weer te geven:

"'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit." (p.75)

"En dan ineens wordt ze bang. Als i haar eens aansprak? Wat moest ze doen?" (p.87)

"Jasses wat een zwager. En als i z'n witte vest aan had ! En die oogen. (...) En zoo slap. Hoe kon Em tegen zo'n man aanstaan! Zij leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba beter af. Zoo'n man als een zee !" (p.101)            

            Niet alleen in Dichtertje staan hele passages in de vrije indirecte rede, maar ook reeds in De uitvreter en Titaantjes, waar we nochtans met een heel andere vertelsituatie te maken hebben. In laatstgenoemde verhalen, die de vorm van herinneringen aannemen, bedient de verteller zich mogelijk van deze vorm van tekstrapportage om zijn gebrek aan alwetendheid te compenseren: hij kan slecht verslag uitbrengen van wat hij zelf van zijn vrienden te horen kreeg, maar door hun woorden in de vrije indirecte rede weer te geven, lijkt het soms alsof we rechtstreeks hun gedachtenwereld zijn binnengedrongen. Enkele van de vele voorbeelden:

"Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven onaandoenlijk te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. (etc.)" (Japi in De uitvreter, p.12)

"Als de menschen wisten hoe i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk (...). Verdienstelijk werk! Spuwen moesti als i er aan dacht. 'Verdienstelijk werk,' zeiden ze. Ze wisten er wat van. Je kon wel merken dat God hen niet te grazen had genomen en door elkaar geschud zooals hem. (etc.)" (Bavink in De uitvreter, p.15)

"Hij wou dat-i dat baantje maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen gelukkig de rails nog, (...). (etc.)" (Bekker in Titaantjes, p.54)

Hoofdstuk VII van De uitvreter, waarin Japi uiteenzet waarom hij tot zijn oude levensfilosofie terugkeert, is zelfs bijna volledig in de vrije indirecte rede geschreven. 

            Als effect van dit vertelprocédé ziet Bindels: "Distantie enerzijds, universaliteit anderzijds." [1] Inderdaad krijgen de woorden van Nescio's personages er soms een meer dan particuliere waarde door, zeker in combinatie met de aanspreekvorm 'je', hierboven reeds aangehaald:

"Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. (...) Bereiken kon je toch niets." (p.39)

Dat de vrije indirecte rede afstand zou creëren lijkt mij echter niet zo evident. Naar mijn gevoel draagt deze juist dikwijls bij tot een grotere betrokkenheid. Omdat de grens tussen vertellerstekst en persoonstekst vervaagt, wordt de lezer uitgenodigd om zich, net zoals de verteller dat doet, sterk met het personage te vereenzelvigen. Doordat de aanwezigheid van de verteller, die zich anders manifesteert in inleidende zinnetjes als 'hij zei' of 'hij dacht', nauwelijks zichtbaar is, zijn we sterker geneigd de wereld door de ogen van het personage te bekijken. Bijvoorbeeld in de volgende passage uit De uitvreter, waar Japi's ideeën worden weergegeven:

"Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en verdriet geen avond zou worden." (p.14)

            Overigens kunnen ook bij de door Bindels' geopperde universaliteit vraagtekens worden geplaatst. Maakt Nescio juist niet eerder duidelijk hoe iedere visie op de werkelijkheid gefilterd is door het individuele bewustzijn? Het veelvuldige gebruik van de vrije indirecte rede, waarbij de verteller gedachten en uitspraken van anderen citeert, draagt immers bij tot een relativerende wisseling van vertelperspectieven. Als Nescio algemeen geldende uitspraken had willen doen, dan had hij die allicht in de tegenwoordige tijd geplaatst.

Hoe particuliere gevoelens en stemmingen de waarneming van de werkelijkheid beïnvloeden, wordt goed gedemonstreerd in een passage uit Dichtertje, waar dezelfde ruimte opeenvolgend vanuit drie verschillende gezichtspunten wordt beschreven. In de beschrijving van een bezoek van het dichtertje aan zijn schoonfamilie, vormt de herhaalde observatie van het huis en de tuin een belangrijke bijdrage tot de suggestie van Dora's ontluikende liefde. Aan de ontmoeting tussen Dora en het dichtertje gaat eerst een neutrale weergave van de ruimte vooraf, vanuit het perspectief van de verteller:

"'t Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van 't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een bruine beuk tusschen. De rode meidoorn was uitgebloeid, de roode bloemen van de kastanjes waren afgevallen (...). De acacia's bloeiden en de jasmijn. De serre en alle drie de deuren van de weranda stonden wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis (...). (etc.)" (p.89)

Dan volgt de observatie van het dichtertje, op dat moment pas getrouwd en nog niet verliefd op zijn schoonzusje: "Hij zag een kind in 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en de hoge boomen en de acacia's en jasmijn in bloei, op zij." (p.90). De grote nuchterheid die hieruit spreekt, contrasteert sterk met Dora's waarneming, die helemaal is beïnvloed door haar beginnende verliefdheid:

"En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende acacia's en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zo nieuw en zoo mooi. De leeuweriken zongen overal, een reiger vloog, de lucht was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht - kun je 't licht pakken en aan je drukken en in je?" (p.90)

De liefde van Dora wordt nergens expliciet verwoord maar sterk gesuggereerd doorheen de weergave van haar manier van kijken, waarbij de verteller zichzelf sterk op de achtergrond houdt. Zoals reeds in het vorige hoofdstuk werd opgemerkt, maakt Nescio uitvoerig gebruik van natuurobservaties (die soms de vorm aannemen van visioenen) bij de evocatie van gemoedstoestanden. 

            Verschillende van de hierboven beschreven aspecten van Nescio's vertelwijze laten toe opnieuw een link te leggen naar het modernisme: wisseling van vertelperspectieven, gebruik van de vrije indirecte rede en aandacht voor het bewustzijn als filter bij de observatie van de werkelijkheid zijn daarin legio. Een ander procédé dat door meerdere modernistische auteurs wordt gehanteerd is de innerlijke monoloog, een verwoording in de ik-persoon van een bewustzijnsstroom, dus van "de stroom van opeenvolgende en in elkaar overvloeiende stemmingen, gemoedstoestanden, gevoelens, gedachten, herinneringen, aandriften enz. waardoor het personage gedragen of zelfs geconstitueerd wordt." Eigenlijk gaat het om een gelijkaardig procédé als het gebruik van de vrije indirecte rede over een langer tekstgedeelte, maar dan in de ik-vorm. We onderscheiden twee soorten: de directe innerlijke monoloog, "waarbij de vertelinstantie zich op de achtergrond houdt, zodat de lezer a. h. w. rechtstreeks de innerlijke verwoording afluistert van de bewustzijnsstroom der personages", en de indirecte innerlijke monoloog, "waarbij de verteller of een personage de bewustzijnsstroom aankondigt, begeleidt of commentarieert" [2]. In hoeverre vinden we dit stijlmiddel bij Nescio terug?

            In het achtste hoofdstuk van Titaantjes, waar Koekebakker na zes jaar afwezigheid opnieuw op de spoorwegbrug van Rhenen staat, komen we al aardig in de buurt van een indirecte innerlijke monoloog. Koekebakker blikt er terug op de tijd van de grote idealen, voelt opnieuw het verlangen van vroeger, dat vervolgens overgaat in een gevoel van ontgoocheling omdat er uiteindelijk zo weinig werd bereikt, waarna troost wordt gezocht in de gedachte "God leeft in mijn hoofd." (p.59). Een stroom van gedachten, herinneringen en gevoelens, die onderbroken wordt door natuurwaarnemingen, en begeleid door het commentaar van de ik-verteller, Koekebakker op een later tijdstip. Hoewel deze zich sterk inleeft in zijn gevoelens van destijds (zozeer, dat hij aan het eind van het hoofdstuk overschakelt naar de tegenwoordige tijd), laat de tijdsafstand zich ook in deze passage gelden: het samenhangende, goed te volgen relaas kan niet anders dan een bewerking zijn van een op het moment veel chaotischer beleving.

            Een ander noemenswaardig voorbeeld treffen we aan in Insula Dei, waar het vierde hoofdstuk bijna in zijn geheel is gewijd aan de overpeinzingen van het ik-personage Dikschei. Hoewel dit verhaal in de tegenwoordige tijd is geschreven, zodat het moment van vertellen samenvalt met het moment van beleven, gaat het ook hier nog eerder om een indirecte innerlijke monoloog: de stroom van gedachten en herinneringen wordt immers begeleid door zinnetjes als:

            "Ik zit weer voor m'n haard en denk." (p.193)

            "Ik dwing m'n gedachten er naar terug." (p.194)

            "Het ontglipt me weer." (p.195)

            In het derde hoofdstuk van Dichtertje, waar het dichtertje kokketeert met een onbekende dame op de tram, ontmoeten we daarentegen een passage waarin we de gedachten van de personages rechtstreeks afluisteren (die wel nog tussen aanhalingstekens staan):

"'Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?' 'Ik wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?' 'Even wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die, moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn gedachten kunnen wijd en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedenksels gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deren, naar jou gaan mijn gedachten door mijn oogen.'" (p.84)

   

[1] R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio, p.55 .

[2] Definities uit : H. Van Gorp (ed.), Lexicon van literaire termen, p.200.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina