Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Structuur: Heimwee

   
   

Heimwee

            Vooraleer de structuur van dit verhaal uit 1903 van dichterbij wordt bekeken, moet er even op worden gewezen dat de volgorde van de bladen in het manuscript niet altijd even duidelijk was, zodat bij de publicatie hier en daar moest worden gespeculeerd. Daar komt nog bij dat niet van alle hoofdstuknummers met zekerheid kan worden gezegd dat ze van de hand van de schrijver zijn. Het slotfragmentje ten slotte, dat op een apart blad werd gevonden en door de uitgevers aan het geheel is toegevoegd, is vermoedelijk één van de eerste dingen die op papier zijn gekomen, en sluit niet helemaal goed aan bij wat er uiteindelijk van het verhaal werd voltooid.

            Na een tweetal motto's opent het verhaal met de krachtige zin: "Ik zie ze nog, die flinke kerels, die nu allen gestorven zijn om der gerechtigheid wil." (p.303), waarbij, net als aan het begin van Titaantjes, meteen de afloop al wordt onthuld. In tegenstelling tot dit latere verhaal worden in het eerste hoofdstuk van Heimwee de afzonderlijke personages één voor één kort getypeerd. Pas dan laat Nescio, na een witregel, de handeling beginnen, die hier draait rond een samenkomst van de vrienden op een zomeravond. De belevenissen worden telkens van een nauwkeurige tijdsaanduiding voorzien:

            "Elf uur zomernacht (...)." (p.306)

            "Twaalf uur zomernacht." (p.307)

            "Kwart over twaalven Juli-nacht." (p.307)

            Ook de gebeurtenissen in hoofdstuk II krijgen een vrij precieze situering in de tijd: "Enkele dagen later. Weer een zomernacht." (p.307), en wat verder: "Sloeg de kerkklok, een droomerig dorpsslagje - half twaalf." (p.309). Het hoofdstuk concentreert zich op een wandeling van Jan Verschure en zijn meisje, geeft een korte weergave van de bezigheden van de andere vrienden "Die zelfde nacht" (p.310), en eindigt met het ontwakken van het meisje de dag daarop.

            Hoofstuk II beschrijft "die avond, toen de jonge Termaat sprak" (p.310), en bestaat grotendeels uit de speech van Termaat, weergegeven in de vrije indirecte rede. Na een geldinzameling keren de vrienden naar huis. Hierop volgt nogmaals een hoofdstuk over Jan Verschure en zijn meisje. Ze wandelen naar huis na een vergadering waarop hij haar heeft meegenomen, maar het is niet duidelijk of het om dezelfde avond gaat als die van de fameuze speech. 

            Na een wat apart staand vijfde hoofdstuk, dat de "nacht van liefde" (p.322) van Leo Heldring en Irma Delorme beschrijft, besluit de verteller in hoofdstuk VI: "Nu zal ik verhalen hoe Jan Verschure stierf." (p.322). Dit personage wordt gevolgd vanaf "Een avond in Maart" tot "Den volgenden morgen" (p.326). Uit de weergave van zijn gedachten kunnen we afleiden dat er enige tijd is verstreken: het is inmiddels uit met zijn meisje en de 'oue Termaat' is doodgevroren. Omdat we nauwelijks het bewustzijn van Jan Verschure verlaten, is het verloop van de gebeurtenissen hier niet helemaal duidelijk. Zijn dood komt erg plotseling en wordt niet expliciet verwoord. Na een witregel lezen we dat de "machinist van de stoomtram (hem) vond liggen aan de weg" en dat er "een berichtje over in de krant (kwam)" (p.329). Het verhaal sluit met de opmerking: "Zeer lang daarna verheugden zich de Christenen in Nederland nog in de alleen troostbrengende kracht van hun geopenbaard geloof, dat in een boek stond." (p.329). 

            Het toegevoegde slotfragment, dat suggereert dat de vrienden elk op hun beurt zijn gestorven "om der gerechtigheid wil" (p.329), laat zien dat Nescio nog heel wat meer in zijn hoofd had dan wat er werd voltooid, misschien wel "een complete 'revolutionaire' roman" zoals Lieneke Frerichs oppert[1]. Wat "deze mannen en vrouwen" (p.329) uiteindelijk concreet ondernemen, krijgen we niet te horen. Hieruit blijkt reeds de moeite die Nescio ondervindt om een intrige uit te werken. Hoewel Heimwee nog een meer verhalend karakter bezit dan Titaantjes, en commentariërende beschouwingen nagenoeg ontbreken, merken we dat het de schrijver ook hier niet echt om een verhaallijn is te doen, maar veel meer om de schildering van het revolutionaire milieu van destijds. Hoewel de chronologie van de gebeurtenissen nog voor het grootste deel duidelijk is, ontwaren we reeds de voor Nescio karakteristieke, fragmentarische manier van vertellen. We mogen Heimwee daarom een verhaal noemen dat de brug slaat tussen Nescio's naïevere, nog sterk anekdotische jeugdverhalen (zoals Mijn vriend en ik 3 dagen buiten of Mijn vriends eerste liefde), en de grote verhalen uit zijn bloeitijd.

   

[1] Verzameld werk. Deel 2.  Commentaar, p.773.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina