Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Nescio, zijn tijd vooruit: "Ik ben eigenlijk geen schrijver": houding tegenover het literaire bedrijf 

   
   

1.3."Ik ben eigenlijk geen schrijver": houding tegenover het literaire bedrijf

Ondanks bovengenoemd zelfbewustzijn schijnt Nescio zich niet als een letterkundige te beschouwen, en heeft hij zich altijd ver gehouden van het literaire wereldje. Meermaals uit hij zijn misprijzen voor al die 'nette literatuurlingen', die zichzelf zo au-sérieux nemen. Dit zal ook wel mede bepalend zijn geweest voor het feit dat hij zo lang op de achtergrond is gebleven : nooit heeft hij op welke manier ook publiciteit gemaakt voor zijn eigen werk, nooit moeite gedaan om zijn stem te laten horen. Tegen Simon Carmiggelt zegt hij: "Ik heb altijd zooveel mogelijk stil gehouden dat ik schreef, want ik heb mijn leven lang op een kantoor gezeten en als ze in zulke kringen merken, dat je zulke neigingen hebt, denken ze alleen maar, dat je niet deugt voor je werk." [1]

Ter Braaks voorstel in 1933 om regelmatig een bijdrage aan Forum te leveren, wordt resoluut afgewimpeld: "Als medewerker aan een tijdschrift kom ik niet in aanmerking." [2] W. Moll, gemeentearchivaris van 's-Gravenhage, moet herhaaldelijk aandringen om manuscripten en een portret. De eerste keer, in 1936, vangt hij volledig bot en krijgt van Nescio de uitleg dat hij geen letterkundige is. Pas in 1950 weet Moll een fotootje los te krijgen, maar van zijn manuscripten (zelf plaatst Nescio dit woord tussen aanhalingstekens) beweert hij geen afstand te kunnen doen, en correspondentie met letterkundigen voert hij niet (over zijn briefwisseling met Agnes Maas-Van der Moer wordt niet gerept - omdat hij haar als schrijfster minderwaardig vindt of omdat hij hun brieven liever bewaart als iets tussen hen beiden ?). Hij voegt er nog aan toe: "Ik houd erg weinig van wat de Engelschen noemen 'making a show of yourself'." [3] W. L. M. E. Van Leeuwen heeft in 1954 meer succes en slaagt erin zowel een foto als een opschrijfboekje ("eigenlijke manuscripten, wat een nette litteratuurling onder manuscripten verstaat, heb ik ook niet. Mijn vrouw schreef altijd mijn krabbels over." ) te pakken te krijgen, hoofdzakelijk omdat Nescio Van Leeuwen als een 'oud vriend' beschouwt, en niet zonder gemopper, want hij is "er nog meer aan gehecht haast dan aan mijn poes"  en "Kun je zoo iets ten toon stellen zonder de tentoonstelling te schandaliseeren ? NEE. Achterin staan huishoudelijke aanteekeningen. Stil laten staan, maar een beetje weghouden." [4]

            Als reden om hem als geen echte letterkundige te beschouwen, ziet hij het feit dat alles wat hij neerschrijft ontstaat "zonder opzet" [5], spontaan, zonder de onmiddellijke intentie er geld mee te verdienen of bekendheid te verwerven. Hij legt dit wat preciezer uit in een brief aan Agnes Maas-Van der Moer: "Ik ben eigenlijk geen schrijver, 't is me niet te doen om iets te maken (...), 't is bij mij een levensverschijnsel, zooals treklust en verliefdheid op onbestaande vrouwelijkhedens. Zonder dat ik 't weet groeit eens in de honderd jaar zou ik haast zeggen de bloem uit mijn misère." [6]

            Over de Nederlandse literatuur, de schrijvers die hij weigert als zijn collega's te zien, is hij dan ook in het algemeen niet te spreken, op enkele uitzonderingen na, waaronder Elsschot en vooral Multatuli. Hij leest hoofdzakelijk Franse boeken, van ondermeer Zola en Balzac. 

            Eén keer, in 1951, waagt hij zich in het hol van de leeuw en bezoekt in Brussel een 'Grootnederlands' literair congres, en dan vooral uit nieuwsgierigheid hoe het er op een dergelijke aangelegenheid aan toe gaat. Zijn bevindingen schrijft hij neer in een brief aan een schoolmeisje, dat kennis met hem maakte naar aanleiding van een opstel dat ze over hem schreef. Zijn houding tegenover het hele gebeuren is veeleer die van een lichtjes spottende waarnemer dan van een actieve deelnemer. Om dit duidelijk te maken laat ik hem nog eens zelf aan het woord:

"Om 2 uur de opening v/h congres bijgewoond (de gewone rhetorica), eerst nog aan enkele lui voorgesteld. Om 1/2 4 verdwenen en lekker over de balustrade bij het Palais de Justice over Brussel gekeken (...) en toen om 6 uur weer binnen gekomen, want ik wou wel eens zien wat een 'cocktailparty' was (die hebben ze altijd in detectiveverhalen van onzedelijke Amerikaanse romans door juffrouwen). (...)

En ze kankerden allemaal op het congres (en hebben daarna misschien mooie stukjes er over geschreven?) en sommige Hollanders hadden in het hotel nachtkabaal gemaakt (...). De 'conclusies' en het banket heb ik laten loopen, ik reisde liever in het zonnetje naar huis. Dat was nou het congres, ik ben blij dat ik dat allemaal niet heb gemist." [7]

            Desalniettemin is Nescio erg gesteld op enige appreciatie door diezelfde nare 'literatuurlingen'. Dat geeft hij openlijk toe in een brief aan Agnes Maas-Van der Moer: "Ik ben voor bewondering en dankbaarheid zeer gevoelig, zelfs zoo dat ik er mezelf mee in de maling neem (mijn bewonderaars krijgen dan in gedachte een veeg mee!) en 't bijna nooit durf bekennen. (...) 'k Wacht nu op Querido (dien vind ik nu een kwal, als hij mij prijst zal ik tegen mezelf zeggen dat ik toch nooit ontkend heb dat ook hij kwaliteiten had!)." [8]  Nescio's houding tegenover het wereldje van de literatuur is steeds erg dubbelzinnig geweest. Aan de ene kant wil hij er niet bij horen en stelt hij zich bewust op als buitenstaander. Als zakenman zijn brood verdienend, kan hij zich dit veroorloven. Aan de andere kant is het voor hem erg belangrijk naar waarde te worden geschat. De kritiek die hij af en toe te verwerken krijgt, blijft hem duidelijk op de maag liggen. Al ontstaat zijn werk dan 'zonder opzet', hij wil gelezen worden! In ruil daarvoor is hij soms zelfs bereid kleine concessies te doen.  Op aanraden van De Gids brengt hij wijzigingen aan in het verhaal De uitvreter, dat te lang en te weinig gecomponeerd wordt gevonden.  Hij houdt zich bezig met bekortingen, wijzigingen in de volgorde, een indeling in hoofdstukken en enkele woordveranderingen. In zijn aanpassingen gaat hij echter nooit ver; veranderingen van inhoudelijke aard worden geweigerd. Zo gaat hij niet akkoord wanneer in 1914 wordt aangedrongen Titaantjes "Gidsfähig"  te maken. Aan redacteur Van Hall, die eigenhandig de slotpassage herschreef en het woord 'God' wil vervangen door 'Zeus', schrijft hij: "Ik zelf houd er geenerlei meeningen op na maar ik kan niet beletten dat onder de menschen die ik schets opinies en gevoelens gevonden worden die niet iedereen deelen kan." [9], met als gevolg dat het verhaal tenslotte niet aanvaard wordt.

            In een brief van 28 juni 1915 krijgt Nescio een opmerking te verwerken, die hem zijn leven lang zal bijblijven. Nadat Frans Coenen, redactiesecretaris van Groot Nederland,  met L. Simons, directeur van uitgeverij De Wereldbibliotheek, sprak over Nescio's plan om De uitvreter en Titaantjes samen te publiceren, laat hij de schrijver weten: "Hij zeide mij U te verzoeken dit te willen uitstellen tot gij een bekende schrijver zijt geworden en een grooten roman geschreven hebt. Onbekende novellen schrijvers zijn absoluut onverkoopbaar in de W.B." [10]. Jarenlang blijft Nescio schimpende opmerkingen maken over die roman, die hij ondertussen wél herhaaldelijk en steeds vergeefs probeert te schrijven.

   

[1] Kronkel (S. Carmiggelt), Nescio.  In : Het Parool, 25 juni, 1956.  Ook in : 'Van u heb ik ook een heleboel gelezen...', p.10.

[2] Grönloh aan M. Ter Braak, 27-7-1933.  Gepubliceerd in : Nescio. De uitvreter. Historisch-kritische uitgave.  Deel 2/Apparaat, p.17.

[3] Grönloh aan W. Moll, 29-10-1950.  Idem, p.20.

[4] Grönloh aan W. L. M. E. Van Leeuwen, 23-3-1954.  Idem, p.20. 

[5] Grönloh aan W. Moll, 4-6-1936 : "Letterkundige ben ik niet, wat ik schreef is zoo maar ontstaan, zonder opzet."  Idem, p.20.

[6] Brief van 18-7-1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.422.

[7] Anoniem (J. Eykelboom), 'Een brief van Nescio' (aan Anje Eykelboom-Dik).  In : Vrij Nederland, 17-16-1961.  Ook in : Over Nescio, p.258-259.

[8] Brief van 14-4-1919.  In : E. Endt, o.c., p.409.

[9] Grönloh aan J. N. van Hall, 20-10-1914.  Gepubliceerd in : Nescio. De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.209.

[10] F. Coenen aan Grönloh, 28-6-1915.  Gepubliceerd in : Nescio. De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.209.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina