Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Structuur: Titaantjes

   
   

Titaantjes

            Als uitgangspunt lijkt Titaantjes geschikt, een verhaal uit de bloeitijd van Nescio's schrijverschap, dat in vele opzichten representatief mag worden genoemd. Dat geldt meteen al voor de openingszin -"Jongens waren we, maar aardige jongens." (p.43) - die breekt met iedere auctoriële afstandelijkheid en het verhaal een wat abrupt, overrompelend begin geeft. De definitieve versie van Titaantjes begint dan ook met het oorspronkelijk derde hoofdstuk. Zoals reeds vermeld, schrapt Nescio de eerste twee hoofdstukken met hun expliciet inleidende karakter (de beschrijving van de manier waarop de titaantjes elkaar hebben leren kennen), en neemt hij daardoor bewust afstand van het conventionele verhaalbegin: aan Nol Gregoor vertelt hij dat hij ze "te realistisch verteld" [1] acht. Ook zijn andere verhalen tracht Nescio vaak zo verrassend mogelijk te openen, op een manier die de nieuwsgierigheid van de lezer wekt:

"Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de uitvreter." (De uitvreter, p.9)

"Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige bakkebaarden heen en weer over z'n vest." (Dichtertje, p.75)

            Na een verwachtingsvolle anticipatie, waarin we in enkele woorden te horen krijgen wat er geworden is van de ons nog niet voorgestelde personages, wordt de vriendenkring op impliciete wijze gekarakteriseerd in enkele fragmenten die ons inlichten over hun typische gedrag: hele zomernachten staan praten tegen het hek van het Oosterpark, de zon gaan zien opkomen aan de Zuiderzee, tochten maken naar de Ringdijk, vage toekomstplannen smeden en hun kantoorbazen verachten. De beschrijving van hun doen en laten (waarvan de conclusie luidt: "Neen, we deden eigenlijk niets." p.49) blijft hier nog erg algemeen, en wordt pas in de zeven volgende hoofdstukken verder ingevuld en geïllustreerd. Ieder hoofdstuk neemt een aspect van deze "wonderlijke tijd" (p.48) voor zijn rekening: de samenkomsten op het 'hok' van Kees (hoofdstuk II), de strijd tegen de gehate 'heren' (hoofdstuk III), de verliefdheid van Bekker (hoofdstuk IV), het gevoel van onmacht (hoofdstuk V), het begin van Bekkers dichterschap (hoofdstuk VI), en tenslotte een representatief uitstapje naar de zee (hoofdstuk VII).

            Samen vormen deze hoofdstukken een vrij afgerond eerste deel van het verhaal, op basis waarvan de lezer zich een beeld heeft kunnen vormen van de gezamenlijke jeugdjaren van deze "aardige jongens" (p.43). De beschrijving verloopt overigens niet chronologisch, maar volgt het herinneringspatroon van de ik-verteller. De weergave van concrete belevenissen en geïsoleerde tijdsmomenten (het bezoek aan de kolonie van Van Eeden, de middag waarop Bekker zijn eerste gedicht schreef, de avond op het strand in Zandvoort,..) wordt afgewisseld met meer generaliserende passages en opmerkingen:

            "Dikwijls waren we ook minder spraakzaam." (p.44)

"Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond bij elkaar." (p.46)

            "Maar wij waren arm." (p.48)

            "En verliefd waren we." (p.49)

Dergelijke opmerkingen hebben duidelijk ook een stucturerende functie, net als het concluderende commentaar dat we geregeld aantreffen:

            "Neen, we deden eigenlijk niets." (p.45)

            "Het was een wonderlijke tijd." (p.48)

            "Zoo was 't (...)." (p.50)

            "Dus deden we maar niks." (p.51)

            Van deze zeven hoofdstukken zijn de twee laatste het meest verhalend: zij beperken zich ieder tot één concrete belevenis: de middag toen Bekker zijn eerste gedicht schreef (hoofdstuk VI), en de zomeravond aan zee in Zandvoort (hoofdstuk VII). Beide kennen een anekdotische aanhef, met duidelijke explicitering van plaats (Leiden, Zandvoort) en tijd ("'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag (...)." p.51, "'t Was in 't laatst van Juli. Om zeven uur (...)." p.53). Dit in tegenstelling tot de andere hoofdstukken, waar de schaarse tijdsaanduidingen een vaag en generaliserend karakter bezitten: "Heele zomernachten" (p.44), "Dikwijls" (p.44), "na kantoor" (p.45), "bijna iederen avond" (p.46), "maanden lang" (p.49) enzovoort.

            Het zevende hoofdstuk is niet zomaar het verslag van een uitstapje, maar kondigt tegelijk een wending aan in het verhaalverloop: we merken dat de vriendenkring weldra zal uiteenvallen, dat de titaantjes misschien wel voor het laatst samen zijn. Het hoofdstuk is doordrongen van weemoed en een gevoel van ondergang. De verwachtingen van de vrienden worden nog een laatste keer verwoord, maar zonder veel hoop.

            In het achtste hoofdstuk heeft deze wending zich dan voltrokken. De verteller is na zes jaar terug in Holland, en komt, mijmerend op de brug van Rhenen, tot het deprimerende besef dat van alle verwachtingen niets is terechtgekomen. Rob Bindels noemt dit hoofdstuk, waarin iedere actie ontbreekt "een scharnier tussen vroeger en later, (...), tussen de eerste zeven en de laatste vijf hoofdstukken (...)." [2] Deze onderbreking in het verhaalverloop is van centraal belang: aan de hand van de reflecties van Koekebakker wordt de betekenis van het verhaal, die vooral gelegen is in het contrast tussen vroeger en later, volop duidelijk.

            In de volgende vijf hoofdstukken krijgt dit 'later' een nadere invulling. Het verhaal komt opnieuw op gang vanaf hoofdstuk IX, waar Koekebakker op weg is naar zijn vrienden en opnieuw wordt geconfronteerd met de gehate 'heren'. In wat volgt krijgen we te horen hoe het met Hoyer (hoofdstuk X en XII), Kees (X en XII), Bekker (XI en XII), Bavink (XIII) en ten slotte Koekebakker (XIII) afgelopen is. Hoofdstuk X en XI zijn verhalend en vertellen het bezoek van Koekebakker aan respectievelijk Hoyer en Bekker. Hoofdstuk XII, beginnend met de aankondiging: "Ik kom nu gaandeweg tot 't einde." (p.67), is meer beschouwend en vat de situatie van Hoyer, Kees en Bekker nog eens samen vanuit het 'nu' (er vindt een overschakeling naar de tegenwoordige tijd plaats). Het slothoofdstuk is bijna in zijn geheel gewijd aan het falen van Bavink, dat in verschillende etappes wordt beschreven:

"Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen, dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden." (p.69)

            "Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation (...)." (p.70)

            "Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste zonsondergang." (p.71)

            "Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatiënten." (p.71)

In slechts twee zinnen vat Koekebakker vervolgens zijn eigen huidige positie samen ("En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis." p.71), om het verhaal ten slotte te laten eindigen met de al eerder geciteerde[3] beschouwing over "Gods troon is nog ongeschokt." (p.71).

            Samenvattend kan men dus zeggen dat de opbouw van Titaantjes niet is gebaseerd op een intrige die rechtlijnig gevolgd wordt. De handeling is van secundair belang en wordt alsmaar onderbroken door beschouwende passages. De spanning van het verhaal is niet in de actie gelegen, maar veel meer in het contrast tussen vroeger en later. Omdat het de auteur toch niet om één of andere verrassende ontknoping te doen is, kan de afloop reeds aan het begin van het verhaal worden onthuld. Deze anticipatie nodigt de lezer uit om de beschreven gebeurtenissen in het licht te zien van de situatie in het 'nu'.

            De tegenstelling tussen vroeger en later (toen en nu), is tevens bepalend voor het tijdsverloop. De verteller laat beide tijdsniveaus voortdurend op elkaar inspelen. Zoals al enkele malen werd opgemerkt, is het eerste deel van het verhaal, dat zich 'vroeger' afspeelt, doorspekt met anticiperend commentaar. Op zijn beurt bevat het tweede deel, volgend op het 'scharnierende' achtste hoofdstuk, enkele retroversies. Wanneer Koekebakker in hoofdstuk IX en X respectievelijk Hoyer en Bekker bezoekt, ziet hij telkens in een flits het verleden oplichten:

"Ik tuurde naar 't Bokharakleedje (...) en zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den hardsteenen trottoirband. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en mijzelf (...)." (p.64)

"En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien, die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je hoorde en niet zag." (p.66)

Het globale tijdsverloop van het verhaal is erg diffuus en niet altijd duidelijk. De precieze chronologie valt moeilijk te achterhalen, omdat ze ondergeschikt is aan de manier waarop het verleden in het bewustzijn van de verteller wordt herbeleefd. De meeste tijdsaanduidingen blijven vaag en ongepreciseerd. Slechts de twee tijdsniveaus 'vroeger' en 'later' zijn duidelijk geaccentueerd en worden tegenover elkaar geplaatst, de volgorde van de gebeurtenissen binnen ieder daarvan heeft veel minder belang. Het resultaat is een sterk fragmentarische (volgens Bindels: "scènische" [4]) opbouw, die in Nescio's tijd als gedurfd moet zijn overgekomen.

            Opdat we ons een beeld kunnen vormen van de manier waarop Nescio's methode van verhaalopbouw evolueert, volgt nu een korte vergelijking met achtereenvolgens het jeugdverhaal Heimwee en het late verhaal Insula Dei.

   

[1] Verzameld werk.  Deel 2.  Commentaar, p.816.

[2] R. Bindels, o.c., p.82.

[3] zie p.75.

[4] R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio, p.83.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina