Mijn gedachten zijn een zee

Anke Van den Bremt

 

Slotvraag: Waarom schreef Nescio zijn roman niet?: Verband met Nescio's werkwijze

   
   

4.3. Verband met Nescio's werkwijze

           Het moeizame van Nescio's schrijverschap heeft veel minder te maken met het vinden van de juiste woorden (zijn stilistisch vermogen heeft menig ander auteur jaloers gemaakt), dan met het vinden van een geschikte vorm. "Maar men kan zoo niet blijven schrijven. Men kan kleine gedichtjes maken, met niet veel woorden heeft men dan een klein boekje vol (...). Maar als men 't zoo maar eenvoudig weg en duidelijk in proza schrijft, dat is niet te lezen, onsamenhangend en telkens 't zelfde en veel te weinig. In 't proza komt men er niet zonder volume en dus is de zaak toch weer hopeloos." (Boven het dal, Inleiding, p.156). Deze fixatie op het onbereikbare volume moet Nescio meer dan eens hebben ontmoedigd - en geremd. Meesterlijke stukken proza zijn uit zijn pen gevloeid, maar tientallen jaren in zijn la blijven liggen omdat hij er niet in slaagde ze tot een afgerond geheel aaneen te smeden.

           Veel verhalen en fragmenten uit Nescio's nalatenschap (en ook reeds uit Mene Tekel en Boven het dal) vertonen een formele afhankelijkheidsrelatie, die het gevolg is van de manier waarop hij bij het schrijven te werk gaat. Bij het bestuderen van de genese van De uitvreter kwam Lieneke Frerichs tot de vaststelling dat die werkwijze vooral bestaat uit het herschikken van de stof, en niet zozeer uit het verbeteren van zinsbouw en woordkeus. Hoewel Nescio zijn personage Dora in Dichtertje de volgende woorden in de mond legt: "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef, je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals 't er staan moet." (p.102), blijken zijn eigen verhalen haast nooit in één adem tot stand te zijn gekomen. Op Dichtertje en Insula Dei na, die respectievelijk binnen één maand en binnen één week geschreven zijn, kent het merendeel een lange en gecompliceerde ontstaansgeschiedenis, die zich vaak over meerdere jaren uitstrekt. 

           Waarom schijnt Nescio dan zelf de indruk te willen wekken alsof al wat hij heeft geschreven volkomen spontaan is opgeweld? "Ik wist helemaal niet dat ik schreef" [1], zou hij bijvoorbeeld tegen W. L. M. E. van Leeuwen hebben gezegd, terugblikkend op de jaren rond 1900. En in een brief aan A. Maas-Van der Moer typeert hij zijn schrijven als "een levensverschijnsel": "Zonder dat ik 't weet groeit eens in de honderd jaar zou ik haast zeggen de bloem uit mijn misère." [2] In plaats van, zoals Bindels, deze argeloosheid "ten dele als schijn, als pose misschien" [3] te ontmaskeren, lijkt het mij beter een onderscheid te maken tussen verschillende stadia in Nescio's werkwijze. Uitspraken als hierboven hebben dan betrekking op het eerste stadium, waarin hij zonder vooropgezet plan of schema begint te schrijven, "zoo roef, roef". [4] Soms ontstaat er op die manier een verhaal, maar veel vaker moet hij op een bepaald punt hebben ingezien dat hij niet verder kon, bij gebrek aan een intrige. De onafgemaakte tekst blijft liggen, maar is te "lekker geschreven" ('Ik laat hier nog een paar stukjes volgen', p.209) om ongelezen te blijven. Nescio begint zich nu bezig te houden met lezersverwachtingen, en probeert de geslaagde 'brokstukken' om te vormen tot een groter, afgerond geheel, met een "verhaaltje" erin, "om lezers te vangen" (Boven het dal, Inleiding, p.157). Vanaf dat moment is het gedaan met de spontaniteit. Soms wordt alsnog een bevredigend eindresultaat bereikt (ondermeer Najaar is op zo'n manier ontstaan), maar dikwijls blijft het bij fragmenten. Nescio's scherpe zelfkritiek heeft bovendien tot gevolg dat hij, wanneer er wél meteen een verhaal uit zin pen is gevloeid, zelden tevreden is met de eerste versie, en deze met veel gepuzzel en geknip begint te bewerken (cf. De uitvreter en Titaantjes).

           Tegen A. Maas-Van der Moer geeft Nescio toe: "(...) 't is me niet te doen om iets te maken (behalve als ik een roman wil schrijven)." [5] Momenten waarop hij besluit voortaan nog "alleen wanneer ik zelf wil en wat ik zelf wil" [6] te schrijven, wisselen af met vlagen waarbij hij wil voldoen aan de eisen van uitgevers en publiek, niet zozeer omwille van de roem, maar omdat hij wat te zeggen heeft dat het verdient gelezen te worden ("Maar ik heb iets te zeggen dat je niet van iedereen hoort en dat noodzakelik nog eens gezegd moet worden." Een goeie jongen, p.392). Daarom ook zet hij af en toe resoluut een ontwerp op papier, een schema voor een echte verhaalintrige. Een romanontwerp als dat van 1918 laat zien dat hij van plan was heel wat reeds geschreven materiaal op te nemen, dat wordt aangeduid met "all ready made" (Ontwerp, p.626-627). Maar geen van de teruggevonden ontwerpen werd volledig uitgewerkt. Zodat Nescio concludeert: "Ik kan geen maakwerk fabriceren." [7]

           Dat Nescio niet tot een roman komt houdt dus zeker ook verband met zijn manier van werken. Nescio kan niet goed schrijven wanneer hij zich moet houden aan een vooropgezet plan. Liever begint hij spontaan en ziet later wel wat er kan worden gedaan met wat er uit de bus gekomen is. Het drukkende besef niet te voldoen aan de verwachtingen van uitgevers en publiek zal hem echter meer dan eens bij het schrijven hebben gehinderd. In de jaren '40 neemt hij er vrede mee dat het schrijven van een roman niet voor hem is weggelegd. Mogelijk bestaat er een verband tussen het wegvallen van deze 'verplichting' en het wel erg vlotte ontstaan van Insula Dei, dat Nescio schrijft zonder grootse voornemens.

   

[1] W. L. M. E. van Leeuwen, Avonden op Drienewolde. Herinneringen en ontmoetingen.  Amsterdam, 1966, p.145.  (Geciteerd in : R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje van Nescio, p.43.)

[2] Brief van 18 juli 1919.  In : E. Endt, 'Herkenning en misverstand', p.422.

[3] R. Bindels, Over De uitvreter, Titaantjes en Dichterte van Nescio, p. 43.

[4] De eerste versie van De uitvreter, waarop er nog drie zullen volgen, werd in drie uur tijd geschreven !

[5] Brief van 18 juli 1919.  In : E. Endt, o.c., p.422.

[6] Brief aan A. Maas-Van der Moer van 10 april 1919.  In : E. Endt, o.c., p.408.

[7] Anoniem (M. Van Loggem), 'Nescio geeft na 50 jaar weer werk uit handen. Nieuwe verhalen uit zijn aantekeningen'.  In : Algemeen Dagblad, 7-1-1961.  Ook in : Over Nescio, p.256.

     
   

Inhoudstafel

   

Terug naar vorige pagina...

   

Volgende pagina