Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Verhalen en fragmenten: Vorm: Structuur: Conclusie

   
   

Conclusie

            Er kan worden vastgesteld dat Nescio in de loop van de ontwikkeling van zijn schrijverschap steeds eenduidiger kiest voor een niet-lineaire verhaalstructuur met een diffuus tijdsverloop: terwijl er in Heimwee reeds fragmentarisch, maar toch nog chronologisch wordt verteld, haalt het bewustzijn van de ik-verteller in Titaantjes de chronologie overhoop. In Insula Dei krijgen we van het verleden slechts flarden te horen, zoals die gedurende het verhaal bij de personages opkomen. 

            Ook merken we dat de schrijver steeds radicaler afstand neemt (of durft te nemen) van de conventie dat er in een verhaal een intrige wordt uitgewerkt. Bij het schrijven van Heimwee lijkt hij nog die verplichting te voelen, maar komt er niet toe alle verhaallijnen die werden aangevat uit te werken. In Titaantjes (en ook in de overige verhalen uit die periode) wordt de handeling, die weinig spectaculair is, voortdurend onderbroken door beschouwende passages en commentaar. In Insula Dei ten slotte is er nog nauwelijks sprake van enige actie, laat staan van een intrige. Nescio hoeft in die tijd dan ook minder moeite te doen om een lezerspubliek te veroveren, en begint zonder grote plannen of verwachtingen aan Insula Dei. "Ik vrees dat het verhaaltje, als ik het ooit schrijf, niet veel zaaks zal worden" (p.157), waarschuwt hij in de inleiding tot de bundel Boven het dal. Het verhaal is ook veel meer in één vaart tot stand gekomen dan de meeste andere: "Het kwam zoo van zelf en het is ook wat anders uitgevallen", schrijft hij achteraf. "Als 't goed gaat is men daar zoo geen baas over." (p.157). Nescio heeft zich hier niet laten belemmeren door uitgevers- of lezersverwachtingen. Hij geeft in deze jaren, waarin hij een tevreden indruk over zijn eigen werk maakt, openlijk toe dat het hem niet te doen is om een verhaallijn, dat die bij hem slechts de functie heeft "lezers te vangen" (Boven het dal, Inleiding, p.157). Over Kortenhoef, een poging tot vervolg op De uitvreter, beweert hij: "(...) wat er van 't verhaaltje in voorkomt beteekent niets en verdwijnt er in." (p.217). Nescio durft het aan om enkele oude, vaak onvoltooide stukjes proza te publiceren, en verantwoordt hun fragmentarische karakter als volgt: "Ze eindigen plotseling, nergens, zooals alles." ('Ik laat hier nog een paar stukjes volgen', p.209). Waarom van een verhaal een samenhangend en afgerond geheel maken, als het leven dat ook niet is ?

            Ook Nescio's verhaalopbouw - die het niet zoekt in de handeling, maar in beschouwingen, waarnemingen, reflecties, en die de sprongen van het bewustzijn volgt in plaats van een vooropgezette, rechtlijnige intrige - heeft zijn literatuur een modernistisch uitzicht, dat door het Nederlandse publiek in de eerste decennia van deze eeuw niet zonder problemen lijkt te worden aanvaard.

   
     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina