Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Slotvraag: Waarom schreef Nescio zijn roman niet?: Zin van de kunst volgens Nescio

   
   

4.2. Zin van de kunst volgens Nescio

           "Een boek had hij willen schrijven. Anderen hadden boeken geschreven, oggenebbish. Een boek zouden ze schrijven, de zon zou opgaan, iets anders zou beginnen. Maar alles ging gewoon door. En dan schreven ze verder, romans van gewapend beton schreven ze, ze werden schrijvers, zooals een ander trouwt en ook niet beter weet en ze stierven er niet aan. En hun portretten kwamen in 'De Prins' en 'Het Leven' en lagen in Winschoten en Zevenaar en Sluis op de rand van het biljart en enkele exemplaren van hun boeken werden zelfs gekocht door menschen in Roermond en Heerlen, waar de Nederlandsche litteratuur eigenlijk verboden is. Dat de zon zou opgaan dachten ze niet meer, ze schreven maar en dachten aan zich zelf en hun portretten." (p.179). Een citaat uit Najaar, dat ons eens te meer wijst op Nescio's ambigue houding tegenover de wereld van de literatuur. Net als de figuur Janus benijdt hij enerzijds de 'anderen', die slagen in wat hem niet lukt, maar anderzijds bereiken zij uiteindelijk toch ook niet wat hij verlangt. Voor de manier waarop hun schrijverschap wordt 'geïnstitutionaliseerd' voelt hij slechts minachting. Het 'opgaan van de zon' blijft voor Nescio belangrijker dan de eigen roem. Roem lijkt de kunstenaar slechts te verwijderen van het wezen van de kunst. De meeste schrijvers misprijst hij omwille van hun gebrek aan levensechtheid. Zozeer, dat de woorden 'literatuur' en 'schrijver' voor hem een betekenis hebben waarmee hij zich niet wenst te associëren.[1] Andere auteurs werken met gewapend beton, terwijl Nescio zijn stof uit zijn "lijfelijke zelf" (De Profundis, p.548) put. Sommige critici zien dààrin de reden dat zijn roman niet lukt, en dat hij zo weinig schrijft. C. Bittremieux bijvoorbeeld: "Anderen, de typische romanciers bij voorbeeld, scheppen zelf een wereld, uit en naar hun verbeelding. Nescio behoort tot degenen die persoonlijke ervaring herscheppen. Op zijn minst is alles wat hij schrijft op die ervaring betrokken. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat hij nooit tot een roman gekomen is." [2] En Rob Bindels: "Hij was zo'n schrijver die zijn schetsen en verhalen schreef met zijn eigen bloed - om het eens pathetisch te zeggen. En wie met zijn bloed schrijft, schrijft niet zoveel, want zoveel bloed kan een mens niet missen." [3]

           Nescio heeft zijn literatuuropvattingen nooit systematisch op een rijtje gezet, maar we kunnen behoorlijk wat afleiden uit zijn verhalen, en uit de zeldzame keren dat hij daar wat begeleidende tekst bij schrijft. Baseren we ons op uitspraken uit De uitvreter en Titaantjes, dan lijkt het doel van de kunst in de eerste plaats te zijn gelegen in de weergave van de eigen, intense (natuur)waarneming. De schilder Bavink lijdt er ontzettend onder dat hem dat niet lukt : "Als de menschen wisten hoe i de dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk (...)" (De uitvreter, p.14). Japi vindt schilderen maar zinloos: "Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als je ze onderging." (p.12). Ook het schrijven laat hij maar varen: "Wat gaat 't die kaffers aan, wat ik zie." (p.26). In overeenstemming hiermee beweert W. F. Hermans dat er "in Nescio's wereld (...) geen andere kunst (bestaat) dan het impressionisme. Kunst kan geen ander doel hebben dan in woord of verf de werkelijkheid van het landschap te vatten. (...) Geen dramatiek, geen fantasie." [4]  En vandaar dus geen roman?

           Zonder de belangrijke plaats van natuurimpressies in het oeuvre van Nescio te willen ontkennen, lijkt die visie mij toch wat eenzijdig. Zoals ik in deze verhandeling hoop te hebben laten zien, is er in de verhalen ook een complexe thematiek aan het werk, weliswaar nauw met de beleving van de natuur verbonden. Zoals hij aan het begin van het onvoltooide verhaal Een goeie jongen beweert, is het er Nescio ook om te doen "even (te)zeggen waar 't op staat." (p.392). Nescio wil niet uitsluitend op papier zetten wat hij ziet, maar evenzeer wat hij voelt en denkt. "De koopers willen een geschiedenis en ik wil van alles zeggen, dat in me ronddraait." (Boven het dal, Inleiding, p.154). Of zoals Dora het in Dichtertje wat kinderlijk verwoord: "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn." (p.102).

           De hoofdbekommernis van Nescio's schrijverschap lijkt echter nauw verband te houden met zijn bijna fanatieke drang om dierbare ogenblikken voor de eeuwigheid te bewaren. We hebben gezien hoe sommige van zijn personages (Koekebakker in Titaantjes en Flip in Insula Dei) de vergankelijkheid proberen te ontvluchten door zich terug te trekken in een innerlijke wereld, voornamelijk opgebouwd uit kostbare herinneringen. Maar omdat zo'n 'Insula Dei' samen met de mens gedoemd is om te sterven, kan dit geen bevredigend eindpunt zijn. Er kan slechts één oplossing worden bedacht, en dat is het herscheppen van deze innerlijke wereld in de kunst.

           Nescio's verlangen naar eeuwigheid wordt krachtig verwoord in de inleiding tot Boven het dal. Na de indruk te hebben gegeven dat hij zich rustig neerlegt bij het feit dat hij zo weinig productief is, verandert het stukje van toon met een typisch nesciaanse "En toch, en toch..." (p.155). Een lyrische passage die een opsomming geeft van natuurwaarnemingen (Ziet, de zwarte kale boomen rijzen op uit het gras, kijk langs de stammen naar boven, (...). etc., p.155) mondt uit in de conclusie: "Ik zou willen (...) dat dit vergankelijkste leefde zoo lang als de gedachte kan reiken, dat al dit teere, dat ik zelf zou leven zoolang als men Hollandsch kan lezen, zoo'n eenvoudig mannetje als ik ben, dat zou ik willen. Of misschien zou men het vertalen in een taal die langer zal gelezenworden en zoo verder, zoo ver ik denken kan." (p.155-156).

           Ook Nescio blijkt niet vrij van literaire ambities, maar in tegenstelling tot de in Najaar beschreven collegaschrijvers is het hem minder te doen om persoonlijke roem ("(...) het beetje weerklank dat men verneemt is aardig, maar onbelangrijk." p.155) [5] dan om het laten voortleven van zijn eigen, kostbare ervaringen. In de eerste plaats gaat het daarbij om natuurwaarnemingen. In de inleiding tot Boven het dal geeft hij toe, dat het hem te doen is om "zoo en passant wat wolken en zoo voor eenige eeuwen te fixeeren" (p.156). In dezelfde lijn mijmert de ontgoochelde Janus in Najaar: "Je dacht nog wel eens dat je wat kon, dat je zo'n vallend blaadje kon laten leven tot lang na 1972." (p.174). Verder wil Nescio niet zo maar afstand nemen van zijn jeugdjaren, de tijd van de grote dromen die in zijn verhalen telkens weer terugkeert. Bij het werken aan Titaantjes noteert hij op een los blad: "Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten." (p.818).

           Nescio's fascinatie voor het vermogen van de kunst om de vergankelijkheid te overwinnen, blijkt uit tal van citaten. Om duidelijk te maken waarom hij "wel weer graag (zou) willen schrijven" (p.156), gebruikt hij in de inleiding tot Boven het dal het beeld van het kijken naar een oud schilderij:

"Zoo zie ik een vrouw leven en haar oogen, ze is al vijfhonderd jaar dood misschien, maar ik sta voor de schilderij en haar glimlach leeft. En 't gras leeft en de blaadjes aan de wilgen en 't riviertje dat stroomt en de beuken op 't gras voor het witte huis en de wolken leven en ik sta bij 't zelfde water dat toevallig stroomde met zonnereflexen, zooals de schilder daar stond, in Engeland, laten we zeggen in Juni 1750 en ik ben die schilder. (p.156)

In het stukje C'est plus fort que vous, madame verwoordt hij zijn hoopvolle verwachtingen aan de hand van een onsterfelijk muziekstuk:

"Wacht maar. Hoor, het largo van Händel. Bijna tweehonderd jaar geleden is het licht voor hem uitgegaan en zijn de wereld en alles voor hem verdwenen. Uit een nacht van 200 jaar komt het largo tot mij, die leeft, nog even (...)." (p.589)

In Insula Dei ziet de door de sneeuw wandelende Dikschei opeens "iets dat er niet is: het blauwe meer en het onafzienbare veld er bij met gele narcissen, 't water en de narcissen golvend in de win: 'The daffodils', van Wordsworth." (p.197). Veelbetekenend is verder het slot van Najaar. Janus kijkt naar een plas en denkt aan zijn kinderjaren, waar niets van over is. En dan, op dezelfde manier als in de hierboven al zo vaak aangehaalde Inleiding, krijgt het verhaal plots een heel andere, licht triomfantelijke toon. Een passage die het waard is in zijn geheel te worden geciteerd:

"'(...)

En toch. Nog leven de lammeren die Ichnaton op hun pootjes zag springen in het voorjaar. De zon schitterde op de zee en de schepen zeilden naar de zon. Nog leeft die dag daar in Egypte hier in Amsterdam in mijn hoofd na zooveel duizend jaar.'

Een glimlach trekt over de gruwelijke oneindigheid Gods. Het kind speelt.

Het is eind Augustus 1937. In den tuin van Sichem hangen de rooie appeltjes aan de boomen in den lichten ochtendnevel. De tuin met het schaap, met de witte besjes aan de struiken. Een ladder staat tegen een appelboom, een appel valt met een plof in het gras in de stilte.

In de kerk van Sichem staat Augustinus, levensgroot. Hij is van steen en houdt een steenen boek, opengeslagen, in de hoogte.

Mijn vele dagen willen niet zoo maar vergaan.

Vierduizend jaar later. Mijn appel valt met een plof op het gras in de stilte." (p.180)

           Om zijn 'vele dagen' voor de eeuwigheid te bewaren, gebruikt Nescio ze als bouwstof voor zijn oeuvre, in De Profundis beschreven als een kathedraal, die "blinkt in de zon met haar beide torens, onvoltooid om steeds hooger te rijzen" (p.548), nog vreugdevol schitterend "als die heeren al lang in hun dure familiegraf zullen liggen" (p.550). Deze woorden herinneren aan het dichtertje, "die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid" (Dichtertje, p.97).

           Maar waarom een kathedraal die gedoemd is onvoltooid te blijven? Mogelijk doelt Nescio hier weer eens op de roman, die maar niet geschreven raakt en slechts een weelde aan fragmenten oplevert. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat het onvermogen om tot een roman te komen veel te maken heeft met de functie die Nescio aan de kunst toekent. Het vereeuwigen van persoonlijke ervaringen en natuurwaarnemingen, het neerschrijven van gedachten die in hem ronddraaien (met de nadruk op 'draaien', want Nescio's beschouwingen leiden zelden tot een besluit), dat alles heeft erg weinig van doen met het traditionele romangenre, dat steeds op een bepaalde vorm van ontwikkeling is gebaseerd. Kees Fens beweert: "Nescio's verhalen verlopen niet van diepte- naar hoogtepunt of omgekeerd, het zijn rechte lijnen (...)." [6] Hoewel dit niet zonder meer opgaat voor alle verhalen: in Dichtertje bijvoorbeeld wordt er wél naar een zekere climax toegewerkt.

   

[1] Hoewel : wanneer hij begin jaren '50 Mene Tekel bij De Slegte ziet liggen, zou hij hebben gezegd : "Zeg, ze verkopen bij De Slegte nog literatuur ook."  In : S. Carmiggelt, 'Van u heb ik ook een heleboel gelezen...', p.38.

[2] C. Bittremieux, 'Nescio'.  In : Dietsche Warande en Belfort, jrg.106 (1961), nr.8, augustus. Ook in : Over Nescio, p.82.

[3] R. Bindels, 'Nescio.  De man die iets miste.', p.4.

[4] W. F. Hermans, 'Nescio's Nirwana'.  In : W. F. Hermans, Boze brieven van Bijkaart. Amsterdam, 1977.  Ook in : Over Nescio, p.118.

[5] Toch is hij, zoals op 14-4-1919 toegegeven aan A. Maas-Van der Moer, ook wel gevoelig is "voor bewondering en dankbaarheid".  In : E. Endt, o.c., p.409.

[6] K. Fens, 'Ogenblik en eeuwigheid'.  In : K. Fens, De eigenzinnigheid van de literatuur.  Amsterdam, 1964.  Ook in : Over Nescio, p.93.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina