Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Slotvraag: Waarom schreef Nescio zijn roman niet?: Het ongeschreven dikke boek

   
   

4. Slotvraag: Waarom schreef Nescio zijn roman niet?

4.1. Het ongeschreven dikke boek

           Op 13 oktober 1918 schrijft Nescio in het fragment De Profundis: "Ik heb u een dikken roman beloofd, of heb ik u dat nog niet gezegd? Ik ben weer eens van plan het dikke boek te schrijven, dat ik nooit schrijven zal en dat iemand toch geschreven moet hebben, om beroemd te worden, naar ze zeggen. Een dikken roman van gewapend beton, als 't kan in twee delen en erg episch. Want u weet dat 't epische 't hoogste genre is in de litteratuur. Ook dat heb ik ergens gelezen. Ze schrijven maar wat. Ze maken litteratuur, dooie litteratuur en andere kunstwerken, eindeloos en ze sterven er niet aan." (p.550). Erg veel vertrouwen en motivatie spreekt er niet uit deze grimmige woorden, die teruggrijpen naar een opmerking uit 1915 van uitgever L. Simons. Deze wil Nescio's verhalen pas gebundeld publiceren nadat hij "een bekende schrijver" geworden is en "een grooten roman geschreven" [1] heeft. Een bron van frustratie voor Nescio, die zichzelf in bovenstaand citaat door een dosis sarcasme al op voorhand lijkt te willen veilig stellen voor wanneer zijn plan mislukt. Het "weer eens"  uit de tweede zin suggereert bovendien dat het niet om zijn eerste vergeefse romanpoging gaat.[2] En hij krijgt gelijk: De Profundis loopt vast in het tweede hoofdstuk, net op het moment dat het eigenlijke verhaal zou gaan beginnen.

           Zo'n twee maanden later probeert hij het opnieuw. In de inleiding van Boven het dal wordt een notitie van 30 december 1918 aangehaald, die zo begint: "Ze zeggen dat ik er nooit kom als ik niet een roman schrijf. Geen schetsen, maar een roman. Allo dan maar. Ik heb nu iets in m'n kop, dat me wel lijkt." (p.154). In het verzameld werk vinden we het romanontwerp terug dat hierop volgt (Ontwerp, p.626-629). Een deel ervan wordt ook werkelijk gerealiseerd, maar al gauw blijft de auteur steken en vormt later de voltooide hoofdstukken om tot twee afzondelijke verhalen: Een lange dag en Verliefdheid.

           Een brief van 10 april 1919 aan Agnes Maas-Van der Moer getuigt van de zoveelste mislukte romanpoging n het besluit er maar mee op te houden: "Vorige maand ben ik aan een roman begonnen, hajewiet! 'Ze' hadden gezegd dat moest ik doen, zonder roman word je niet bekend en de uitgever dacht datti d'r vast wel in zou gaan. Nou, ik aan 't romanschrijven, in een paar dagen had ik wel vijftig zijdjes en de rest stond, in hoofdstukken verdeeld, in mijn kop. Maar ik heb er mee opgehouden, 'k geloof niet dat 't wat voor mij is, ik heb nog maar weinig romans ontmoet die niet veel beter veel korter hadden gekund. Voortaan schrijf ik alleen wanneer ik zelf wil en wat ik zelf wil, ik kan me dat gelukkig nog veroorloven. Dan maar niet bekend." [3]

           Een jaar later, op 19 april 1920, schrijft Nescio: "'t Is net zoo gegaan als ik dacht, ik heb mijn dikken roman niet geschreven." (p.552). Ondanks zijn eerdere relativering van het romangenre blijkt uit de verbitterde toon van dit fragment dat hij er toch wel onder lijdt niet te zijn geslaagd. Hij grijpt terug naar wat hij in het eerste deel van De Profundis beweerde over zijn schrijverschap, daar beschreven als het bouwen aan een schitterende kathedraal, om vast te stellen: "Mijn cathedraal werd een tuintje voor een oggenebisch villaatje, heelemaal niet op een berg, een tuintje met twee kiezelpaadjes en een perkje witte margarieten die ik zieligjes tevreden begiet." (p.552). Vervuld van minderwaardigheidsgevoelens vraagt hij zich bovendien "werkelijk deemoedig af waarom ik mijzelf niet zou vernederen en worden als alle andere menschen. Welk recht heb ik om meer te zijn?" (p.553)

           Nescio's frustraties omtrent de kwantitatieve beperktheid van zijn proza (hij noemt zichzelf kleinerend "een exporteurtje dat verhaaltjes schrijft", p.552-553) vinden we overigens ook weerspiegeld in zijn verhalen zelf. Reeds in De uitvreter, nochtans geschreven vr de fameuze opmerking van 1915, staat er iets in die aard, wanneer er sprake is van de figuur Van Houten, met een lichte spot beschreven als "een kantoorbediende die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was." (p.27). In het stukje Flip, ergens tussen 1914 en 1917 geschreven, lezen we: "'Meneer', had een derde tegen 'm gezegd, 'meneer, wij uitgevers moeten 't hier in Nederland hebben van de leesportefeuilles.' En ze hadden 'm een lorrigen roman laten zien, dameswerk." (p.159). Maar vooral veelzeggend is de houding van de figuur Janus, duidelijk een alter ego van Nescio, in het verhaal Najaar uit 1922. Janus is een kantoorbediende die dolgraag een boek had willen schrijven, maar bij het vallen van een blad voor het raam denk: "Ik kijk er naar en doe niets. Anderen schrijven romans van gewapend beton, ik doe niets." (p.174). Voor Querido, in die tijd een succesvol auteur, voelt hij verachting "omdat die zulke dikke boeken had geschreven, wat geen afdoende reden is." (p.175).

           In 1942 (het jaar dat hij Insula Dei schrijft !) ziet Nescio definitief in dat het schrijven van een roman niet aan hem is besteed, en lijkt hij daar ook vrede mee te hebben. In de inleiding tot Boven het dal lezen we: "Ik had me toen (hiermee zijn de jaren rond 1918, '19 bedoeld) in mijn hoofd gehaald dat ik een roman moest schrijven. Zelfkennis is zeldzaam en ook bij mij wel eens afwezig." (p.154). Over de schets Verliefdheid, oorspronkelijk bedoeld als deel van de bewuste roman, schrijft hij: "Toen ik het 'fragment' dezer dagen weer in handen kreeg, merkte ik eenigszins tot mijn verbazing (na zooveel jaar), dat het in zich zelf compleet en af was. Wonder dat ik destijds niet verder kon." (p.154). Nescio maakt in die tijd in het algemeen een tevreden indruk over zijn eigen werk, ook al spreekt hij er in uiterst bescheiden bewoordingen over: "eenige oude stukjes" die misschien ooit "dezen en genen zullen interesseeren" (p.153), "een paar stukjes (...) die ik graag bewaard zou zien blijven, omdat ze zoo lekker geschreven zijn" (p.209), "dit aardige aanzetje" ('t Andere, p.215) enzovoort. Zijn vroegere schroom om met oude fragmenten naar buiten te komen lijkt verdwenen; aan het eind van de jaren '40 stelt hij zelfs herhaaldelijk de vraag zijn eigen werk te vertalen (wat voorlopig niet gebeurt).

           Hoe komt het echter dat een schrijver als Nescio, die over zo'n vlotte pen lijkt te beschikken, er niet in slaagt de roman te schrijven die hem zo lang heeft geobsedeerd? Waarom blijft hij zo vaak steken, ook waar het om minder ambitieuze projecten gaat?

   

[1] F. Coenen aan Grnloh, 28-6-1915.  Gepubliceerd in : Nescio. De uitvreter.  Historisch-kritische uitgave, p.209.

[2] In het verzameld werk werden inderdaad een tweetal romanontwerpen opgenomen, daterend van nog vr 1910 : 'Woelige dagen' en 'I Kantoor'.

[3] Brief van 10 april 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.408-409.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina