Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Structuur: Insula Dei

   
   

Insula Dei

            Hoe zit het met Insula Dei, het verhaal dat in 1942 onverwachts nog uit Nescio's pen vloeide? In tegenstelling tot zowat al zijn overige werk gebruikt Nescio hier de tegenwoordige tijd, en laat hij het verhaal zich afspelen op het moment dat het geschreven wordt. Een situering in de tijd gebeurt uitdrukkelijk aan het begin van het eerste hoofdstuk: "Februari 1942. Een grauwe, ijzige, dooie dag." (p.181). Op deze aanhef volgt ook nog een beschrijving van de ruimte: het armoedige, besneeuwde Amsterdam tijdens de oorlogswinter. Pas na anderhalve bladzijde wordt de eigenlijke handeling in gang gezet: de ik-figuur Dikschei loopt een jeugdvriend tegen het lijf, Flip.

            Is het woord 'handeling' hier wel op zijn plaats? Wanneer we de uiterlijke gebeurtenissen in het verhaal beschrijven, dan komen we tot het volgende povere resultaat: Dikschei ontmoet Flip (hoofdstuk I), ze drinken samen koffie in 'De Poort van Muiden' (hoofdstuk II), Flip gaat bij Dikschei op bezoek (hoofdstuk III), Dikschei denkt na over de woorden van Flip en maakt een wandeling (hoofdstuk IV), Dikschei bezoekt Flip in zijn droevige woning (hoofdstuk V). Minder actie is nauwelijks mogelijk. In de loop van het verhaal verstrijkt bovendien nauwelijks enige tijd.

            Insula Dei bezit dan ook in zijn geheel een beschouwend karakter en zoekt het in de gesprekken die de twee personages met elkaar voeren. In wezen gaat het om een afwisseling van monologen van Flip, en Dikschei's reflecties daarop. Flip heeft het in hoofdzaak over "de stomme gang van zaken" (p.192) en zet zijn overlevingsstrategie uiteen. Dikschei denkt na over "de uiteindelijke dood van alles" (p.188) en neemt Flips oplossing in overweging. Via Dikschei's gedachtegang, die doorspekt is met flitsen van herinneringen, krijgen we bovendien een beeld van het verleden. Hoewel het verhaal zich afspeelt binnen een korte tijdsspanne, is er op die manier toch enige vorm van tijdsverloop aanwezig: onder invloed van de ontmoeting met Flip voelt Dikschei het verleden herleven ("En daar staat in eens het verleden, in eens is het 1900, 1910, 1920.  Flip." p.182), dat gevoceerd wordt aan de hand van een aantal flashbacks. 

" (...) de laatste vrouw gaat net weg met haar pannetje en tusschen ons en deze armoedige, barre wereld is een onmetelijke tuin vol korenvelden en gras en boomen en bloemen en kronkelende riviertjes. De wereld is weer groen. Het is weer een dag in Mei en we zitten aan de Vink bij den waterkant en drinken koffie natuurlijk, altijd dronken we koffie, bij elk weer. (...) etc." (hoofdstuk I, p.184)

"Terwijl ik vertel zijn al die 37 of 38 jaren weg, ze zijn er nooit geweest, ze moeten nog komen. M'n fiets snort over de klinkertjes. (...) etc." (hoofdstuk III, p.191)

De overgang van heden naar verleden is telkens opvallend vloeiend; de tegenwoordige tijd wordt gehandhaafd, zodat het lijkt alsof we ons wrkelijk naar een andere tijd verplaatsen. Z levendig zijn Dikschei's herinneringen: "Ik kijk naar Flip en luister en voel m'n jeugd, die voorbij heet, ik zie en hoor m'n jeugd en ik voel m'n vrijheid." (p.189). Ook herinneringen uit het recentere verleden worden op deze manier opgetekend. Tijdens Dikschei's reflecties in hoofdstuk IV:

"Regen! En uit 't verleden van vijf weken geleden, maar zo ver weg, uit het verleden verrijzen de boomen van Frankendaal, blauwe en rooie druppels glinsteren aan de takken, (...). etc." (p.194)

Wat verder heeft Dikschei zelfs een visioen van de toekomst:

"Ik zie de lente. Als de hoogste takken van de boomen zie ik de lente van verre. Godbewaarme, wat een winter hebben we gehad." (p.195)

Wanneer Dikschei aan het eind van dit hoofdstuk een avondwandeling maakt, duikt een langere flashback op, die als volgt begint: "Woensdag 9 Juli 1941, half tien, Duitsche zomertijd, de zon staat laag. Tegen den avond van een ondraaglijk heeten dag. Een smal fietspad tusschen jonge berkjes." (p.197).

            Ook uit de gesprekken tussen beide vrienden ervaren we een en ander uit het verleden. Aan het begin van hoofdstuk II worden enkele jeugdherinneringen opgehaald (p.185). Verder krijgen we fragmenten uit Flips levensverhaal te horen, dat in hoofdstuk I als volgt wordt samengevat: "En verder was z'n verhaal er n uit zoo vele. Weggerationaliseerd uit z'n kantoor met een half jaar salaris, aan den steun vervallen, een paar maal wat tijdelijk werk gehad." (p.182). We komen te weten hoe Flip een boek heeft geschreven, "niet gelezen en al bijna twintig jaar vergeten." (p.186). Hoe zijn vrouw en kinderen aan de t.b.c. gestorven zijn. Wat voor heerlijke dagen ze nochtans samen hebben doorgebracht in St. Georges les Bains (hoofdstuk V). Over Dikschei zelf krijgen we niet veel meer te horen dan dat hij "gerationaliseerd had" tot hij "bezweken was aan den onzin er van." (p.185), en dat hij"ten slotte nix (...) in de maatschappij" (p.197) is kunnen worden.

            Een dag na de eigenlijke voltooiing van het verhaal schrijft Nescio nog een kort 'vervolg', eigenlijk meer een commentaar. Hij legt uit dat er "nog een hoofdstuk van Insula Dei (bestaat), dat verhaalt hoe Dikschei vrijde met Helena den Oever", maar dat "heelemaal niet geschikt voor publicatie" (p.206) is. Of dit hoofdstuk werkelijk heeft bestaan (er werd niets van teruggevonden) is echter niet duidelijk.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina